‘The B’s’

Vandaag moet een lang gekoesterde wens in vervulling gaan: een bezoek aan het Royal College of Music in Londen, een van de grootste conservatoria ter wereld waar begaafde musici hun opleiding kregen en een internationale carrière startte als uitvoerend musicus, dirigent of componist. Daar studeerden  mijn helden, de componisten die in klank die typisch pastorale sfeer van het Engelse landschap en samenleving wisten te treffen. Ik heb daar blijkbaar een gevoelige antenne voor, en daarom ben ik hier. Ik zal dus naar Londen moeten
en teruggaan in de tijd, naar de onbezorgde collegejaren van vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Het miezert als ik op het stationnetje van Braintree sta te wachten op de trein naar Londen, Liverpoolstreet Station. De dame achter het loket is mij behulpzaam bij het uitzoeken van het gunstigste kaartje, inclusief OV in Londen en met nog een half uur wachttijd voor vertrek zuig ik elk detail van het spoor in mij op. Een enkel spoor, eindigend op een stootblok. Daarachter verliest de wereld zich in natte nevels. Het perron wordt geschilderd, de gietijzeren steunen van de overkapping krijgen twee kleuren blauw. Het maatje doet het grove werk, de baas neemt met een bokkenpoot de  fraai gestileerde ornamenten voor zijn rekening. Hun witte overals en de rood-witte afzetlinten om de palen vallen wel heel erg uit de toon. Het wordt gezellig druk op het stationnetje. Er vormt zich een
rij voor het loket van de dame en de wachtkamer vult zich met natte jassen. Op het perron wordt het een geschuifel onder de overkapping om èn niet nat te worden èn geen verfstrepen op de jas te krijgen.

Dan loopt de trein van Greater Anglia binnen. Die is opvallend lang voor de toch wel betrekkelijk weinig reizigers. Ik heb de hele wagon voor mijzelf, maar comfortabel is anders. De trein is smerig, overal ligt vuil en de banken zijn bezaaid met oude kranten. Met enige vertraging vertrekken we dan eindelijk vanaf Braintree
Station. Mijn trein trekt een vieze streep door het landschap.

En er is lawaai. Mededelingen en aankondigingen van stations zijn nauwelijks te verstaan. Hoe dichter wij bij de grote stad komen hoe harder gaat de trein rijden. Alsof we de stad worden ingezogen. Nu is goed is te zien welke schade de storm heeft aangericht in bossen en parken. Bomen geknakt als luciferhoutjes, scheve bomen en heel veel verse kluiten. We snellen langs industrie en over uitgestrekte emplacementen. Langs overwoekerde sporen waarin het onkruid versterft. Alles is vaalbruin en grijs en roept beelden op die ik onlangs zag op de tentoonstelling  ‘de melancholieke metropool’. Foto’s en filmbeelden uit de donkere jaren 30 van industrieterreinen, spooremplacementen, de periferie van de grote stad. We bonken en stoten over wissels en razen langs druk bevolkte perrons die nu om de kilometer aan de spoorlijn liggen. Dit gaat echt te hard, dit vraagt om ongelukken. Voor het eerst twijfel ik of dit wel de veiligste manier van vervoer is. Elke passerende trein doet de deuren met een geweldige klap enkele centimeters uit hun sponningen komen. Op het moment dat een ontsporing onvermijdelijk lijkt, wordt er sterk vaart verminderd, duiken we onder de grond en rijden we op platform 13 van Liverpoolstreet Station binnen.

De underground en bus brengen mij naar de wijk Kensington met zijn witte, statige huizen. Het is nog even zoeken, maar uiteindelijk sta ik dan voor het imposante gebouw van de Royal College of Music. Ik meld mij bij de receptie en mij wordt de weg gewezen naar het museum. Al gauw verdwaal ik in het labyrint van gangen en trappenhuizen van waaruit van alle kanten muziek klinkt.
Hier wordt duidelijk gestudeerd. Op viool, op piano en ook de menselijke stem ontbreekt niet op het repertoire. Muziekstudenten schieten haastig langs mij heen, trap op trap af, behendig manoeuvrerend met een vaak zware instrumentkoffer op hun rug. Ik vind het museum ergens weggestopt in de kelder. De hooggespannen verwachtingen worden niet helemaal waargemaakt. Veel -vaak bijzondere – muziekinstrumenten liggen uitgestald in de glazen vitrines. Veel bladmuziek ook en oude foto’s van strenge
bestuursleden uit de begintijd van dit instituut. Geen foto’s of portretten van mijn helden, geen eregalerij van de oude glorie. De vitrine met strijkinstrumenten krijgt mijn bijzondere aandacht, want voor strijkers heb ik altijd al een voorkeur gehad.

