Voor Marjolijn

Ik schrijf: 4 november 1997, nu bijna 20 jaar geleden. De late herfst spiegelt zich in de natte kasseien van Ieper ’s Grote Markt. Mijn oudste dochter en ik zijn hier neergestreken in hotel ’t Zweerd op doorreis de volgende dag naar het Engelse Leeds Castle. Daar zal ter gelegenheid van Guy Fawkes Day een spectaculair vuurwerk worden afgestoken en via een arrangementje in de Flair zijn vader en dochter er een paar daagjes tussenuit. En dat is hoog nodig ook, want een gezin met een anorexia-dochter staat voortdurend op springen. Voor een paar dagen misschien even iets anders aan ons hoofd dan de eeuwigdurende, dwangmatige jacht naar de minste calorieën. De invulling van ons avondeten eindigt in de supermarkt, nog net voor sluitingstijd, waar elk etiket zorgvuldig wordt bestudeerd op het aantal calorieën en andere vetmakers. De oogst is mager, slechts wat droge biscuits vormen ons avondmaal. Ik zie dat zij lijdt en ik lijd met haar mee. We delen een kamer en kruipen vroeg onder de wol. Ik zie haar knokkelige lichaam, haar smalle beentjes, haar meisjesachtige gestalte. Maar wat mij vooral treft is die gekwelde, in het niets starende blik. Bij het schaarse oogcontact zie ik wanhoop in haar ogen, maar ook de vastberadenheid om mij het plezier van dit uitje te gunnen. Het is dezelfde vastberadenheid waarmee zij besloten heeft af te vallen, om te tonen dat zij daar tenminste goed in is. Maar ze toont het ons vanuit een andere, irreële wereld die op gespannen voet staat met de onze. De wankele brug die deze twee werelden nog verbindt is die van onbegrip en wantrouwen, maar die ook gebouwd is op pijlers van onvoorwaardelijke liefde tussen ouders en kind. “Of ik wel genoeg gegeten heb?” vraagt ze bezorgd. Ik zou geen hap meer door mijn keel kunnen krijgen…

5 november: Om een goed plekje te bemachtigen aan de vijver die Leeds Castle omringt, maken wij –veel te vroeg- de lange wandeling door het drassige gazon tot aan het water. Voor ons spugen vuurkorven hun vonken in de heldere avondlucht. Daarachter het kasteel in silhouet waaruit alle kleur langzaam verdwijnt. We genieten van de muziek die het wachten moet veraangenamen: Sting, U2… Ik bewonder haar om haar uithoudingsvermogen, voor de tocht hiernaar toe en voor het lange wachten. Haar ingeteerde lichaam geeft geen krimp, want de geest is sterk. Zij zal dit tot een goed einde brengen. Dan barst het spektakel los: geknal en vurige fonteinen, uiteenspattende bloemen in allerlei kleuren, met het kasteel als een bleke schedel op de achtergrond. Periodiek licht haar gezicht op en ontwaar ik een blik van verwondering bij haar. Zij lijkt even bevrijd van het monster in zich. Meer geknal, harder en in een steeds grotere frequentie. “Ga door!” denk ik. “Drijf uit die demonen, jaag ze weg tot ver achter de horizon”. En dan ineens is er die oorverdovende stilte. De laatste rook trekt zich als kwaadaardige nevelslierten terug in de nacht. Ook zij voelt dat zij hier iets achterlaat, terwijl zij mijn hand vastgrijpt en niet meer loslaat tot we aan de auto zijn.

De volgende dagen zijn lichter, hoopvoller en in wederzijds vertrouwen dat het uiteindelijk goed zal komen…

AFSCHEID

Wanneer appels goudgerijpt aan vermoeide bomen hangen,
en het late licht lange schaduwen trekt,
roept de herfst van je jeugd
ter afscheid van vervlogen zomergeuren,
einde van beschermde kindertijd.

Ontluikend in het najaar ben jij de bloem,
die afgooit haar veilige knop.
Onkwetsbaar voor de komende winterkou,
trotser dan narcissen in het prille lentelicht,
…en uiteindelijk sterker dan alle seizoenen.

Cees Sleven © maart 2017

Advertisements

Ode aan de wind

img_1132

O noordenwind, die grijze regenluchten brengt
en koud, de luidruchtige ganzen zuidwaarts drijft,
het staartje zomer achterna,
herinner mij aan warme zonnedagen en zwoele avondbries.

Wanneer regen overgaat in sneeuw
en de vijver langzaam in ijs haar rust zal vinden,
wanneer de laatste ganzen vertrekken voor hun lange reis,
voorspel mij dan een nieuwe lente, een nieuw begin.

O zuidenwind, breng snel de moegevlogen ganzen terug,
laat sneeuw en ijs smelten voor nieuw leven.
Laat het weer voorjaar zijn met bloemen en dik gezwollen knoppen
en fluister mij zacht van hoop en dromen…

 
Cees Sleven © januari 2017

Geld alleen maakt niet gelukkig

“Werken, werken, werken… heel hard werken. En geld verdienen, heel veel geld verdienen. Om de vrouw thuis gelukkig te maken… met geld. Om de kinderen thuis gelukkig te maken… met geld. Om de hond gelukkig te maken… met geld. Om de keuken gelukkig te maken… met geld. Weet je, hoe harder je werkt, hoe meer geld je verdient! Leuk is dat hè?”
Aan het woord is meneer Delg (leuke woordomzetting van “Geld”), een van de merkwaardigste karakters uit het jeugdstuk “Mezelven” van theatermaker Jimmy Deegens. Een rol die mij is toebedeeld in de wetenschap dat Jimmy zijn karakters graag dicht bij zijn spelers wil houden. Wat onmiddellijk bij mij de vraag oproept of ik iets van die meneer Delg zou kunnen hebben. Vooropgesteld: ik heb in ieder geval niet zijn geld! Toen niet, nu niet, nooit niet. En kon ik daarmee dan niet vrouw en kinderen thuis gelukkig maken? En als de geluksmaker dan iets anders zou zijn dan geld alleen? In gedachten ga ik terug langs de tijdlijn van mijn loopbaan, naar dat eerste begin toen wij als jong getrouwd stel een spiksplinternieuwe 4-kamerflat in het midden van het land betrokken. De huur was de helft van mijn salaris, maar ach wat gaf dat, je had alleen oog voor elkaar en dat eigen plekje vormde het middelpunt van de aarde. Een enkele keer was het geld echt op en dan werd er slecht gegeten. Gehaktballen uit blik. Ik zie ze nog staan op dat glimmende metalen aanrechtblad van onze nieuwe projectkeuken.
Ik werkte, mijn vrouw toverde het huis om tot een thuis. Een thuis van groen en oranje, van keramiek en jutebehang, met een Dief van Bachia in de hoek voor het raam. Een heerlijke plek om thuis te komen. Ik werkte best wel hard eigenlijk, ook al ging dat ten koste van vele uren vroeg en laat, uren die niet aan vrouw en kinderen besteed konden worden. Een “Delgje” in de notendop? Ik werkte omdat ik het leuk vond; wat minder voor de centen en daardoor moest het thuisfront mijn aandacht nogal eens ontberen.
Meneer Delg kent geen schuldgevoel en heeft het beste met iedereen voor. Denkt dat alles in de wereld met geld te koop is. En vooral dat geld gelukkig maakt. Ik doe er een schepje bovenop bij meneer Delg. Door een beetje overacting neem ik afstand van de man. Breng eigen ervaring in en speel zodoende mijn eigen schuldgevoel weg. Acteren werkt louterend, heerlijk kunnen doen alsof. Alsof geld WEL gelukkig maakt…
In het stuk nu even rust voor meneer Delg. Gelegenheid om te mijmeren over wanneer het geldschip binnenkomt of over een tuin die vol geldboompjes staat. Hoe anders zou de wereld er dan uit zien! Bewonderende blikken, respectvolle bejegening, iedereen wil vrienden zijn. Maar achter de geveinsde behulpzaamheid zie ik afgunst, voel ik afstand die er vroeger niet was. Belagers, graaiers, bedweters omringen je, willen allemaal wat van je. En je hebt niet door dat het ze om je geld gaat, omdat je denkt dat het alleen om jou draait. Meneer Delg als stralend middelpunt. Meneer Delg kan zijn geluk niet op…
Meneer Delg zijn rol is uitgespeeld, landt weer met beide benen op aarde. Zijn geld is verdwenen als sneeuw voor de zon. Een zon die schijnt op een glimmend metalen aanrechtblad en een blik met gehaktballen prachtig in het licht zet.
“Wat zullen we eten vanavond?” hoor ik uit de keuken roepen. Voor ik de mond kan openen wordt het antwoord al voor mij ingevuld: “witte bonen, puree en een gehaktballetje. We doen maar makkelijk vanavond. Het werk liep weer eens uit”
Tijd is ook geld, denkt het Delgje in mij. En als geld niet gelukkig maakt, dan maakt tijd dat zeker ook niet. En bij die gedachte val ik helemaal stil…

Cees Sleven ©  september 2016

Harry meets Andrea

Harry meets Andrea

De inrichting van het grand café aan de boulevard was enigszins gedateerd. Van vóór de crisis en waar het nieuwe elan van de vooruitgang nog niet was door gedrongen. Andrea liet op zich wachten, want hier hadden zij afgesproken, om 17.00 uur, het tijdstip dat nu –op de kop af- een kwartier was verstreken.
Buiten een ouder stel dat zwijgend tegenover elkaar zat, was hij de enige gast. Hij had bewust een tafeltje achterin bij het raam gekozen. Voor het beste overzicht. De muren waren tot halfhoog beplakt met een soort Flintstone-achtige brokken steen, de vensterbanken waren voorzien van flinterdunne vitrages in de kleuren geel en zachtgroen, gedrapeerd met plastic tulpen die ongetwijfeld het naderend voorjaar moesten voorstellen.
Wat had hem bewogen hier met haar af te spreken? Was het misschien het uitzicht over zee dat haar aan Zeeland moest doen denken, want dat had zij hem verteld tijdens hun eerste ontmoeting ruim een week geleden. Dat ze uit Zeeland kwam, dat haar vader boer was en dat ze van het buitenleven hield. Ook had ze gestudeerd, tropische landbouw en dat het haar grootste droom was deze kennis ooit in Afrika in de praktijk te kunnen brengen.
Ondanks zijn groene vingers zou hij dat nooit kunnen bereiken, want daarvoor moest je gestudeerd hebben en studeren was nooit zijn sterkste kant gebleken, bovendien zou een leven in Afrika zijn geordende leven teveel overhoop gooien.
17.30 uur. Andrea is er nog steeds niet. Veel te vroeg sprongen de elektrische kaarsjes aan door middel van een tijdschakelaar. De felgele servetjes met knaloranje tulpen erop wedijverden met de roodbruine tegels op de vloer om wie het lelijkst was. Zelfs een immense afbeelding van een bloemenlandschap op de grof gepleisterde wand kon de zaak niet opfleuren of de vergane glorie verhullen.
Gelaten keek hij door het beregende raam naar buiten. Dikke druppels zochten hun willekeurig spoor langs de ruit naar beneden en vervormden de buitenwereld. De horizon een ritssluiting, de lantaarnpaal aan de overzijde een wankel geheel.
Ook zijn situatie was verre van stabiel: zomaar uit zijn gestructureerde bestaan gestapt voor een serieuze date met een veel jongere vrouw die allerlei verwarrende gevoelens bij hem had losgemaakt. Moest hij hieraan toegeven en uiteindelijk toch in een relatie stappen? Het idee alleen al om zijn eigen veilige wereldje te moeten delen beangstigde hem, maar maakte hem toch ook wel nieuwsgierig.
Zijn blik keerde terug naar binnen. De klok boven de ingang ging onverbiddelijk richting 17.45 uur. Nog altijd geen Andrea, terwijl hem zijn 3e kop cappuccino werd voorgezet. Zwoele, melancholische saxofoonklanken vulden de ruimte en onwillekeurig dwaalden zijn gedachten naar een week terug…
Hij danste weer met Andrea op het slotfeestje van de tuinderscursus. De zachtheid van haar lichaam en de honger in zijn ziel, geheimen die borrelend naar de oppervlakte kwamen. Haar schoonheid was onaards, hij danste met een engel. Ze spraken geen woord, slechts beweging was hun taal. Daar in dat kleine houten lokaal kruisten twee levenswegen elkaar, zij amper op weg, hij vermoeid op de terugweg. Hun richting was tegengesteld, maar wat bleef was een te haastig gemaakte vervolgafspraak voor vandaag en saxofoonklanken die vast verankerd zaten in zijn hoofd.
Het was ruim na zessen en terwijl zijn telefoon nog altijd zweeg besloot hij op te stappen, terug te gaan naar zijn eigen, vertrouwde wereld. De wereld van de stad, van zijn plekje aan de straat. Dag Andrea, dag Zeeuws meisje van de oneindige horizon… Jammer, maar leuk geprobeerd…
Hij stapte de schaars verlichte boulevard op. Het was gestopt met regenen en de lucht was opengetrokken. Een immense sterrenhemel werd zichtbaar. Plotseling overviel hem een sterk gevoel van eenzaamheid. Eenzaamheid die de romantiek van sterren doet verdwijnen en bars en nachtclubs doet vollopen. Zijn avond duurde opeens tweemaal zo lang, hij vluchtte naar bed en verborg het litteken van zijn eigen eenzaamheid.
Twee maanden later ontving hij een ansichtkaart van Andrea. Het centraal station in vogelvlucht. “Groeten uit IJburg – Hoe is het met jou?” Liefs, Andrea en Justine.

Epiloog

Hij: “Mag ik vragen hoe het met je gaat? Zo’n tijd niet gezien”
– stilte –
Zij: “Sorry nog van toen, maar het was echt een drempel voor me om het je te vertellen”
– stilte –
Hij: “Je kaartje uit IJburg was anders duidelijk genoeg”
– stilte –
Hij: “En Justine?”
Zij: “Het hield geen stand”
– stilte –
Hij: “En nu dan?”
Zij: “Terug naar Zeeland, mijn vader ligt slecht”
– stilte –
Hij: “Niet best, Nog altijd plannen om naar Centraal Afrika te gaan?”
Zij: “Ik zou wel willen, maar alleen? Ik weet het niet”
– stilte –
– stilte –
Hij: “Zal ik?”
– stilte –
Hij: “Mag ik?”

Op het perron te Bergen op Zoom staan twee mensen. Verloren. Besluiteloos. Voor de zoveelste keer…

Eenvoud, Waarheid en het Eeuwig Schone…

 

winter-scene

Zojuist ben ik weer teruggekeerd in de warme behagelijkheid van mijn atelier, waar het haardvuur de barre winter buitensluit. Ik kom van de vaart, waar ik bij de molens in de open lucht heb zitten schetsen. En motieven waren er te over! Een koek-en-zopie met de nationale driekleur in top, pratend volk rond een hooiwagen, ingevroren schuiten, paarden op het ijs, zwierende schaatsers, een boerenhuis en natuurlijk de molens. De bedrijvigheid langs de vaart, zo vlak buiten de stad gelegen, is mij een onderwerp zo na aan het hart gelegen. En niet alleen de bedrijvigheid, maar ook het plezier dat een ieder aan deze winter kan beleven. Ik misschien nog wel het meest en ik kan haast niet wachten al deze taferelen aan het doek toe te vertrouwen. De bevroren vaart onder een winterse wolkenlucht. Centraal komen natuurlijk de paarden te staan, lijdzaam wachtend hun zware lasten te verplaatsen. Vandaar zal mijn oog via de molens naar het silhouet van de stad aan de horizon dwalen. Heerlijk om met fijn penseel doelgericht verfstreepjes te plaatsen om tot ver in de achtergrond details te suggereren. De houding van de figuurtjes, het diepzwart spiegelende ijs, het spel van licht en schaduw. Dit alles laat ik overspannen door een heldere, hoge hemel boven een horizon die sneeuw aankondigt.
De nieuwe schetsen die ik maakte zal ik toevertrouwen aan mijn boek Liber Veritatis, het boek der waarheid. Want ik wil trouw blijven aan het esthetische ideaal van ‘Eenvoud, Waarheid en het Eeuwig Schone’. Het schilderen van de natuur en het ‘eerlijke’ landleven moet mij ideaal zijn, mijn landschappen bedrieglijk natuurgetrouw geschilderd, zonder een exacte weergave van de natuur te zijn, maar een samenstelling uit de mooiste delen der werkelijkheid. Mijn schilderijen moeten aangenaam zijn om naar te kijken!
O ja, ik weet het, het kunst kritische tij is aan het keren: die nieuwe visie op de landschapsschilderkunst, waarin men werkt direct naar de natuur, maakt dat mijn geïdealiseerde, romantische landschappen uit de gratie raken. Men gaat tegenwoordig voor sfeer alleen in grove penseelstreken, de directe impressie wordt op het doek vastgelegd, het liefst en plein air
Hoewel ook mijn penseel wat losser is geworden zal ik trouw blijven aan mijn werkwijze van geraffineerde compositieschema´s en een grote voorraad aan motieven die ik varieer en toepas in steeds wisselende combinaties.
En voorlopig heb ik nog groot succes met mijn sneeuw- en ijsgezichten en werk ik nog aan vele opdrachten die ik direct uit mijn atelier verkoop. Jazeker, daaronder zijn zelfs verzamelaars van koninklijke bloede! De tijd om een tentoonstellingswerk te schilderen ontbreekt mij helaas, zo druk ben ik ermee. En dan heb ik natuurlijk ook nog de zorg voor mijn leerlingen, waaronder Jongkind toch wel de meest talentvolle is. Door mijn contacten in koninklijke kringen heb ik voor Johan een subsidie weten los te peuteren, zodat hij zich kan blijven wijden aan zijn schildersstudie. En er is meer! Ik ben in gesprek met de secretaris van de prins van Oranje om hem met Eugène Isabey mee naar Parijs te sturen, uiteraard financieel ondersteund door een vorstelijke subsidie!
Maar genoeg gemijmer, ik moet weer aan het werk. Links het boerenhuis, daarachter de beide molens die ik het late licht van links laat vangen. Centraal schilder ik de bevroren vaart met de paarden onder een hoge lucht en leid ik de blik van de toeschouwer naar oneindige verten. Voor de stoffering zullen mijn schetsboeken hierbij goed van pas komen en natuurlijk de blik uit mijn raam: op alweer een echt Hollandse winter…

Cees Sleven © november 2016

Culturele zwerftocht Eifel en Moezel, juni 2016

Moezel_panorama_2

Proloog
Een paar dagen cultureel zwerven bij onze oosterburen, in een gebied zo dichtbij, maar wel al zo buitenland! Met de eenvoudige schoonheid van de vakwerkhuizen die de steden en dorpen daar sieren. Naar het groene heuvelland met zijn romantische kastelen en kasteelruïnes en volgens strakke lijnen aangeplante wijngaarden. Met de vele dorpskerkjes met daarin te ontdekken kunstschatten. Met een deur die altijd openstaat, gastvrijheid voor de toevallige bezoeker.
Ik trek door het oude vulkaanland met zijn kratermeren en grillige rotsformaties naar de open panorama’s hoog boven het Moezeldal om af te dalen naar de Middeleeuwen van het Cusanusstift in Kues.
En ik zal jullie er verslag van doen, met het mooie weer en een koel glas witte wijn ter inspiratie! Jullie horen van mij!

Maandag 20 juni, de Eifel revisited…
De komende paar dagen leef ik uit mijn weekendtas, een overzichtelijk hoopje kleren en wat toiletspullen zonder overbodige opsmuk of ruis. Die tas en een meer zakelijk uitziend exemplaar met daarin mijn tablet vergezellen mij op mijn zwerftocht dwars door de Eifel naar de rivier de Moezel die ik graag wat nader wil leren kennen. Vanaf het moment dat ik vanochtend ben vertrokken lever ik een schijngevecht met een regenfront dat ik steeds probeer voor te blijven. Het front met langdurige regen trekt van west naar oost over ons land en trekt daarna Duitsland in. Ik rij van noordwest naar zuidoost, dus het zal een kwestie van tijd zijn wanneer ik zal worden ingehaald. Ik krijg de indruk dat de regen mijn uitdaging heeft aangenomen, want slechts hier en daar worden er wat speldenprikjes uitgedeeld en is het gebruik van de ruitenwissers maar af en toe nodig. Ook de zon en stukken blauw in de lucht mengen zich in de strijd en doen mij geloven dat ik het pleit gewonnen heb, maar bij aankomst op mijn eerste logeeradres gaat het gelijk mis: zon en blauwe lucht verlaten verveeld het speelveld en geven de regen alle kans. Grijze regenslierten trekken langs de beboste heuvels waarop ik uitkijk vanuit mijn openstaande kamerraam. Het dorpje Dohm-Lammersdorf is grijs, vaalgroen en nat. En heel stil. Het kletteren van de gestaag vallende regen harmonieert wonderwel met de ambient music uit mijn mobiel, en met een glaasje Gerolsteiner Sprudel erbij is de juiste sfeer geschapen om de belevenissen van vandaag nog eens door te nemen. Zo bezocht ik in Zuelpich-Hoven het voormalige Marienborn klooster om nogmaals de “Hovener Madonna” te ontmoeten, iets wat mij bij een vorige gelegenheid niet lukte omdat het beeldje toen op tournee was naar een tentoonstelling in Keulen. Dit klooster, dat tegenwoordig de psychiatrische inrichting Marienborn is, bezit een prachtige kapel en de altijd vriendelijke portier stond mij toe deze te bezoeken. Ik mocht hiervoor dwars door de gebouwen heen lopen, waarbij zowel patiënten als personeel mij vriendelijk toeknikte. En toch hing er veel leed in die gangen. De typisch schuifelende gang van de patiënten, hun uitdrukkingsloze gezicht. De holle geluiden van de granieten vloeren… In een vitrine maakte ik kennis met de heilige St. Dymphna, de patrones van de geesteszieken en bezetenen. Ze is van de 7e eeuw, het psychiatrisch lijden is dus van alle tijden…
In de kapel was ik helemaal alleen. Alleen met moeder en kind. Wat een aandoenlijk beeld is dit. Uit de 12e eeuw, met vaardige hand uit hout gesneden en liefdevol geschilderd. En hoewel het achter glas staat, is het tastbaar levend. Maria dat haar kind vertrouwd maakt met de wereld van nu, zo staat ze daar. En ik mocht er even getuige van zijn.
Later in de middag doe ik Blankenheim aan, aan de oorsprong van de Ahr. Waar de 4 bronnen van deze rivier zich verenigen ontmoet ik de brugheilige Nepomuk en ik kan het niet nalaten om even onder de brug te kijken naar wegschietende heksen en boze geesten.
Dan klim ik naar de burcht vanwaar ik een prachtig uitzicht heb over dit vakwerkplaatsje ingeklemd tussen beboste heuvels. Er zijn nauwelijks mensen op straat, de terrassen zijn leeg. De parochiekerk van de heilige Maria Hemelvaart is helemaal voor mij alleen. Zelfs de apostelen, de verkondigers van het Woord, doen er het zwijgen toe. Dan slaat de klok 3 uur. Wanneer de laatste echo is uitgestorven staat ook de tijd even stil. Als een fotomoment in een album. Maar intussen schrijdt de absolute tijd onverbiddelijk voort, verslindt de toekomst en vergroot alles uit wat vooraf ging. Ik lees de vele verzoeken om hulp aan de voeten van het Mariabeeld: “Heilige Moeder Maria, spreidt uw alles beschermende mantel over ons uit…” Ik wil niet achterblijven en voor ik de kerk verlaat steek ik een kaarsje aan. Zolang het nog brandt blijf ik nog even, hoewel ik allang weer onderweg moet. Verder met mijn zwerftocht…

Dinsdag 21 juni, Oud worden in Craach a/d Mosel
De nieuwe dag in het vergeten Eifel dorpje Dohm-Lamersdorf is voor iedereen onopgemerkt begonnen. Nevels hangen nog steeds aan de beboste heuvels, de grijze lucht vertoont geen enkele tekening. Wachten dus maar, het moet in de loop van de dag beter worden. Na het ontbijt (met een perfect gekookt eitje) verken ik nog even de twee straten van het dorp om de absolute stilte van deze plek op mij te laten inwerken. Na het hartelijke afscheid van mijn gastheer vertrek ik richting Gerolstein, een levendig stadje gelegen tussen vulkanische bergen en voormalige koraalriffen die ooit heel lang onder water hebben gelegen. Ik overtref mijzelf wanneer ik de Munterley beklim, een rotsachtige “Dolomiet” van 482 meter hoog. Afgezien van een paar natte broekspijpen en doorweekte schoenen kom ik ongeschonden tot onderaan de rotswand en geniet van het prachtige uitzicht op Gerolstein. Het stadsrumoer van beneden dringt nauwelijks tot hier door, ik ben hier alleen met mijn vogels, wilde bloemen en geurende planten. Om mijn overwinning te vieren (als had ik solo de K2 beklommen) trakteer ik mijzelf op een selfie met mijn Dolomiet op de achtergrond.
Terug beneden bezoek ik de Verlosserskerk, een juweel uit het begin van de 20e eeuw, te danken aan Pruisische protestante ambtenaren die hier in de 19e eeuw kwamen wonen en de gemalin van keizer Wilhelm II die hen een warm hart toedroeg. De kerk is gebouwd in Byzantijnse stijl met prachtige mozaïeken, die uit miljoenen gouden en gekleurde steentjes bestaan. Ik tref het, want normaal is het gebouw op deze dag gesloten, maar door werkzaamheden staat de deur op een kier en glip ik naar binnen. En met mij tientallen andere belangstellenden. Geen houden meer aan.
Dan volgt de doorsteek vanuit de Eifel naar de Moezel door een werkelijk betoverend landschap. Eerst nog besloten door nauwe dalen en donkere bossen, maar al gauw valt het landschap open en ontvouwen zich de mooiste panorama’s, verkleurend van groen naar blauw en bestrooid met gouden zonneplekken. Want ja, de zon is terug! En speelt met de wolken het spel van licht en donker, niet wetend dat ik daar intens van geniet. Plotseling wordt er sterk afgedaald en rol ik het Moezeldal in. Andere heuvels, andere kleuren, ander licht. En een hevig meanderende rivier als een slang in het woestijnzand. Waar zij tevoorschijn komt is steeds weer een raadsel, waarnaar zij op weg is al helemaal. Sommige hoogten zijn zwaar bebost, andere tot op de onmogelijkste plekken beplant met wijnranken. En met het toenemen van het aantal wijndomeinen neemt ook de stroom toeristen toe. Ik start mijn panoramaroute in het vakwerkparadijsje Beilstein waarnaar ik mij laat overzetten op een wankel pontje. En met mij veel elektrische fietsen, opzichtige korte broeken en sokken in sandalen. Ik kies een terras met uitzicht op het pontje en lunch met een iets te zoute goulashsoep. Als eerbetoon aan mijn ouders die altijd hun laatste vakantiemuntjes aan dit scherpe goedje spendeerden op de weg terug uit Oostenrijk. En dan moesten ook wij daaraan geloven!
Mijn route klimt omhoog naar het achterland van de Moezel, voert over de hoogvlakte van de Hunsrück om dan weer sterk af te dalen naar de rivier, die mij dan weer een heel ander gezicht toont. Klimmen en dalen, spectaculair autorijden, wat niet altijd in dank wordt afgenomen door de locals vanwege mijn (te lage) snelheid. Op weg naar een van de mooiste uitzichtpunten van de route, vanaf de ruïne van de Grevenburg, wordt ik bevangen door hoogtevrees en durf ik niet verder. Ik moet 20% dalen op een smalle weg die hoog boven de rivier tegen de berg geplakt ligt. Ik durf niet voor- of achteruit en zeker niet te keren. Een nog steiler zijweggetje brengt redding in mijn benarde situatie, want daar kan ik met veel gemier keren. Ik moet plassen, heb zin in een glas koele wijn en heb nog twee volle dagen…
In Craach, zo’n typisch wijnstadje aan de Moezel, vlei ik mij neer op het terras van mijn tweede logeeradres, Hotel Weinhaus zum Josefshof. Een korte cursus ‘welke witte wijn te bestellen’ van mijn gastheer resulteert in een glas heerlijk koele ‘halb trocken’. Op het pleintje waaraan mijn hotel gelegen is zitten drie oude dames op een bankje met elkaar te kletsen. De zitkussentjes hebben ze zelf meegenomen. Vast niet voor de eerste keer, want de bezoekers van het terras zullen ongetwijfeld een dankbaar onderwerp van gesprek zijn voor de vrouwtjes. Zij kijken naar ons, wij kijken naar hen. Verschillende werelden met alleen maar een pleintje ertussen. Als het begint te regenen staan de dames op, met de kussentjes onder de arm. De een achter een rollator, de andere twee onder een paraplu. Alle drie lopen ze moeilijk en ik denk onbewust aan het fitnessclubje in mijn wereld. Oud worden in Craach a/d Mosel is ook niet alles…
Op het terras maak ik contact met een vriendelijke, oude man achter een biertje. Zijn hond, waarvan ik niet weet wie er nu eigenlijk ouder is, staat bedaard kwispelend aan zijn voeten, reagerend op universele vriendelijkheid, wanneer ik het dier een blijk van genegenheid geef. “Ik blijf hier tot vanavond zitten en ga als laatste weg. Ik zal spaarzaam met mijn biertjes zijn, want het wordt een latertje”. Hij kijkt mij onderzoekend aan en vervolgt: “De langste dag, weet u! Dat doe ik al jaren zo op de langste avond van het jaar, sinds mijn vrouw is overleden”. Ik weet niet wat ik zeggen moet, hoeft ook niet, want met een glinstering in zijn pretoogjes gaat hij verder: “Ik maak een praatje met de mensen, dan kruipt de tijd niet zo langzaam voorbij. Ik zit hier wel vaker, hoor”. We heffen het glas, ik ongemakkelijk. We drinken op zijn eenzaamheid. Oud worden in Craach a/d Mosel is ook niet alles…

Woensdag 22 juni, Van Cusamus en de wens “Heimat” weer te zien!
“Camper, kachel, Matterhorn, beschadigd gehoor, gevonden ID-kaart, punkhaar, dakdekker, hondentrainer, 78 jaar…”
De oude man op het terras (ja, hij zit weer in zijn hoekje) loopt leeg wanneer ik noodgedwongen bij hem aanschuif omdat een zojuist gearriveerde motorclub uit Engeland met de overige vrije stoelen het hele terras verbouwt. Hij laat een alcoholvrij biertje komen, maar laat het lange tijd onaangeroerd, want hij is druk. Druk met praten tegen mij. En ik luister, doe moeite hem te verstaan. Maar het zijn slechts flarden die ik opvang uit een levensverhaal dat in een stroom van woorden en klanken verteld wordt. Daar waar ik hem kan volgen knik ik begrijpend en kom zelfs af en toe tot een instemmend “Ja”. Ik ben duidelijk het klankbord van zijn eenzaamheid en met zijn scherpe blik houdt hij mijn aandacht gevangen en verzuim ik aan mijn steeds lauwere “halb trocken” te nippen. Het gedwongen op moeten geven van zijn werk door een noodlottig ongeval, het overlijden van zijn vrouw nog maar kort geleden en het leven dat hij nu leidt in een camper als huis, alles passeert in de korte tijd die mij rest tot het avondeten. “Onderneem alles als je jong bent, voordat je het weet ben je oud en gebrekkig. En vaak ook arm”, voegde hij er fijntjes aan toe. Voor het eerst zie ik zijn blik wegdraaien naar de glimmende motoren die voor het terras geparkeerd staan. Ooit had ik een BSA, het beste van het beste. Maar mijn vrouw vond het motorrijden te gevaarlijk en moest ik hem weer verkopen”. Het moment dat ik afscheid van hem nam zal wat onbeholpen zijn overgekomen, maar ik moet dit kruispunt van levenswegen verlaten en weer mijn eigen richting gaan. De vrouwtjes op het bankje op het plein (het zijn er inmiddels 5) smoezen de koppen bij elkaar en knikken mij begrijpend aan. Zij kennen hun pappenheimers…
De ochtend gaat veelbelovend van start met plekken blauw in de lucht en zonnige momenten die het reliëf en de dynamiek terugbrengen in het landschap. Achter Kinheim klim ik (in de auto) omhoog en rij ik te midden van de wijngaarden die frisgroen afsteken tegen de donkere, beboste heuvels aan de overzijde van het dal. Het fascinerend spel van groen dat oplicht en langzaam weer uitdooft bereikt voor mij een hoogtepunt wanneer ik de auto parkeer aan de zijkant van de weg ter hoogte van een bankje vanwaar zich een schitterend panorama ontvouwt. Ik “hang” boven de rivier en de stadjes onder mij. Met 1 arm om de leuning van het bankje geklemd, fotografeer ik met de vrije hand in panorama en 3D, in de verwachting dat dit nooit goed in beeld te vangen is.
In Bernkastel-Kues maak ik kennis met de beroemste inwoner van deze dubbelstad, geleerde, kardinaal en bisschop Nikolaus von Kues, kortweg Cusanus genoemd. In zijn geboortestad stichtte hij in het begin van de 13e eeuw een armenhospitaal voor 33 mannen uit alle standen. Dit getal was niet toevallig gekozen, want het is de leeftijd waarop Christus werd gekruisigd. De kapel vormt het middelpunt van het door de eeuwen ongeschonden complex en heeft een bijzonder vorm. Een slanke, achthoekige middenzuil die bovenin uitwaaiert in 12 gotische ribben draagt het gewelf, uitdrukking gevend aan de Cusanische gedachte van de “allesomvattende eenheid”. Gewapend met deze kennis bewonder ik de kunstschatten van deze bijzondere kapel waar -onder een messing plaat- het hart van de stichter begraven ligt. Een fresco met het Laatste Oordeel, een 15e-eeuws drieluik waarop Christus staat afgebeeld, die de doornenkroon krijgt opgezet (met Cusanus knielend voor het kruis) en schitterende koorbanken uit de 18e eeuw. Ik onderga deze kunst in de absolute stilte van het moment. Zonlicht valt door de ramen en omfloerst de contouren. Met techniek uit de 21e eeuw probeer ik dat moment vast te houden…
Een groter contrast met het drukke Bernkastel is welhaast niet mogelijk. Een niet-aflatende stroom stroom toeristen perst zich door het dal en de smalle straatjes van het centrum, klaar voor een overdosis vakwerkhuisjes. Ik wil hier weg, even niet klimmen en dalen. Op zoek naar openheid en ruimte. En die vind ik op het uitgestrekte hoogland van de Hunsrück, een gebied van glooiende weilanden en bossen. Een verlaten streek met een geruststellende, lage horizon. Hier geen wijnbouw meer, maar vee en golvend graan. En kilometers bos, een streek met nauwelijks bewoners en verkeersborden. Langzaam keert de rust in mij terug en herken ik de sfeer die zo eigen was aan het Duitse epos “Heimat” dat zich afspeelt in deze streek. De serie toch maar weer eens bekijken als ik terug ben!

Donderdag 23 juni, huiswaarts
De ochtend kraakt van helderheid wanneer ik van mijn laatste ontbijt geniet en daarna afscheid moet nemen van mijn gastheer. Ik ga zoals ik gekomen ben: omhoog klimmend uit het Moezeldal in de richting van mijn geliefde Eifelland met nog slechts één bezoek op het programma, de Eifeler Glockengiesserei in het plaatsje Brockscheid, ongeveer 11 kilometer ten zuiden van Daun. Ik heb namelijk wat met klokken sinds ik als kleine misdienaar onder het wakend oog van de koster de klokken van onze Amsterdamse parochiekerk mocht luiden. Dat was niet helemaal zonder gevaar, want je moest het touw door je handen heen laten vieren, anders bestond de kans mee omhoog getrokken te worden en verbrijzeld tegen het plafond te eindigen. Met daarna nog eens hel en verdoemenis gewenst door de koster. Nog voel ik het brandende touw in mijn handpalmen bij het laten vieren, maar bij het neerhalen was er de euforie van de macht over de klokken die aan jouw kracht moest gehoorzamen. Jouw neerwaartse beweging omgezet in luid gebeier dat tot in de verste omtrek opgemerkt zou worden.
De klokkengieterij van Brockscheid is een bekende bezienswaardigheid in de (Vulkaan) Eifel en wordt door veel toeristen bezocht. De Eifeler Glockengiesserei is een familiebedrijf dat al sinds 1620 in de “klokkengieterij” zit. In de begindagen hadden ze geen vaste werkplaats maar trokken ze van plaats tot plaats waar de klokken gemaakt moesten worden. Vroeger in oorlogstijden waren ze ook gewilde vakmensen want een klokkengieterij kon immers ook prima kanonnen maken. Onvermijdelijk schiet mij de radiodocumentaire “Klokken in Europa” uit 1972 van Peter Leonhard Braun in gedachten, waarin het geluid van het omsmelten van de bronzen klokken in oorlogstuig een onuitwisbare indruk op mij heeft gemaakt. Deze van oorsprong Duitse documentaire uit 1972 won in 1974 de Prix Italia en kent ook een Nederlandse versie, ingesproken door Jaap Brand (VARA), maar deze versie is naar mijn weten niet meer in het NOS-bandenarchief aanwezig. In 1996 heb ik een oproep gedaan of iemand deze documentaire in privébezit had en dat leverde een cassettebandopname op die ik geschikt gemaakt heb voor (her)uitzending bij Omroep Gelderland. Ik ben nog altijd in bezit van het .wav-bestand dat ik koester als een kostbaar kleinood. Ik meld mij om 10.00 uur voor de eerste rondleiding waarbij wordt uitgelegd hoe alles werkt in een klokkengieterij en hoe de mooie grote bronzen klokken tot stand komen. Ik sta daadwerkelijk op de  werkvloer en zie van nabij hoe de werkzaamheden worden verricht. Behalve het maken van grote bronzen klokken worden er ook kleinere klokken gemaakt. Na een klein uur sta ik weer buiten en  koop ik een klein exemplaar in de souvenirshop als blijvend verbond met de klokken uit mijn jeugd.
Op het heetst van de dag bezoek ik de Maaren van Daun, ronde meren die hun ontstaan te danken hebben aan recente gasexplosies in dit oude vulkaanland. In dit gebied vol van vulkanische activiteit hoopten zich op verschillende plaatsen onder het aardoppervlak.grote hoeveelheden gas op. Toen de druk te hoog werd, zocht het gas een uitweg, sloeg een gat in de aardkorst en ontsnapte in de atmosfeer. De zo ontstane gaten liepen in de loop van de tijd vol water. De lucht trilt boven het zwarte water van het Totenmaar. Ik rond het meer naar het witte kerkje aan de overzijde, het restant van het dorpje Weinfeld dat hier heeft gelegen voordat de bewoners wegtrokken ten gevolge van de pest. Zwarte dood, zwart water… Het witte kerkje ligt eenzaam aan de bosrand en kijkt uit over de bijna perfecte cirkel van het Weinfelder Maar. In de hal getuigen de vele dankbetuigingen aan de Moeder Gods van grote godvruchtigheid. Dit plekje nodigt ook uit tot dankbaarheid, dankbaarheid voor weer een geslaagde culturele zwerftocht. Van Eifel naar Moezel, van Moezel terug naar de Eifel. En van hier, onder een staalblauwe lucht, in één streep naar huis…

Maar_panorama_2

Foto’s bij dit verslag op: http://cees.geldersnetwerk.nl > Foto-albums > Eifel en Moezel, een hernieuwde kennismaking.

Cees Sleven © juni 2016