Een niet geheel toevallige ontmoeting

George-Butterworth
George Butterworth

In het “Musée Somme 1916” in Albert, dat zich bevindt in een 250 meter lange gang van een ondergrondse schuilkelder ontmoet ik een van mijn helden, de Engelse componist George Butterworth. In augustus 1914 voegt hij zich bij het Britse leger in antwoord op de oproep van Lord Kitchener om zich massaal vrijwillig aan te melden. Op 5 augustus 1916, tijdens gevechten in de loopgraven tussen Contalmaison en Pozières aan de Somme, krijgt Butterworth een fataal schot in het hoofd. Op 31-jarige leeftijd eindigt een veelbelovende muzikale carrière. Hij was erg kritisch op zijn werk,
want veel van zijn composities heeft hij voor de oorlog al vernietigd. Wat bleef is een klein, maar wonderschoon oeuvre en een filmpje in dit museum waarop ik hem zie volksdansen. Ik verlaat dit bijzondere museum aan de achterzijde, aan de kant van het stadspark, nu volop in de zon gelegen. Butterworth’s compositie “Loviest of Trees” naar de gedichtencyclus “A Shropshire Lad” van A.E Housman klinkt nog na in mijn oren wanneer ik de glanzend groengelakte muziektent passeer. En weer kan ik een geluksmoment aan mijn lange rij toevoegen… Ik rij naar Contalmaison en daar neem ik afscheid van mijn held. Het landschap om mij heen lijkt wel iets op het pastorale Engeland waar hij zo van hield…

George Sainton Kaye Butterworth, de Britse componist, muziekcriticus en verzamelaar van volksmuziek en -dans, diende bij het Britse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, tot hij sneuvelde door een kogel van een sluipschutter in augustus 1916. Geboren op 12 juli 1885 in Londen uit een welgestelde gestelde familie, werd Butterworth grootgebracht in York voordat hij zijn eerste opleiding ontving in Eton. Daar begon hij zich voor muziek te interesseren en zijn belangstelling groeide gedurende zijn tijd aan Trinity College in Oxford. In deze periode ontmoette hij zowel Ralph Vaughan Williams als Cecil Sharp, ontmoetingen die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van zijn muzikale ambities. Na een jaar les te hebben gegeven aan Radley, ging Butterworth voor een korte periode studeren aan het Royal College of Music. Zijn interesse
voor het verzamelen van volksmuziek (samen met Sharp en Williams) stamt uit deze tijd. Muzikaal gezien staat Butterworth bekend als de componist van ‘The Banks of Green Willow’ (uit 1913) en het op muziek zetten van ‘A Shropshire Lad’ van Alfred Edward Housman in 1912. In deze tijd schreef hij ook kritieken voor de London Times.

Het uitbreken van de oorlog in Europa in augustus 1914 deed Butterworth zich aanmelden als luitenant bij het 13e Bataljon van de Durham Light Infantry. Voor zijn inscheping naar Frankrijk heeft Butterworth echter al zijn werk vernietigd dat zijn toets der kritiek niet kon weerstaan. Dat is de reden dat zijn muzikale output wat klein is. Gedurende twee jaar van zijn dienst was hij koerier en verdiende het Military Cross vanwege het succesvol verdedigen van een loopgraaf in Pozières van 17 tot 19 juli 1916. Als man met de reputatie moedig te zijn, werd Butterworth gedood terwijl hij een aanval leidde tijdens het Somme offensief in Pozières op 5 augustus 1916. Het lichaam van Butterworth is nooit gevonden, maar zijn naam staat vermeld onder de 73.357 vermisten op het Thiepval Memorial. Hij werd 31 jaar.

Cees Sleven © 2013

Advertisements

Requiem

Requiem

Pour out your light, O stars, and do not hold
Your loveliest shining from earth’s outworn shell –
Pure and cold your radiance, pure and cold
My dead friend’s face as well.

Ivor Gurney – uit: Severn and Somme (1917)

Ivor gurney
Ivor Gurney

Onder de Engelse oorlogsdichters is Ivor Gumey (1890-1937) één van de meest tragische: hij bracht de jaren vanaf 1917 tot zijn dood bijna onafgebroken door in inrichtingen voor geesteszieken. Ivor Gurney werd geboren in Gloucester, Gloucestershire. Deze streek, waarin ook de Cotswolds liggen, zou hem zijn leven lang als troost en inspiratiebron dienen. Voor de oorlog vielen zijn muzikale talenten al vroeg op en hij kreeg een beurs voor de Royal College of Music in Londen. Bij het uitbreken van de oorlog wilde hij dienst nemen, maar werd afgekeurd wegens slechte ogen. Een jaar later werd hij herkeurd en goedgekeurd. In 1916 ging hij naar Frankrijk, nam deel aan de ‘Somme’, en een jaar later aan ‘Passchendaele’, waarna hij het slachtoffer werd van een gasaanval. Hij herstelde langzaam en zijn geestesgesteldheid, toch al nooit zo sterk, was zodanig dat hij moest worden opgenomen. Hij bleef echter componeren en, in mindere mate, ook dichten.

Hartverscheurend zijn de brieven, vaak niet gepost, die hij aan vrienden en vriendinnen of aan de overheid schreef. De weduwe van collega-dichter Edward Thomas, gesneuveld bij Arras in 1917, kwam op het goede idee om tijdens een bezoek aan Gurney een kaart van Gloucestershire mee te nemen. Zo kon hij nogmaals zijn fan- tasie laten gaan over de herinneringen aan het landschap van zijn jeugd. Tijdens de oorlog werd van soldaat Gumey gepubliceerd ‘Severn and Somme’ (1917). De Severn is een rivier in zijn geboortestreek. Zijn naoorlogse gedichten werden geselecteerd en gepubliceerd door Edmund Blunden, bekend van ‘Undertones of War’, eveneens een dichter die vaak het arcadische van een landschap vergelijkt met het door de oorlog aangetaste landschap.

Vanuit het Memorial Museum Passchendaele 1917 in Zonnebeke, dat de herinnering levend houdt aan de 3e Slag bij Ieper en de verovering van Passendale, volg ik het spoor van Gurney naar Sint-Juliaan, een weggestoken dorpje aan de weg naar Langemark. Er zou onlangs een monumentje voor de dichter/componist zijn opgericht en daarnaar ben ik op zoek. Wat zich in deze streek heeft afgespeeld tussen 9 oktober en 6 november 1917 kende zijn weerga niet in de geschiedenis: meer dan 4 miljoen granaten hebben tijdens de voorbereidende beschietingen de grond omgeploegd en ontdaan van alle bomen en bebouwing. Het regende onophoudelijk. Door de kleigrond kon het water niet weg en vormde het gebied om tot een bedorven moeras, vergiftigd door mosterdgas dat op stilstaande poelen bleef drijven, en door de ontelbare onbegraven en half vergane lijken en kadavers. Door de regen liep het stinkende water over in de ondiepe Engelse loopgraven die veranderden in zompige modderstromen. De instortende muren konden nauwelijks met natte zandzakken overeind gehouden worden. De doorweekte en uitgeputte mannen schuifelden over de plankieren en hurkten in alle vroegte neer in de ondiepe geulen. Soldaten verzopen en het veldgeschut zakte bij iedere terugslag langzaam maar zeker achterover in de modder. De herrie van het bombardement vermengde zich met het gekerm van de gewonden en het gegil van paarden en muilezels die in de kraters verdronken, of zwaargewond vergeefs op het genadeschot wachtten. De verliezen aan beide zijden waren enorm, de terreinwinst slechts 8 km…

Battle-of-Passchendaele-november-1917
Slagveld bij Passendale, 1917

Sint-Juliaan ligt er deze regenachtige namiddag verlaten bij. En ik denk altijd, want er is geen levende ziel te bekennen. Laat staan dat iemand hier van Ivor Gurney heeft gehoord. Ik trek de aandacht van een oude man die verschenen is in een deuropening en vraag hem naar het monument dat ergens bij ene ‘Gallipoli Farm’ zou moeten staan. Zijn tandeloze mond antwoordt onverstaanbaar, in ieder geval ontkennend. Eindigt hier reeds mijn spoor? Hij ziet mijn teleurstelling, wijkt van de deur en komt even later terug met in zijn hand een parochieblaadje. Er staat wat in over monumenten in de omgeving, maar Ivor Gurney lijkt hier onbekend. Ik loop al terug naar de auto als hij mij wenkt met alweer een parochieblaadje in zijn handen. En ja, een piepkleine afbeelding van Gurney’s monumentje en bovendien een plaatsaanduiding die blijkt in het buitengebied te liggen. Opgetogen bedank ik de man die mij -opnieuw onverstaanbaar- succes wenst met mijn verdere zoektocht. Ik laat Sint-Juliaan snel achter mij. Het is opgehouden met regenen. Ik rij langs smalle weggetjes, tussen manshoge mais, tot het landschap plotseling openvalt en ik het monumentje links van de weg zie staan bij een boerderij met de naam ‘Gallipoli Farm’, zo genoemd door de Britten vanwege de strategische ligging. Ik zet de auto in de berm, wil dit moment vereeuwigen. Erfhonden slaan aan, ik sla er geen acht op. Met een brok in de keel lees ik zijn gedicht ‘Memory let all slip’ op de sokkel:

‘Herinnering, laat alles varen wat zoet is
Van Iepers vlakte,
Bewaar alleen het herfstzonlicht en de stoet
wolken na de regen,

Blauwe lucht en het zachte blauw van geringe afstand
Hou alleen dat bij
Tenzij ik mijn volgepropte graf met jou moet delen.
Anders dood. Anders koud’.

(geschreven in het ziekenhuis, oktober 1917)
De brok in mijn keel wordt een huivering. Op deze plek, destijds Hill 35 of Gallipoli genoemd, halfweg tussen Ieper en Passendale, halfweg de Derde Slag bij Ieper, eindigde op 12 september 1917, in een gasaanval, de oorlog overzee voor dichter en componist Ivor Gurney. Het zou niet het einde van zijn strijd betekenen. Ik kijk de lege weg af richting Ieper. Waarboven de hemel breekt. Voor het eerst vandaag. Hiervoor ben ik naar hier gekomen…

Weg naar Ieper_web
Gedenkteken Ivor Gurney, Ieper

Cees Sleven © 2010

‘The B’s’

‘THE B’S’

Vandaag moet een lang gekoesterde wens in vervulling gaan: een bezoek aan het Royal College of Music in Londen, een van de grootste conservatoria ter wereld waar begaafde musici hun opleiding kregen en een internationale carrière startte als uitvoerend musicus, dirigent of componist. Daar studeerden  mijn helden, de componisten die in klank die typisch pastorale sfeer van het Engelse landschap en samenleving wisten te treffen. Ik heb daar blijkbaar een gevoelige antenne voor, en daarom ben ik hier. Ik zal dus naar Londen moeten
en teruggaan in de tijd, naar de onbezorgde collegejaren van vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Het miezert als ik op het stationnetje van Braintree sta te wachten op de trein naar Londen, Liverpoolstreet Station. De dame achter het loket is mij behulpzaam bij het uitzoeken van het gunstigste kaartje, inclusief OV in Londen en met nog een half uur wachttijd voor vertrek zuig ik elk detail van het spoor in mij op. Een enkel spoor, eindigend op een stootblok. Daarachter verliest de wereld zich in natte nevels. Het perron wordt geschilderd, de gietijzeren steunen van de overkapping krijgen twee kleuren blauw. Het maatje doet het grove werk, de baas neemt met een bokkenpoot de  fraai gestileerde ornamenten voor zijn rekening. Hun witte overals en de rood-witte afzetlinten om de palen vallen wel heel erg uit de toon. Het wordt gezellig druk op het stationnetje. Er vormt zich een
rij voor het loket van de dame en de wachtkamer vult zich met natte jassen. Op het perron wordt het een geschuifel onder de overkapping om èn niet nat te worden èn geen verfstrepen op de jas te krijgen.

Dan loopt de trein van Greater Anglia binnen. Die is opvallend lang voor de toch wel betrekkelijk weinig reizigers. Ik heb de hele wagon voor mijzelf, maar comfortabel is anders. De trein is smerig, overal ligt vuil en de banken zijn bezaaid met oude kranten. Met enige vertraging vertrekken we dan eindelijk vanaf Braintree
Station. Mijn trein trekt een vieze streep door het landschap.

En er is lawaai. Mededelingen en aankondigingen van stations zijn nauwelijks te verstaan. Hoe dichter wij bij de grote stad komen hoe harder gaat de trein rijden. Alsof we de stad worden ingezogen. Nu is goed is te zien welke schade de storm heeft aangericht in bossen en parken. Bomen geknakt als luciferhoutjes, scheve bomen en heel veel verse kluiten. We snellen langs industrie en over uitgestrekte emplacementen. Langs overwoekerde sporen waarin het onkruid versterft. Alles is vaalbruin en grijs en roept beelden op die ik onlangs zag op de tentoonstelling  ‘de melancholieke metropool’. Foto’s en filmbeelden uit de donkere jaren 30 van industrieterreinen, spooremplacementen, de periferie van de grote stad. We bonken en stoten over wissels en razen langs druk bevolkte perrons die nu om de kilometer aan de spoorlijn liggen. Dit gaat echt te hard, dit vraagt om ongelukken. Voor het eerst twijfel ik of dit wel de veiligste manier van vervoer is. Elke passerende trein doet de deuren met een geweldige klap enkele centimeters uit hun sponningen komen. Op het moment dat een ontsporing onvermijdelijk lijkt, wordt er sterk vaart verminderd, duiken we onder de grond en rijden we op platform 13 van Liverpoolstreet Station binnen.

De underground en bus brengen mij naar de wijk Kensington met zijn witte, statige huizen. Het is nog even zoeken, maar uiteindelijk sta ik dan voor het imposante gebouw van de Royal College of Music. Ik meld mij bij de receptie en mij wordt de weg gewezen naar het museum. Al gauw verdwaal ik in het labyrint van gangen en trappenhuizen van waaruit van alle kanten muziek klinkt.
Hier wordt duidelijk gestudeerd. Op viool, op piano en ook de menselijke stem ontbreekt niet op het repertoire. Muziekstudenten schieten haastig langs mij heen, trap op trap af, behendig manoeuvrerend met een vaak zware instrumentkoffer op hun rug. Ik vind het museum ergens weggestopt in de kelder. De hooggespannen verwachtingen worden niet helemaal waargemaakt. Veel -vaak bijzondere – muziekinstrumenten liggen uitgestald in de glazen vitrines. Veel bladmuziek ook en oude foto’s van strenge
bestuursleden uit de begintijd van dit instituut. Geen foto’s of portretten van mijn helden, geen eregalerij van de oude glorie. De vitrine met strijkinstrumenten krijgt mijn bijzondere aandacht, want voor strijkers heb ik altijd al een voorkeur gehad.

Na een half uurtje heb ik het museum wel gehad en besluit ik om in het restaurant te lunchen en mijn verdere plannen te heroverwegen. Het restaurant is rond dit tijdstip de place to be voor studenten en professoren, want het RCM van de 21e eeuw is een levendige gemeenschap van 750 leergierige, talentvolle leerlingen uit meer dan 60 landen.  Die krijgen les van musici van internationale naam en
faam, gewend om het maximale te halen uit de meest talentvolle onder hen. Onwennig schuif ik bij hen aan en bezie het studentenleven van een afstandje: Er wordt gezond geluncht uit zelf meegebrachte bakjes, prakjes opgewarmd in een batterij van magnetrons. Vaak eenhandig, want ook dit is de smartphone-generatie. En er wordt druk over muziek gepraat, discussies die zich hier en daar laten leiden door opengeslagen bladmuziek. Dit is ongetwijfeld van alle tijden, al sinds de oprichting in 1882. Ralph Vaughan Williams studeerde hier en ook Ernest John Moeran.
En in gedachte zie ik een nog jonge Herbert Howells zitten met zijn vrienden. Het is 1913 en hij is de meest veelbelovende van de toch al zeer talentvolle groep leerlingen van Sir Charles Villiers Stanford. Hij werkt aan een compositie die hij ‘The B’s’ gaat noemen, een orkestsuite waarin hij een muzikale eer wil brengen aan zijn vrienden-
groep hier aan het RCM, aan Arthur Benjamin, Arthus Bliss, Ivor Gurney, Francis Warren en aan zichzelf. Ieder deel uit deze suite zal worden opgedragen aan één van de leden,
genoemd naar hun bijnamen (respectievelijk ‘Benjee’, ‘Blissy’, ‘Bartholomew’, ‘Bunny’ en ‘Bublum’). De muziek is krachtig en zelfbewust, en klinkt als een gelukkige herinnering aan een zorgeloze wereld die spoedig opgeschrikt zal worden door het uitbreken van de
Eerste Wereldoorlog. Veel van zijn vrienden zullen hiervan niet terugkeren of blijvende fysieke of geestelijke littekens dragen. Ik denk hierbij aan dichter/componist Ivor Gurney wiens spoor ik volgde vanuit de Vlaamse modder van Passchendaele 1917…

Na de lunch meld ik mij bij de bibliotheek. ’n Jongen van ongeveer Howells’ leeftijd maakt mij wegwijs in de eindeloze rijen muziekboeken, bladmuziek en cd’s. Ik vind de enige opname van Howells’ ‘The B’s’ en neem plaats achter één van de vele afluisterplekken in de audio-afdeling. Even wachten nog… Eerst van dezelfde cd het langzame deel van zijn ‘Three Dances for Violin and Orchestra’ uit begin 1915. Een Howells, nog niet geraakt door de tragedie van de oorlog: serene vioolmuziek met een glorieus brede melodie die me in het hart raakt. Ik overdenk de plek waar ik ben, de bijzondere sfeer die ik hier mag delen als ik begin met de Suite ‘The B’s’. Bij Howells’ portret van zijn grote vriend Ivor Gurney ‘Bartholomew’ breek ik… Gurney’s creatieve leven was slechts kort. Hij overleefde ternauwernood een gasaanval en verbleef de laatste 15 jaar van zijn leven in een tehuis voor geesteszieken. Toen Howells dit liefdevolle portret voor zijn vriend schreef was dit alles nog verborgen in de toekomst… Maar met de kennis van nu… Ik onderdruk mijn opkomende tranen, zet de cd terug op het juiste nummer en ontvlucht Londen. In Braintree, waar ik laat in de middag aankom, zijn de schilders op het station nog steeds aan het werk. Een nieuwe laag verf over een oude historie…

Cees Sleven © 2014

De tranen van Dresden

De tranen van Dresden

“Wer das Weinen verlernt hat, der lernt es beim Untergang Dresdens wieder” – Gerhart Hauptmann

In het Dresdener Stadtmuseum op zoek naar de wonderbaarlijke herrijzenis van het Florence aan de Elbe na het verwoestende bombardement in de februaridagen van 1945 en hoe de geschiedenis met deze wedergeboorte omgaat.

GERMANY-HISTORY-2WW-DRESDEN
Verwoesting van Dresden, gezien vanaf de Kreuzkirche

Hoewel het fraaie nazomerweer uitnodigt om heerlijk ontspannen langs de Elbe-oever te  flaneren, staat mijn opdracht van vanmiddag hiermee in schril contrast: een bezoek aan het Stadtmuseum Dresden, waar ik meer te weten wil komen over die afschuwelijke februaridagen in 1945, toen na de verwoestingen van het bombardement van Dresden van de pracht en praal van deze barokstad slechts één grote ruïne over bleef. Hoe men de schuldvraag heeft verwerkt en het herstel heeft opgevat van deze stad aan de Elbe die als een feniks uit de as zou herrijzen.

Het museum is een openbaring voor mij, een reis door de tijd vanaf de eerste handelaars aan de oevers van de Elbe tot het einde van de DDR en de eenwording van Duitsland. Met Duitse precisie in de vitrines neergelegd. En altijd met Dresden in de hoofdrol. Ik ben de enige bezoeker en waan mij in een tijdcapsule die mij afzet daar waar donkere wolken van de Tweede Wereldoorlog zich samenpakken boven de stad. De opkomst van het Derde Rijk laat ook Dresden niet onberoerd: pogroms, Joden- vervolging en deportaties, niets blijft de bevolking van Dresden bespaard. Alle verzet wordt in de kiem gesmoord en genadeloos afgestraft. Intelligentsia wordt verbannen, onwelgevallige kunst in de ban gedaan. Ik turf een lijst met deze “entartete Kunst”, de nazi term voor deze onwelgevallige kunstuitingen, en mijn ogen glijden langs werken van Otto Dix, waaronder zijn universele aanklacht tegen de oorlog “de Kreupelen”, een stoet slachtoffers zonder armen, zonder benen. Maar als de oorlog ten einde loopt moet het ergste voor Dresden nog komen…

Kreupelen
Otto Dix – “De Kreupelen”

Ik zoek naar beelden van dat verschrikkelijke bombardement van februari 1945 toen Engelse en Amerikaanse bommenwerpers het hart uit deze prachtige stad wegsloegen in een storm van vuur die tussen de 35.000 en 250.000 slachtoffers maakte en 15 km2 van de binnenstad met de grond gelijkmaakte. Het beroemde Florence aan de Elbe bestond niet meer. Ik zie zwart-wit foto’s van haastig gedolven massagraven die ontoereikend waren om alle doden te begraven; om epidemieën te voorkomen werden de lijken op de Altmarkt verbrand op stalen roosters, gemaakt van tramrails… Ik onderga de beelden van de stervende stad met toenemende gelatenheid. Waar vind ik een motief voor deze slachting? Was het een vergelding voor het Duitse bombardement op Coventry? Het tonen van de slagkracht van de R.A.F.? Solidariteit met de oprukkende Sovjettroepen? Feit blijft dat geen fabriek, kazerne of vliegveld geraakt werd…

De gebeurtenissen van die februaridagen hebben een bescheiden, maar indrukwekkende plek gekregen in het museum: een lange, smalle gang leidt naar een projectiescherm aan het eind. Klein van afmeting, maar de beelden van de verwoestingen zijn overweldigend. Coventry, Hiroshima, Dresden… de totale zinloosheid van de oorlog, zonder de nadruk te leggen op wat “ons” is aangedaan. De beelden hebben een enorme impact op mij tot reiken tot ver buiten het scherm. Dan krijg ik plotseling gezelschap van een aantal rolstoelers die door de donkere gang als een treintje komen aanrijden. Onwillekeurig dringt zich een vergelijking op met “de kreupelen” van Otto Dix. Ik probeer mijn schaamte hierover te verbergen onder een koptelefoon terwijl ik kies voor het muziekstuk “Wie liegt die Stadt so wüst” van kantor Rudolf Mauersberger (1889 – 1971), gecomponeerd voor het Dresdner Kreuzchor, onder de indrukken van de verwoesting van Dresden. Ik krijg een dikke keel en voel tranen achter mijn ogen. De spastische vrouw in de voorste rolstoel ziet mijn onbeholpenheid en tovert een glimlach om haar mond, om vervolgens naar de donkerte terug te keren. Ik blijf alleen achter. Alleen met de altijd aanwezige suppoost die streng meldt dat ik mijn lege waterflesje niet op de vitrine mag zetten. Met mijn mouw veeg ik mijn tranen van het tafelblad…

Eenmaal weer buiten het museum voelt het als een bevrijding: een bezoek aan dit Dresdener Stadtmuseum als excuus om te kunnen en mogen genieten van deze prachtig herbouwde stad. Het warme namiddaglicht nodigt uit voor een wandeling. Over de promenade langs de Elbe. Met zicht op het nieuwe Florence…

Het Stadtmuseum Dresden
Adres: Wilsdruffer Straße 2 in Dresden
Openingstijden: Di – Zo 10 – 18 uur
Vr 10 – 19 uur
Ma gesloten
Toegang: € 5,00 / met korting € 4,00 / kinderen onder 7 jaar gratis
Cees Sleven © oktober 2014.

“He held this trench, he holds it still” – Mijn zoektocht naar soldaat William Tart (1892 – 1916)

English version on my website at: http://cees.geldersnetwerk.nl

Dit is het verhaal van een zoektocht. Mijn zoektocht. Mijn stappen, terug langs de tijdlijn van de geschiedenis, op zoek naar het antwoord op de vraag: wie was William Tart? Een Engelse soldaat die op 23 april 1916 sneuvelde in de Vlaamse modder, op een godvergeten plek waar je onder normale omstandigheden helemaal niets te zoeken hebt. Ik eigenlijk ook niet wanneer ik in het najaar van 2010 de Ieper Salient bezoek, het voormalige front uit de Eerste Wereldoorlog, waar Britten en Duitsers vier jaar lang om slechts een paar kilometer stinkende modder vochten en waar honderdduizenden het leven lieten. De Ieperboog als symbool voor de zinloosheid, de wanhoop en het lijden van de oorlog, en het onvermogen van de generaals daar een einde aan te maken. Maar iets in mij dwingt mij om daar het spoor te volgen van een hele generatie veelbelovende kunstenaars die deze strijd aan het front meemaakte. In hun kunst schiepen zij een indringend beeld van deze oorlog en protesteerden tegen de onmenselijkheid van het slagveld. Velen van hen overleefden deze waanzin niet of werden minstens voor het leven getekend. Wat bleef was de eeuwigheidswaarde van hun brieven, gedichten en muziek. Vaak prachtig en ingetogen en vol weemoed van verlangen naar huis. Maar altijd van bloed doordrenkt en met modder besmeurd.

Mijn zoektocht neemt een onverwachte wending wanneer ik ten oosten van het kanaal IJzer – Ieper, ergens tussen No Man’s Cot Cemetery en Pilkem Ridge, een herdenkingskrans vind in de modder. Zo’n krans omwonden met kunststof of papieren klaproosjes, die je overal in deze streek bij musea bloemenstalletjes kunt kopen. Ik sta te midden van nat, weerbarstig bouwland waar bieten liggen opgestapeld onder een dichtgetrokken hemel. Verstikkend grijs, en het staat op regenen. Gedreven door een gevoel van eerbied trek ik de krans uit de zuigende massa en leg hem op een kilometerpaaltje langs de kant van de weg. De doorweekte papieren klaproosjes hebben hun frisse, nieuw leven brengende rode kleur allang verloren. Mijn aandacht wordt onmiddellijk getrokken door het besmeurde plastic hoesje middenin de krans. Na dit een beetje schoongeveegd te hebben komen de volgende tekstflarden te voorschijn: “William Tart – Kings Shropshire Regiment – Man’s name is on the Menen Gate” en een boodschap van meer persoonlijke aard: “William Tart held this trench, he holds it still”. Ik voel de noodzaak de scene op foto vast te leggen en de gegevens te noteren. En gelijk komen de vragen: een soldaat zonder graf? Waarom hier, waar de tijd het verleden heeft toegedekt? Wie heeft deze krans hier neergelegd? En terwijl ik de antwoorden schuldig moet blijven is het gaan regenen uit een zware lucht, zwaar als de klei op de velden en de modder op de wegen. In die uitgestrekte triestheid van het Vlaamse land besluit ik op zoek te gaan naar William Tart, mijn onbekende soldaat. Een nieuwe zoektocht is geboren.

Direct na thuiskomst probeer ik contact te maken met het Kings Shropshire Light Infantry Regiment waar William Tart volgens mijn aantekeningen deel van uitmaakte. Op hun website scroll ik geduldig langs de vele historische bataljonsfoto’s met daarop krachtige en zelfbewuste soldaten, die vrijwillig uit hun zorgeloze wereld stapten en nog onkundig waren van de oorlogsgruwelen die hen te wachten stonden. Namen bij de foto’s ontbreken. Gelijkvormigheid troef, in een uniform is iedereen gelijk. Een van hen moet William Tart zijn. Allen zijn potentieel kanonnenvoer.
Ik schrijf het regiment een email met daarin de gegevens van kaartje en stuur de foto mee. Voor eventuele bekenden of nabestaanden. Mijn vraag aan hen is duidelijk: wie was soldaat William Tart? Ik mocht helaas hierop geen enkele reactie ontvangen.
Er volgt een tijd van intensief speuren op het internet. De Grote Oorlog mag zich nog steeds verheugen in een grote belangstelling die nog groeiende is nu het bijna honderd jaar geleden is dat deze catastrofe een aanvang nam. Gedichten, dagboeken, reisverhalen, non-fictie: de verhalen houden de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog levend, ook al is het onvermijdelijke onderwerp telkens weer de miljoenen doden die te betreuren waren. Ook in de vele forumdiscussies wordt het onderwerp tot in detail besproken en het is hier dat ik een poging waag mijn vraag over William Tart te plaatsen. Het resultaat is verbluffend. Alles wijst in de richting van het mijnwerkersstadje Dawley in het Engelse Shropshire en het forum beantwoordt in één klap veel van mijn gestelde en ongestelde vragen. In Dawley, aan de 52 Fingers Row, woont William als oudste zoon in het gezin van William en Martha Tart. Een groot gezin met 8 kinderen. En net zoals bij zoveel families uit Dawley werken alle volwassen mannen in de kolenmijnen of de ijzergieterijen. Vader en de broers William, Leonard en Thomas vormen hierop geen uitzondering. Tot de dienst hen roept en de broers zich op verschillende momenten laten inschrijven voor het leger. Leonard en Thomas melden zich bij het Kings Shropshire Light Infantry Regiment en gaan dienen bij de territoriale troepen, William treedt in 1912 in dienst bij de reguliere troepen van het 1e bataljon van hetzelfde regiment en dient in eerste instantie in India. Bij het uitbreken van de vijandelijkheden in Europa in 1914 wordt William in Frankrijk gedetacheerd waar hij gewond raakt en naar huis gestuurd wordt om te herstellen. Weer beter keert hij terug naar Frankrijk, alleen maar om opnieuw gewond te raken. En opnieuw keert hij terug naar Engeland om te herstellen. Nog een derde keer gaat hij naar Frankrijk, maar nu loopt zijn geluk ten einde: op 23 april 1916 sneuvelt hij in het gevecht, waarbij zijn lichaam nooit is gevonden. Slechts zijn naam staat vermeld op paneel 47 -49 in de Menenpoort te Ieper, te midden van een eindeloze lijst van andere vermisten.

Met zo veel gegevens en het antwoord op de vraag: wie was soldaat William Tart, lijkt mijn zoektocht ten einde. Maar nog niet alle vragen zijn beantwoord en er duiken steeds nieuwe op: hoe zou het plaatsje Dawley er uitzien? Zouden er nog Tarts wonen. En wie eerde William met een herdenkingskrans in Vlaamse aarde? Virtueel reis ik dus naar Dawley, het oude mijnstadje in Shropeshire. Uit de beschrijvingen vorm ik mij een beeld van grauwe industrie te midden van een door vele kolen- en ijzerertsmijnen gehavend landschap. En overal grijze klei. Als bergen achteloos neergelegd of als gapende gaten achtergelaten in het landschap. En daar vind ik een Tart, een William nog wel, met bijbehorend email-adres. Maar het blijkt een dood spoor. Mijn bericht aan hem blijft onbeantwoord, de foto ongezien.

Dawley heeft ook een oudheidkundige vereniging. Ik stuur mijn verhaal aan ene Shirley die direct enthousiast reageert en mij belooft mijn email door te sturen naar David Shaw, deskundige op het gebied van de historie van Dawley en schrijver van het boek “Dawley’s lost generation”. En David stelt mij niet teleur: ik krijg een uitvoerig antwoord en een nieuw spoor aangereikt naar de nabestaanden van William Tart. De broers Thomas en Leonard overleven de oorlog, waarbij Leonard werd onderscheiden met de MM, de Military Medal for Bravery. De zoon van Leonard is nog in leven, maar is oud van dagen. Email-contact met hem is helaas niet meer mogelijk. Wel met kleinzoon Mick die slechts drie huizen van David vandaan blijkt te wonen en aan wie hij mijn correspondentie zal overhandigen. Geroerd ben ik na het openen van de meegestuurde attachments: een vergeelde krantenfoto met daarop de afbeelding van de drie broers. Met open blik staan zij daar, nog niet geraakt door de tragedie van de oorlog. Ook krijg ik een uittreksel van de krijgsgeschiedenis van het 1e Bataljon Kings Shropshire Light Infantry Regiment, de eenheid waartoe William behoorde, over de periode 19 – 23 april 1916, toen het slagveld van Pilkem Ridge ten noordwesten van Ieper opnieuw vlam vatte. Hier werden loopgraven prijsgegeven of juist weer heroverd in een nachtelijk gevecht om meters door granaten omgeploegde modder:

Uit: de oorlogsgeschiedenis van het 1e Bataljon Kings Shropshire Light Infantry Regiment over de periode 19 tot 23 april 1916.

Op 19 april 1916 vallen de Duitsers aan en na een hevig bombardement slagen zij erin een gedeelte van de loopgraven bij Morteldje Estaminet te veroveren. Daarom trekken de B- en C- compagnie, waarvan twee pelotons worden achtergehouden, op om zich te voegen bij de A- en B- compagnie ten oosten van het kanaal. Op de 21e april wordt het bataljon opgesplitst om de verloren loopgraven te heroveren. De aanval die gepand staat voor 20.00 uur in de avond wordt ingezet door de B-compagnie op rechts, de A-compagnie in het centrum en de halve C-compagnie op de linkerflank. De D-compagnie en de rest van C-compagnie worden in reserve gehouden. De zware grond en het donker van de avond zijn er de oorzaak van dat de drie aanvallen niet gelijktijdig kunnen worden ingezet. Toch bereiken de B-compagnie, vertrokken om ongeveer 22.45 uur en aangevuld met twee pelotons, na een bestorming de vijandelijke loopgraaf, die verlaten blijkt te zijn. De aanvallende partij komt onder hevig geweer- en mitrailleurvuur te liggen dat losbarst van de linker zijde. Er wordt op rechts contact gemaakt met het 2e bataljon York en Lancaster bij Algerian Cottage. Een artillerie-eenheid wordt erop uitgestuurd om de communicatie op links veilig te stellen. Deze eenheid maakt zonder problemen de weg vrij tot aan het eind van Willow Walk, maar is niet in staat contact te maken met de A-compagnie, die in feite tot op heden niet in staat blijkt vorderingen te maken. Na tot 02.00 uur ‘s nachts gewacht te hebben op de samenvoeging met de aanvallende partij op links, maakt de A-compagnie, die kniediep in de modder zitten, toch vorderingen en bereikt ondanks sterke tegenstand zijn doel, namelijk contact maken met de B-compagnie in Willow Walk.

Intussen heeft de C-compagnie, die de linker flank van de aanval vormt en het contact verloren heeft in regen en duisternis, weer aansluiting gevonden en slaagt erin op samen op te trekken in het centrum. Na grote moeilijkheden ten gevolge van de modderige grond bereiken zij de vijandelijke loopgraven en stellen deze veilig zonder noemenswaardige tegenstand. Een enigszins halfslachtige tegenaanval van de Duitsers tegen het ochtendgloren wordt makkelijk afgeslagen, waardoor het bataljon in bezit blijft van alle verloren loopgraven. Gedurende de opmars in het centrum worden gewonde mannen gevonden die verstikt zitten in de modder en op sommige plaatsen op de linker flank is de modder zo diep dat de mannen slechts vooruit kunnen komen door bijna platliggend door de modder te kruipen, waarbij zij telkens hun geweer voor zich uit gooien. De situatie wordt verder bemoeilijkt door een nieuwe, onbekende loopgraaf, pas gegraven door de Duitsers en die precies in het verlengde ligt van de aanval door het centrum. Tussen 6 en 7 uur in de morgen barst er een hevig bombardement los als vergelding voor de succesvolle aanval met vele doden en gewonden als gevolg, waaronder de commandant van het bataljon. In de nacht van 22 op 23 april wordt het bataljon ontzet en keert terug naar Camp “E” in Wood “A30”.

Het verhaal van deze relatief kleine operatie laat zich niet gemakkelijk vertellen. Het laat zich niet schatten op winst of verlies, maar op het feit dat moed, plichtsbesef en discipline mannen kunnen aanzetten om het onmogelijke te presteren in modder, duisternis en stromende regen. En na afloop zijn er slechts de kille cijfers: 3 gesneuvelde en 5 gewonde officieren. In de statistieken hebben zij de eer met naam en toenaam genoemd te worden. Bij de lagere rangen: 22 gedood, 135 gewond, 6 vermist. Tot de laatsten behoort William, lance corporal nummer 9837. Hij keert niet terug van Morteldje Estaminet, de voormalige herberg aan de Moortelweg. Ergens langs deze weg heeft hij zijn laatste rustplaats gevonden in de zware Vlaamse klei. “William Tart held this trench, he hold it still”. De plek wordt gemarkeerd door een kleine herdenkingskrans, waarvan het bleke rood van de klaproosjes als enige kleur afsteekt tegen het vale grijs van de omgeving.

Op 3 december 2010 ontvang ik een email van Leonard Tart’s kleinzoon Mick. Het is een kort berichtje, dat vergezeld gaat van uitgebreide informatie over William, afkomstig van diverse registers uit de gemeente Dawley en het leger. Ik speur naar het jaar waarin Williams korte leven een aanvang nam. Ik vind 1892. William was dus pas net 25 jaar toen hij sneuvelde in wat officieel het ´Theatre of War, the Western European Theatre´ werd genoemd. Ik zink weg in gedachten: de oorlog als theaterstuk waarin samen met de miljoenen doden ook het idealisme en humaniteit op het slagveld sneuvelen. Ik zie een afschrikwekkend decor voor mij waarin regels en conventies van de oorlogsvoering met voeten getreden worden en mede slachtoffer zijn. Een macaber schouwspel waarbij de illusie de gruwelijke werkelijkheid kan inhalen, omdat deze werkelijkheid te ondraaglijk is om over zichzelf te vertellen. Het niet te troosten verdriet van een moeder die geen afscheid kon nemen van haar zoon wanneer haar het gevreesde Army formulier B.104-82 werd overhandigd: “It’s my painful duty to inform you…..”. En niet de mogelijkheid hebben gehad hem zelf ten grave te kunnen dragen. Ze weet hem slechts toevertrouwd aan bebloede aarde ergens ver van huis.

En ook Mick komt met vragen. Waarom werd de herdenkingskrans juist daar gevonden en niet in Ieper?  Niemand van zijn familie heeft hem neergelegd waar ik hem heb gevonden. En wat voor tekst er precies op het kaartje staat? En of William iemand in Frankrijk kende? In mijn antwoord beschrijf ik nogmaals precies wat ik heb aangetroffen en we komen tot de conclusie dat we het over een en dezelfde krans hebben. Waarna Mick mij de vraag stelt wat nu de volgende stap in mijn zoektocht zal zijn. Ik vraag mij af of er wel een volgende stap gezet moet worden. Misschien moet de illusie wel blijven nu William voor mij een gezicht heeft gekregen en een tastbaar wezen is geworden. De vraag wie William in het Vlaamse veld geëerd heeft met een krans lijkt opeens onbelangrijk. Ook wanneer Mick mij later nog meldt dat een vriend van zijn zoon de krans daar heeft neergelegd.

Ik wil het verleden laten rusten. De Vlaamse aarde aan William laten. Ik stap weg uit de tijd, ook al zal die eeuwig voortduren. Want de absolute tijd schrijdt onverbiddelijk voort, waarin het heden wordt opgeslokt door de geschiedenis. Berustte mijn aanwezigheid daar op toeval? Of was het een bewust moment in de tijd, waarop onze beider wegen elkaar wel moesten kruisen? Die van hem bleek doodlopend en het punt te markeren waarop het verleden de toekomst verslond en alles wat sindsdien voortgaat uitvergroot. Het verleden kan niet rusten, neemt steeds groteskere vormen aan.
Langzaam zoom ik uit naar het heden. De rand van het veld bij Morteldje Estaminet zal weer rood kleuren door de altijd weer bloeiende klaproos en de aarde zal weer rijke vrucht dragen. De stilte zal er immens zijn, de rauwe kreet van een roofvogel zal dan slechts een accent, geen verstoring van die stilte zijn. De tranen van de laatste veteraan zijn inmiddels allang gedroogd en de seizoenen zullen de Ieperboog keer na keer weer toedekken met een tapijt van vochtig herfstblad of maagdelijke wintersneeuw. Als een kind dat liefdevol wordt ingestopt en goednacht gekust. Dat het de verschrikkingen maar voor altijd mag vergeten. In de oneindige cyclus van het leven die geldt voor iedereen. Voor vriend èn vijand.

Oh! You who sleep in Flanders Field,
Sleep sweet – to rise anew!
We caught the torch you threw
And holding high, we keep the Faith
With All who died.

“We Shall Keep the Faith” by Moina Michael

VLUU L100, M100  / Samsung L100, M100

Er is een Engelse versie beschikbaar op mijn website: http://cees.geldersnetwerk.nl

Cees Sleven © 2014