Na een half uurtje heb ik het museum wel gehad en besluit ik om in het restaurant te lunchen en mijn verdere plannen te heroverwegen. Het restaurant is rond dit tijdstip de place to be voor studenten en professoren, want het RCM van de 21e eeuw is een levendige gemeenschap van 750 leergierige, talentvolle leerlingen uit meer dan 60 landen.  Die krijgen les van musici van internationale naam en
faam, gewend om het maximale te halen uit de meest talentvolle onder hen. Onwennig schuif ik bij hen aan en bezie het studentenleven van een afstandje: Er wordt gezond geluncht uit zelf meegebrachte bakjes, prakjes opgewarmd in een batterij van magnetrons. Vaak eenhandig, want ook dit is de smartphone-generatie. En er wordt druk over muziek gepraat, discussies die zich hier en daar laten leiden door opengeslagen bladmuziek. Dit is ongetwijfeld van alle tijden, al sinds de oprichting in 1882. Ralph Vaughan Williams studeerde hier en ook Ernest John Moeran.
En in gedachte zie ik een nog jonge Herbert Howells zitten met zijn vrienden. Het is 1913 en hij is de meest veelbelovende van de toch al zeer talentvolle groep leerlingen van Sir Charles Villiers Stanford. Hij werkt aan een compositie die hij ‘The B’s’ gaat noemen, een orkestsuite waarin hij een muzikale eer wil brengen aan zijn vrienden-
groep hier aan het RCM, aan Arthur Benjamin, Arthus Bliss, Ivor Gurney, Francis Warren en aan zichzelf. Ieder deel uit deze suite zal worden opgedragen aan één van de leden,
genoemd naar hun bijnamen (respectievelijk ‘Benjee’, ‘Blissy’, ‘Bartholomew’, ‘Bunny’ en ‘Bublum’). De muziek is krachtig en zelfbewust, en klinkt als een gelukkige herinnering aan een zorgeloze wereld die spoedig opgeschrikt zal worden door het uitbreken van de
Eerste Wereldoorlog. Veel van zijn vrienden zullen hiervan niet terugkeren of blijvende fysieke of geestelijke littekens dragen. Ik denk hierbij aan dichter/componist Ivor Gurney wiens spoor ik volgde vanuit de Vlaamse modder van Passchendaele 1917…

Na de lunch meld ik mij bij de bibliotheek. ’n Jongen van ongeveer Howells’ leeftijd maakt mij wegwijs in de eindeloze rijen muziekboeken, bladmuziek en cd’s. Ik vind de enige opname van Howells’ ‘The B’s’ en neem plaats achter één van de vele afluisterplekken in de audio-afdeling. Even wachten nog… Eerst van dezelfde cd het langzame deel van zijn ‘Three Dances for Violin and Orchestra’ uit begin 1915. Een Howells, nog niet geraakt door de tragedie van de oorlog: serene vioolmuziek met een glorieus brede melodie die me in het hart raakt. Ik overdenk de plek waar ik ben, de bijzondere sfeer die ik hier mag delen als ik begin met de Suite ‘The B’s’. Bij Howells’ portret van zijn grote vriend Ivor Gurney ‘Bartholomew’ breek ik… Gurney’s creatieve leven was slechts kort. Hij overleefde ternauwernood een gasaanval en verbleef de laatste 15 jaar van zijn leven in een tehuis voor geesteszieken. Toen Howells dit liefdevolle portret voor zijn vriend schreef was dit alles nog verborgen in de toekomst… Maar met de kennis van nu… Ik onderdruk mijn opkomende tranen, zet de cd terug op het juiste nummer en ontvlucht Londen. In Braintree, waar ik laat in de middag aankom, zijn de schilders op het station nog steeds aan het werk. Een nieuwe laag verf over een oude historie…

Cees Sleven © 2014

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: