Category Archives: Uncategorized

Dame van het keuzemenu

De maan legt bleke banen op mijn bed.
De nachtwind speelt zachtjes met de gordijnen.
En toch ben ik niet alleen,
zoals al mijn buren zeggen.

Lieve dame van het keuzemenu
neem rustig de tijd voor mij.
Zoveel gemeen hebben wij.
Slaap je ook zo moeilijk in
met al dat lawaai van buiten?

Vandaag werd het water afgesloten.
Gisteren kwamen ze al voor het licht.
Maar ik ben er een om niet te klagen.
De telefoonrekening is betaald.

Het geeft niet dat u lelijk bent
want hier met het licht uit zie je niets.
Lieve dame van het keuzemenu
ik stel het kiezen nog even uit
dan delen wij de eenzaamheid.

Scott Walker – Time operator, 1970 / Vert. Cees Sleven, 2017

Advertisements

27 november 2027, terug naar het einde der aarde


Calvaire de Lannédern, Finistère / Bretagne

Snel en onomkeerbaar daalt de avond neer over Finistère, Bretagne’s vooruitgeschoven post in de Atlantische Oceaan. Vandaag los ik een belofte in aan mijzelf om nog eenmaal hier terug te keren op deze afgelegen plek aan het einde van de aarde. Achter de hoogten van de Monts d’Arrée ligt het verankerd in de oceaan, opdoemend uit de mist en geteisterd platgeslagen door de meestal aanwezige wind. Bijna geïsoleerd land, overgeleverd aan de wil van de natuur. Hier ben ik naartoe gekomen, hier ook ligt mijn bestemming.
Al spoedig hangt de maan in al haar volheid aan de hemel, een hemel zó helder, dat de vele sterren die je normaal zou moeten kunnen zien, bijna onzichtbaar blijven. Het is een welhaast magisch moment wanneer ik weer oog in oog kom te staan met de alom aanwezige oceaan. Aan mijn voeten heeft deze een groot stuk rots weggeslagen, waardoor ik een vrij zicht heb op het onmetelijke water. Ik kijk neer op de golven die niet opgeven om op de rotsachtige kust in te beuken en in oplichtende, steeds wisselende sluiers van zout en water uiteen te spatten. Terwijl ik in het laatste schemerlicht naar de flauw gekromde verte staar, onderga ik opnieuw de absolute stilte, waarbij het geluid van de branding diep beneden mij en het rauwe gekrijs van de meeuwen boven mij slechts accenten zijn van deze perfectie, en geen verstoring.
Onder mij de woeste golven, aan de andere kant ligt langzaam aflopend, drassig veenland, vrijwel geheel met mos begroeid. Ik realiseer mij plotseling de hachelijke situatie waarin ik mij bevind. In meerdere opzichten in wankel evenwicht op de rand van deze rotspunt. Nog nooit ervoer ik tegelijk een dergelijk geluksgevoel, en daarnaast zo’n angst voor het onbestemde, hier waar het land zich verliest aan de zee, het Finis Terrae, het einde van de aarde.
Wat kom ik hier eigenlijk doen? Op zoek naar de culminatie van mijn verering, de projectie van mijn verlangen? Vragen en nog eens vragen… Ik daal af over het glinsterende mos en vang nog een laatste glimp op van het spel van aanrollende golven op de zwarte, standvastige rotsen waarop de zee een salto mortale uitvoert. De wind doet mij huiveren: onthaasten is verstuiven, zoals het schuim van de golven in de wind. Ik keer terug naar de baai en bij het licht van mijn zaklantaarn, herlees ik nog eenmaal deze brief voor ik hem durf toe te vertrouwen aan de aangespoelde fles, eens geboortig in Fleurie, ’n zonovergoten plek in de Bourgogne. Dat valt althans op te maken uit het vage opschrift op het door zout uitgevreten etiket. Nog even hou ik de fles vast bij de hals en dan… vooruit, daar ga je weer! Vanaf Finistère retour… Eerst nog een lichte aarzeling, maar dan vindt de fles weer het gezelschap van de golven die hem verder en verder zullen meevoeren. Naar onbekende wateren, geleid door de sterren.
Misschien wil ik hier wel blijven of uiteindelijk thuiskomen, rust vinden op het kleine kerkhof van Lannédern. Het warme najaarslicht zal er de enclos binnenvallen en langs mijn grafsteen strijken. De Monts d’Arrée zullen mij omringen en daarachter zal de nooit aflatende strijd tussen de woedende watermassa’s en de koppige granietharde rotsen eeuwig voortduren. Dood of leven, de scheidslijn is slechts een krijtstreep, waarop vast in vloeibaar overgaat, houvast transformeert naar oneindigheid.
Ook in Bretagne versterven de seizoenen, laat het laatste herfstblad aarzelend los. En alles zal vrede ademen, harmonie, eeuwigheid…

Cees Sleven © november 2017

Naar Ivor Gurney’s Gloucestershire

Rose Cottage B&B

O England, my England! dinsdag 31 oktober 2017

Dit bericht schrijf ik jullie vanuit Shipton Moyne, een weggestopt dorpje aan de rand van Engelse Cotswold, een glooiende streek in het graafschap Glouchestershire. Een kerk, een pub en een doorgaande weg met daarlangs die karakteristieke huisjes van gele zandsteen. ‘Rose Cottage’ is zo’n huisje, direct naast de pub gelegen, en daar logeer ik. Er heerst hier rust, de doorgaande weg laat slechts af en toe een passerende auto horen. Verder heerst er absolute stilte. geen zuchtje wind, alles roerloos, nu de avondschemer alle kleur uit bomen en struiken trekt en de takken als spookachtige silhouetten achterlaat. Een zwarte vogel benadrukt zijn aanwezigheid tegen de nog oplichtende westelijke avondlucht. Het is Halloween vanavond. Een hoog overvliegend vliegtuig kan ik moeiteloos nog minutenlang volgen tot het geluid overstemd wordt door de eigen ruis in mijn oren. In de verte slaat de kerkklok en het ruikt naar aarde en natte bladeren. Waarom ben ik hier neergestreken? In Ivor Gurney’s Glouchestershire?

Denkend aan weleer (‘Old Thought’)

Herfst, die naam voor vallende klimop en liefdevolle theetijd,
was ooit voor mij de gedachte aan de High Cotswold’s middaglucht,
Aan de aarde die geurt, het verkleurend bramenblad, onder zeilende wolken,
Vermengd met de liefde voor het lichaam en het reizen door het wuivend grasland.

O heerlijk klimmen, het vastgrijpen aan de rand, o snelle pas,
Gelijk het beukenbos, genietend van het buiten adem zijn,
De loftrompet gestoken over de nog onbekende Crickley cliffs, laat muziek gloeien in mijn gedachten.
Witte Cotswold, wijnrode bossen en kapotgeslagen, vochtig herfstblad.

Ivor Gurney

‘Old Thought’ is niet alleen een gedicht over het wandelen in de Engelse landstreek de Cotswold, maar ook een gedicht over veel meer dan dat alleen. Het is een passende introductie van de dichter en componist Ivor Gurney (1890 – 1937) uit Gloucestershire, misschien het meest bekend als musicus en oorlogsdichter uit de 1e Wereldoorlog.
Gurney’s gedichten getuigen van zijn liefde voor het landschap van Gloucestershire met dezelfde niet-sentimentele kracht waarmee hij verslag deed van de harde werkelijkheid van de loopgravenoorlog, en verklaren zijn geleidelijk afglijden in waanzin.
In 2010 volgde ik het spoor van Ivor Gurney op de voormalige slagvelden rond het Vlaamse Ieper, Nu, in 2017, zal ik in zijn voetsporen treden tijdens mijn bezoek aan zijn geliefde Gloucestershire. In de Cotswold zal ik Crickley Hill beklimmen, Gurney’s verheven plek waar hij zich alleen kon terugtrekken met altijd muziek en poëzie in zijn gedachten. Voor mij betekent dit het aanschouwen van het wisselende herfstlandschap en het ondergaan van de grote rijkdom aan herinneringen aan Ivor Gurney. Met altijd het weidse uitzicht over Gurney’s Gloucestershire beneden me…
Maar eerst moet je tot hier komen en dat valt niet mee. O Engeland, wat is er met je aan de hand? Een wegennet als dichtgeslibde aderen, vol kuilen en gaten. De bermen zijn smerig, overal ligt vuil. De snelwegen liggen als vieze linten over het landschap. Er is veel ‘Highway Maintenance’ op de weg, maar die doen hooguit iets onduidelijks in de bermen. Eindeloze afzettingen zonder enige actie. Dit doet pijn. En dat moet op eigen benen gaan staan, als een kind dat te vroeg het huis uitgaat… En dan is er ineens nieuw geld, nieuwe munten van 1 Pound en springerige plastic briefjes van 5. Ik had nog zo zorgvuldig wat ponden bewaard. Niet meer geldig, ik geef ze aan een poppy-verkoper die mij dankbaar een klaproosje opspeldt ter nagedachtenis aan de gevallenen.
In Cirencester, de hoofdstad van de Cotswold, bezoek ik de St. Jan-de-Doperskerk, een zogenaamde ‘Wolkerk’ in de middeleeuwen gebouwd met de opbrengsten van de rijke wolhandel van de 15e eeuw. Oud, indrukwekkend en ook geheel opgetrokken uit de karakteristieke, gele stenen. De kerksuppoost vraagt beleefd waar ik vandaan kom en drukt mij een foldertje met de rondgang door de kerk in handen. In het Nederlands, de kleur is oranje…
In de rit naar mijn logeeradres herken ik mijn Engeland weer: zacht glooiend met slingerende weggetjes omzoomd door herfstkleurende hagen. En dan sta ik voor ‘Rose Cottage’ waar Rebecca mij welkom heet. Wij delen alleen de voordeur. Zij woont voor, ik logeer aan de achterzijde aan de tuinkant. Zitkamer, slaapkamer, badkamer met honderd nostalgische zaken die mij omringen. Prominent aanwezig zijn haar kunstwerken, want Rebecca is een ware naald-kunstenaar. Beroemde voorstellingen gevat in duizenden steken geeft zij een nieuw leven. Ver van het drukke leven in Londen waar zij ooit vijf fourniturenzaken runde. Zij belooft mij een glas rode wijn na haar dansles en terwijl na haar vertrek ook in huis de absolute stilte neerdaalt, loop ik naar hiernaast, naar de ‘Cat and Custard Pot’ voor mijn eerste pubmeal. Een pub zoals een pub behoort te zijn: een mooi uitgelichte bar, verder kleine tafeltjes in schemerige nisjes en veel te bekijken aan de wanden. Wat onwennig bestel ik mijn meal en mijn cider en neem plaats achter mijn kaarsje in de schemer. Het mooiste meisje van de klas komt mijn Gloucestershire sausages brengen. Misschien is zij verdwaald, want dit dorp heeft geen school.
Terug hef ik het glas op Rebecca’s gezondheid en trek ik mij terug in mijn nostalgische wereld: zijden rozen in een vaas met vlinders, franje aan de lampenkappen, een houten hobbelpaard, een glazen ruit op de salontafel met kromme poten. Maar de stilte buiten is echt. De omfloerste maan verlicht flauwtjes de kale bomen. Mijn mond ademt wolkjes condens en ik huiver. Morgen ga ik Ivor Gurney achterna. Hopelijk baadt zijn geliefde Gloucestershire dan in het gouden herfstlicht.

Ivor Gurney’s graf te Twigworth

Herinneringen, woensdag 1 november 2017

‘And all the dawn that set my thoughts new to making;
Or Crickley dusk that the beech leaves stirred to shaking
Are put aside – there is a book ended; heart aching.’

Deze dichtregels uit ‘Poem for End’ schrijft Ivor Gurney neer wanneer hij in een inrichting voor geesteszieken zit en zij vertellen ons hoe moeilijk het proces geworden is slechts te moeten leven op herinneringen. Herinneringen aan zijn geliefde Crickley Hill in de Cotswold heuvelreeks, waarover hij lange wandelingen ter inspiratie maakte. Voor zijn gedichten en voor zijn muziek. Het werk als landarbeider op de nabijgelegen boerderij, rook die opstijgt uit het beukenbos, het vallen van de avond over de vallei beneden, allemaal elementen die zo nadrukkelijk aanwezig zijn in zijn gedichten en composities.
Op 28 augustus 1890 wordt Ivor Bertie Gurney geboren in de kathedraalstad Gloucester. Via koorknaap en leerling-organist in Gloucester Cathedral verdient Ivor Gurney in 1911 een studiebeurs aan de Royal College of Music. Hoewel hij in 1914 op zijn ogen wordt afgekeurd voor het leger, meldt hij zich ondanks zijn studie vrijwillig aan om in Frankrijk zijn vaderland als soldaat te dienen. In september 1917 overleeft hij ter nauwer nood een gasaanval tijdens de Slag om Passchendaele. Als oorlogsinvalide keert hij terug naar Engeland en brengt daar zijn tijd door in verschillende oorlogshospitalen en wordt hij, na het vertonen van tekenen van geestelijk instabiliteit (met een zelfmoordpoging in 1918) uiteindelijk uit de dienst ontslagen in oktober 1918. Hij pakt zijn studie aan de Royal College of Music weer op, maar kan zich niet concentreren. Hij keert terug naar Gloucester, werkeloos en rondkomend van een klein oorlogspensioen en de liefdadigheid van vrienden en familie. Een vruchtbare periode op het gebied van de muziek en poëzie volgt nu, maar zijn gedrag (al excentrisch voor de oorlog) wordt steeds onevenwichtiger. Er volgen meer zelfmoordpogingen en in september 1922 krijgt hij de diagnose ‘paranoïde schizofrenie’ en wordt opgenomen in een inrichting voor geesteszieken. Hij zal er tot zijn dood in 1937 verblijven.
Hartverscheurend zijn ook de brieven, vaak niet gepost, die hij aan vrienden en vriendinnen of aan de overheid schreef. De weduwe van collega-dichter Edward Thomas, gesneuveld bij Arras in 1917, kwam op het goede idee om tijdens een bezoek aan Gurney een kaart van Gloucestershire mee te nemen. Zo kon hij nogmaals zijn fantasie laten gaan over de herinneringen aan het landschap van zijn jeugd.
Vandaag sta ikzelf in dit landschap, op zoek naar echo’s uit dat verleden en zal ik mij de moeite getroosten, ondanks mijn schrikbarend toegenomen hoogtevrees, Crickley Hill te beklimmen. Ondanks een lichte nevel is de eerste aanblik van het omringende landschap fantastisch: aan mijn voeten ligt de stad Gloucester met zijn omringende heuvels. Boven mij de kale, limestone kliffen die als opgetrokken tanden waken over de vallei beneden. Het pad omhoog is smal en glibberig en ik heb moeite mijn blik van het steeds wisselende panorama af te houden. Ik ben in voortdurend gevecht met mijn wandelschoenen die ik dan ook halverwege uitdoe om mij even helemaal over te kunnen geven aan de omgeving. Mijn telefoon laat mij de volgende toepasselijke muziekstukken horen: ‘Chosen Hill’, ‘Bredon Hill’, ‘Radnor Suite’. Deze heuvels liggen allemaal in mijn blikveld van 180 graden en ik raak er door gefascineerd. Nog versterkt wanneer ik Gurney’s gedichtenbundel erbij pak:

‘Up there in the Roman Hill* all was quiet.
Only harebells nodded,
And the pieces of limestone scattered in the spaces white,
Wondered not what I did.

* Crickley Hill

Ik raap een gelig stuk limestone op en stop het in mijn rugzak. De gedichten hou ik paraat. Langzaam maar zeker geeft Crickley Hill zich gewonnen, wordt ik een met het landschap. Vanaf de top kijk ik neer op herfstig beukenbos en gaat mijn blik naar de verre horizon waar het land via steeds diffuser lagen blauw opgaat in de hemelboog. Het geeft betekenis aan de begrippen voor en achter, dichtbij en veraf. Basiselementen aarde, water en lucht, waaruit ook ik ben opgebouwd verbinden mij met de natuur, maar in totale vrijheid er een eigen interpretatie aan te mogen geven. En hier voel ik me verbonden met Ivor Gurney. Ik geniet intens van de verlatenheid van het landschap en ben op zoek naar beelden om mij vast te kunnen klampen aan alles wat ik ooit geleerd heb. Er keren herinneringen terug in de scherpte en voel ik dankbaarheid om deze te herkennen…
In de namiddag sta ik in Twigworth aan het graf van Ivor Gurney. Het late herfstlicht strijkt over de scheefgezakte steen. ‘Ivor Gurney, poet and composer of the Severn and Somme’ luidt het grafschrift. De Severn is een rivier in zijn geboortestreek, de Somme de bloed doordrenkte gedrenkte frontrivier in Noord Frankrijk. Uit de tekst spreekt een verlangen naar huis, een diep gewortelde wens om terug te keren naar zijn geliefde Gloucestershire. Weg uit de onvoorstelbare ellende en uitzichtloosheid van de loopgraaf. Het is deze totale onvrijheid om over het eigen lot te mogen beslissen die mij in Ivor Gurney fascineert, maar die mij ook, hoe tegenstrijdig ook, vervult met berusting nu het seizoen zijn graf toedekt met een tapijt van vochtig herfstblad. Als een kind dat liefdevol wordt ingestopt en goedenacht gekust. Dat het de verschrikkingen maar voor altijd mag vergeten. In de oneindige cyclus van het leven die geldt voor iedereen. Voor vriend en vijand.

Hymnus Paradisi, donderdag 2 november 2017

Achter de grafsteen van Ivor Gurney op de kleine begraafplaats van Twigworth ontdek ik het graf van de 9-jarige Michael Howells die in 1935 overleed aan polio, na een ziekbed van slechts drie dagen. De familie Howells, vader, moeder en zuster die op vakantie waren in Gloucestershire, bleven zoals verwachten viel gebroken achter. Vooral voor zijn vader, Herbert Howells, toen 43 jaar oud en een gerenommeerd componist van gewijde muziek, was deze klap extra verlammend. Maandenlang kon hij geen werk componeren en kreeg hij geen noot op schrift. Het was alsof de dood van de jongen alle creativiteit uit hem had gezogen. Het was zijn dochter Ursula die hem voorstelde een muziekstuk te schrijven om zijn verdriet een plaats te geven. Howells verrichte een bovenmenselijke inspanning en gaf toe aan zijn dochter. Het resultaat, de Hymnus Paradisi, een werk vol kwelling en schoonheid, was klaar in 1938 en werd opgeborgen in een la. De wond was nog niet geheeld en de pijn te persoonlijk om die al met het publiek te delen. Meer dan 10 jaar bleef het werk in de la liggen.
Voor het Three Choirs Festival van 1950 werd Herbert Howells gevraagd een nieuw werk te componeren, en na grote tegenzin was het de alom gewaardeerde componist Vaughan Williams die hem overhaalde zijn Hymnus Paradisi voor het eerst publiekelijk uit te voeren. Het werk, ter nagedachtenis aan zijn zoon Michael en zo lang verborgen gehouden, bleek het grootste en belangrijkste Engelse koorwerk te zijn ooit geschreven. Men wordt erdoor overweldigd, gegrepen door zijn intensiteit en schoonheid en je raakt het dagenlang niet kwijt uit je hoofd.
Hymnus Paradisi is nu, anno 2017, een beetje in de vergetelheid geraakt, maar dankzij de techniek van datzelfde 2017 luister ik op mijn ochtendwandeling rond Shipton Moyne naar dit prachtige koorwerk en laat ik de heldere herfstmorgen bij mij binnenkomen. Het versterven van de natuur in duizend kleuren harmonieert zo wonderwel met het donkerste donker en het doorbreken van het licht in de muziek. Rode, gele en bronzen bladeren tegen een strakblauwe lucht. Goud en zilver zie ik, maar ook zwarte, met klimop omgroeide silhouetten in tegenlicht. Reeën springen de weg over, grijze eekhoorns schieten de bomen in. In de stilte van de morgen is dit misschien wel het paradijs. Er komen mij drie paarden achterop, het geluid van castagnetten op het asfalt. Hun jockey groet mij vriendelijk als ik uit voorzorg uitwijk naar de andere kant van de weg. Engeland, paardenparadijs. Even later slenter ik achter drie dikke paardenbillen aan: lichtbruin, donkerbruin en grijsgevlekt en al gauw overstemt het koor weer de castagnetten. De weg, de hemel en de herfst zijn weer helemaal van mij alleen. Ik steek de weilanden over en kom aan de kommervolle dorpskerk van St. Johannes de Doper. Hoewel het kerkje open is ben ik waarschijnlijk de eerste bezoeker na de zondagsdienst van afgelopen weekend. Het is er koud, vochtig en ijzingwekkend stil van binnen en ook op het kerkhofje is niemand te zien. En het is nog wel Allerzielen, de dag waarop men de overledenen een extra duwtje naar de hemel kan geven. Geen enkele activiteit, geen extra bloemetje of lichtje op de graven, Engelsen zijn waarschijnlijk of allemaal rechtstreeks naar de hemel of branden met z’n allen in de hel. Geen vagevuur waaruit je nog te redden bent als tussenstation. ‘n Soort Brexit waar je alleen voor of tegen kunt zijn…
‘s Middags ga ik me te buiten in de Tesco supermarkt: Walker chips en Catbury chocola, alle benodigdheden voor echte scones (een statige lady wijst mij de weg naar de enig juiste strawberry jam), cheese and biscuits en natuurlijk heerlijke cider. Allemaal illusie dit stukje Engeland vast te kunnen houden. Want Engeland was weer goed voor me. Met het weer, als altijd fraai in de eerste november week, met mij als linkshandige linksrijder en met Rebecca mijn voortreffelijke gastvrouw van ‘Rose Cottage’. Ik zal haar veel te sterke afternoon-tea node missen. En nu maar hopen dat morgen al mijn boodschappen het land uit mogen…


Malmesbury Abbey, Wiltshire


Epiloog
, vrijdag 3 november 2017

Om aan de grote vraag naar scones van het thuisfront te voldoen ben ik neergestreken bij Morrisons, een grote superstore in het havengebied van Harwich. Omdat ik 3 jaar geleden een welhaast traumatische ervaring heb opgedaan met het rijden in het donker, bij nacht en ontij vanuit Norwich naar de boot in Harwich, heb ik besloten voor het vallen van de avond in de nabijheid van de haven te arriveren. Een grote truck van Morrisons voor mij wees mij automatisch de juiste weg naar de superstore, waar ik onder de laatste zonnestralen het inmense parkeerterrein opdraaide.
Ik heb een plaatsje gevonden in het cafe, ‘n HEMA-achtige gelegenheid met tafeltjes met middenpoot en een allegaartje aan houten stoeltjes erom heen. Met een flesje bessensap en een zakje cider/azijn-chips onder handbereik begin ik aan mijn laatste verslag van deze reis. Gewoon even de tijd volmaken tot een uur of negen, of eerder wanneer de accu van mijn tablet het begeeft. Ik heb eerst nog een rondje langs de schappen gemaakt voor de nagekomen bestellingen en met het laatste Engelse geld mijn tank volgegooid. De relatieve rust in het café wordt al gauw verstoord door een groot Aziatisch gezin dat luid schuivend met de stoelen aller aandacht op zich weet te vestigen. Ik vrees een kinderverjaardag, getuige de uitgelatenheid van de kinderen en de hoeveelheid limonade en chips waarmee de begeleidende, in trainingsbroeken gestoken moeders komen aanzetten.
Hoe anders begon deze dag met de mistige stilte in Shipton Moyne en het onvermijdelijke afscheid van Rebecca’s ‘Rose Cottage’. De rij lage Cotswold huisjes geeft een gelige gloed aan de mist die zwaar in de tuinen hangt. Ik heb het er goed gehad en de omgeving was meer dan inspirerend voor mij. Langzaam zoom ik uit van dit herfstig heuvelland naar de strakke snelweg M4 richting huis. In Malmesbury bezoek ik nog de abdij waar twee vriendelijk dames mij, via twee ansichtkaarten, van mijn kleine geld afhelpen. Mijn hartvormige muntendoosje met het opschrift ‘I love you’ doet hierbij wonderen. Overmoedig geworden door dit succes stap ik de plaatselijke bank binnen om te proberen mijn oude ponden in te wisselen voor nieuw geld, en zowaar blijkt ook hier mijn doosje, gepaard aan mijn onbeholpenheid te werken: 19 nieuwe ponden rijker stap ik de deur uit, vriendelijk nageknikt door de dame achter het loket.
Het Aziatische gezin wekt inmiddels wrevel op bij de andere gasten in het café. Het constante geschuif met de stoelen doet gezichten fronsen en mensen geïrriteerd omdraaien. Fluisterend naar elkaar spreken zij hun afkeer over de situatie uit. Ik wissel blikken uit, blikken van begrip en mededogen. Dat ontlokt een glimlach rond de mond van de man tegenover mij. Hij zit gekluisterd aan zijn rolstoel en uit zijn hele houding maak ik op dat hij maar al te graag, en met alle kracht die nog in hem is, op de Aziaten zou willen inrijden. Ik kijk weg, naar de klok en tel af, nog 59% batterijspanning…
Ik zal straks als een van de eerste in het opstelvak bij de boot staan. Het zal langzaam afkoelen in de auto en ik zal zitten vechten tegen de slaap. Maar het was het allemaal meer dan waard: een paar dagen terug in Engeland, in de eerste week van november, wanneer de herfst op z’n mooist is. Op Crickley Hill is inmiddels de avond gevallen, ver beneden twinkelen de lichtjes van de kathedraalstad Gloucester. Het pak bladeren op het graf van Ivor Gurney te Twigworth is vandaag weer dikker geworden. Rebecca schenkt zich een glas wijn in en borduurt verder aan haar Rosetti. Het leven herneemt weer zijn normale gang. En dat op zich is al paradijselijk…

On Crickley Hill, Cotswold

Cees Sleven © november 2017

Met dank aan alle lezers voor hun inspirerende reacties en
Mrs. Rebecca Spenser-Underhill, mijn voorbeeldige gastvrouw van ‘Rose Cottage’ te Shipton Moyne.

Alle foto’s werden gemaakt met een Samsung L100 digitale camera
en zijn te bekijken via mijn website > Foto-albums.

 

Denkend aan weleer (introducing Ivor Gurney)

Denkend aan weleer (‘Old Thought’)

Herfst, die naam voor vallende klimop en liefdevolle theetijd,
was ooit voor mij de gedachte aan de High Cotswold’s middaglucht,
Aan de aarde die geurt, het verkleurend bramenblad, onder zeilende wolken,
Vermengd met de liefde voor het lichaam en het reizen door het wuivend grasland.

O heerlijk klimmen, het vastgrijpen aan de rand, o snelle pas,
Gelijk het beukenbos, genietend van het buiten adem zijn,
De loftrompet gestoken over de nog onbekende Crickley Cliffs, laat muziek gloeien in mijn gedachten.
Witte Cotswold, wijnrode bossen en kapotgeslagen, vochtig herfstblad.

Ivor Gurney

‘Old Thought’ is niet alleen een gedicht over het wandelen in de Engelse landstreek de Cotswold, maar ook een gedicht over veel meer dan dat alleen. Het is een passende introductie van de dichter en componist Ivor Gurney (1890 – 1937) uit Gloucestershire, misschien het meest bekend als musicus en oorlogsdichter uit de 1e Wereldoorlog. Toch schreef hij ook levendig en veel over de plaatsen en landschappen van zijn geboortestreek. De acht dichtregels van ‘Old Thought’ bevatten veel karakteristieken die Ivor Gurney maken tot een fascinerende, streekdichter en een van de beste schrijvers ter introductie van het graafschap Gloucester. Gurney’s gedichten getuigen van zijn liefde voor het landschap van Gloucestershire met dezelfde niet-sentimentele kracht waarmee hij verslag deed van de harde werkelijkheid van de loopgravenoorlog, en verklaren zijn geleidelijk afglijden in waanzin.
Via koorknaap en leerling-organist in Gloucester Cathedral verdient Ivor Gurney in 1911 een studiebeurs aan de Royal College of Music. Hoewel hij in 1914 op zijn ogen wordt afgekeurd voor het leger, meldt hij zich ondanks zijn studie vrijwillig aan om in Frankrijk zijn vaderland als soldaat te dienen. In september 1917 overleeft hij ter nauwer nood een gasaanval tijdens de Slag om Passchendaele. Als oorlogsinvalide keert hij terug naar Engeland en brengt daar zijn tijd door in verschillende oorlogshospitalen en wordt hij, na het vertonen van tekenen van geestelijk instabiliteit (met een zelfmoordpoging in 1918) uiteindelijk uit de dienst ontslagen in oktober 1918. Hij pakt zijn studie aan de Royal College of Music weer op, maar kan zich niet concentreren. Hij keert terug naar Gloucester, werkeloos en rondkomend van een klein oorlogspensioen en de liefdadigheid van vrienden en familie. Een vruchtbare periode op het gebied van de muziek en poëzie volgt nu, maar zijn gedrag (al excentrisch voor de oorlog) wordt steeds onevenwichtiger. Er volgen meer zelfmoordpogingen en in september 1922 krijgt hij de diagnose ‘paranoïde schizofrenie’ en wordt opgenomen in een inrichting voor geesteszieken. Hij zal er tot zijn dood in 1937 verblijven.
Hartverscheurend zijn ook de brieven, vaak niet gepost, die hij aan vrienden en vriendinnen of aan de overheid schreef. De weduwe van collega-dichter Edward Thomas, gesneuveld bij Arras in 1917, kwam op het goede idee om tijdens een bezoek aan Gurney een kaart van Gloucestershire mee te nemen. Zo kon hij nogmaals zijn fantasie laten gaan over de herinneringen aan het landschap van zijn jeugd. Tijdens de oorlog werd van soldaat Gumey gepubliceerd ‘Severn and Somme’ (1917). De Severn is een rivier in zijn geboortestreek, de Somme de bloed doordrenkte gedrenkte frontrivier in Noord Frankrijk. Zijn naoorlogse gedichten werden geselecteerd en gepubliceerd door Edmund Blunden, eveneens een oorlogsdichter die vaak het arcadische van een landstreek vergelijkt met het door de oorlog aangetaste landschap.
In 2010 volgde ik het spoor van Ivor Gurney op de voormalige slagvelden rond het Vlaamse Ieper,

Wat zich in die streek heeft afgespeeld tussen 9 oktober en 6 november 1917 kende zijn weerga niet in de geschiedenis: meer dan 4 miljoen granaten hebben tijdens de voorbereidende beschietingen de grond omgeploegd en ontdaan van alle bomen en bebouwing. Het regende er onophoudelijk. Door de kleigrond kon het water niet weg en vormde het gebied om tot een bedorven moeras, vergiftigd door mosterdgas dat op de stilstaande poelen bleef drijven, en door de ontelbare onbegraven en half vergane lijken en kadavers. Door de regen liep het stinkende water over in de ondiepe Engelse loopgraven die veranderden in zompige modderstromen. De instortende muren konden nauwelijks met natte zandzakken overeind gehouden worden. De doorweekte en uitgeputte mannen schuifelden over de plankieren en hurkten in alle vroegte neer in de ondiepe geulen. Soldaten verzopen en het veldgeschut zakte bij iedere terugslag langzaam maar zeker achterover in de modder. De herrie van het bombardement vermengde zich met het gekerm van de gewonden en het gegil van paarden en muilezels die in de kraters verdronken, of zwaargewond vergeefs op het genadeschot wachtten. De verliezen aan beide zijden waren enorm, de terreinwinst slechts 8 km…

Nu, in 2017, zal ik in zijn voetsporen treden tijdens mijn bezoek aan zijn geliefde Gloucestershire. In de Cotswold zal ik Crickley Hill beklimmen, Gurney’s verheven plek waar hij zich alleen kon terugtrekken met altijd muziek en poëzie in zijn gedachten. Voor mij betekent dit het aanschouwen van het wisselende herfstlandschap en het ondergaan van de grote rijkdom aan herinneringen aan Ivor Gurney. Met altijd het weidse uitzicht over Gurney’s Gloucestershire beneden me…



Cees Sleven © oktober 2017

Naar Hildesheim en Quedlinburg

 

Quedlinburg, Burgberg

Opnieuw een culturele zwerftocht door Duitsland waarop het accent zal liggen op de middeleeuwse cultuur van de steden Hildesheim en Quedlinburg en de prachtige natuur van het Teutoburger Woud, de Lippe, het Weserbergland, de Harz en het Rothaargebirge.
De onlangs gerestaureerde Mariadom in Hildesheim verdient een uitgesteld bezoek, waar ik ook de duizendjarige rozenstruik zal aanschouwen. Ik verken de historische binnenstad van Quedlinburg met op de Burgberg de beroemde St. Servatius Stiftskirche.
Ik zal de Duitse middelgebergten betreden via de Westfaalse Poort en bij Lemgo en Detmold mijn vertrekpunt vinden. Het landschap zal langzaam gaan kleuren en de gewas gaat van het veld. Eindelijk weer ruimte voor het late licht om lange schaduwen te trekken.
Vanaf de behaaglijke beslotenheid van mijn hotelkamer zal ik weer verslag doen van mijn ervaringen op deze tocht langs dit parelsnoer van Midden-Duitsland…

Lemgo

Maandagmorgen in Lemgo, 25 september 2017

Voor mij ligt het servetje waarop ik wat aantekeningen heb gemaakt op de eerste dag van mijn nieuwe culturele zwerftocht door het noorden van Duitsland. Ik ben neergestreken in het slaperige, maar fraaie Hanzestadje Lemgo, gelegen in de vlakte tussen het Teutoburger Woud en het Weserbergland. Opgebloeid door de handel in laken, linnen en garen kwam na de Dertigjarige oorlog en de heksenvervolgingen de neergang en werd het stadje totaal vergeten. Ondanks de miezerige maandagochtendsfeer staan de middeleeuwse en renaissancepanden schouder aan schouder te wachten op een blik omhoog van een culturele zwerver zoals ik. Sommige staan licht voorovergebogen om nog imposanter over te komen. Het regent in Lemgo en dat is een tegenvaller. Bovendien is de Mittelstraße, de belangrijkste winkelstraat met de mooiste panden opengebroken. De schreeuwerige rood-witte afzettingen vloeken met het zachtgrijs van de vakwerkhuizen met overwegend rode daken. Er zijn weinig mensen op straat, de meeste winkels zijn nog gesloten. In doorzichtig plastic verpakte wandelwagens worden voortgeduwd door moeders, haastig op weg naar God weet waar naartoe. Een blinde man zoekt zijn weg door met zijn stok over de keien te ratelen. Hij weet wel waar hij heen gaat, naar zijn ochtend koffie, met zijn vrienden, zoals elke maandagmorgen. In de Konditorei wordt omstandig plaats voor hem gemaakt en al snel neemt hij fanatiek deel aan de discussie die zonder twijfel gaat over de recente verkiezingen. Er wordt veel met het hoofd geschud, de uitslag is duidelijk niet wat de mannen ervan verwacht hadden. “Angela fuck you” zag ik onderweg geklad over een groot portret van Angela Merkel. “Ach mens, hou er toch mee op” denk ik. “Ga iets leuks doen, cultureel zwerven in eigen land of zo! Regeren is helemaal niet nodig, kijk maar naar de buren. Die doen het zonder en het loopt op rolletjes!” En zo meng ik mij op gepaste afstand vanachter mijn Milchkaffee mit Käsetorte toch in de discussie. Koffie die smaakt naar de maandagmorgen en Käsetorte die zo zwaar is als de loodgrijze wolken die tegen de heuvels hangen.
Na de middag, wanneer ik de Spiegelberg opga, breekt de zon door. De uitkijktoren op het hoogste punt is helaas gesloten, maar tussen de bomen door kan ik toch genieten van het prachtige uitzicht over de stad en reikt mijn blik tot aan de golvende lijnen van het Teutoburger Woud. Overal wordt het gewas van het veld gehaald en wordt het landschap eindelijk weer opener. Eindelijk ruimte voor het namiddaglicht om lange schaduwen te kunnen trekken. Langzaam begint het bos te kleuren en laten de bomen hun vruchten vallen. Krakende eikels onder de schoenen, geplette kastanjes op de keien. Op weg naar Hildesheim toont het heuvelland haar ware gedaante. Dan weer lieflijk in het zachte strijklicht met de prachtigste schilderijwolken erboven, maar ook grimmig wanneer zij een gordijn van slagregens loslaat op alles wat zich beneden kronkelig voortbeweegt of een goed heenkomen zoekt. De verzoening is daar wanneer de zon zich weer kan spiegelen in al die regendruppels en mijn ogen doet toeknijpen tegen het natte asfalt.
Tegen half vijf rij ik Hildesheim binnen, mijn reisdoel voor de komende dagen. Een trendy hotel met een vriendelijke eigenaar, dicht tegen het centrum aan, vlakbij het Hauptbahnhof. Ik richt mijn werkplek in: Tablet met toetsenbord, speaker voor mijn favoriete muziek ter inspiratie, een beker koude koffiedrank voor later op de avond. Ik kijk op het oranje verlichte kruispunt onder mij. De straten zijn nat, weerspiegelen gedaantes die haastig op weg zijn naar het station. Of naar huis gaan met het bungelende plastic tasje van een of andere afhaalgelegenheid. Ik sluit de gordijnen, en sluit de dag. En daarvoor snuit ik eens flink mijn neus. Met het enige aanwezige servetje. Dag aantekeningen!


Hildesheim

Michaela, dinsdag 26 september 2017

Mijn dag in Hildesheim begint anders dan ik gehoopt had: de servetjes bij het ontbijt in dit trendy hotel zijn zwart, geen aantekeningen mogelijk dus, ik mors koffiemelk op mijn broek en -eenmaal onderweg- krijg ik een hoosbui over mij heen. Weer alles uit de rugzak op zoek naar mijn regenjack. Vanonder mijn capuchon zie ik op weg naar het centrum veel te veel moderne gebouwen, een ratjetoe aan naoorlogse bouw, want deze stad is aan het eind van de oorlog hevig gebombardeerd. Als ik de glimmend natte Markt oploop is het weer droog en laat ik mij imponeren door de prachtig gerestaureerde panden om mij heen. Vanaf zekere hoogte, dat wel, want het zicht op de begane grond wordt hevig ontsierd door foeilelijke vrachtwagens die staan te laden en lossen, en graafmachines die klaarstaan om in de zijstraten hun slag te slaan voor een nieuwe voetgangerszone. Toch start ik hier mijn “Rozenroute”, omdat de roos voor de Hildesheimer symbool staat voor de wederopbouw en het voortbestaan; de stad zal floreren zolang de “duizendjarige rozenstruik” van de Mariadom groeit en bloeit. Een vriendelijke dame van de toerist-information legt mij de brochure uit en ga ik snel op zoek naar het eerste rozen-symbool van een route die mij zal voeren langs alle historische hoogtepunten van de stad. Ik moet mijn tijd zorgvuldig indelen, want ik ben uiteindelijk gekomen voor de onlangs geheel gerestaureerde Mariadom die samen met de St. Michaeliskirche op de werelderfgoedlijst van de UNESCO prijkt. Ik was hier eerder een paar jaar geleden en heb toen de Michaelis “gedaan”. De Mariadom was toen dicht, een goede reden om op een later tijdstip hier nog eens terug te keren.
Achter de Markt sta ik gelijk oog in oog met de Huckup, een gedenkteken dat op deze plek het oorlogsbombardement ongeschonden heeft overleefd. De Huckup, het slechte geweten in de gedaante van een sterke dwerg, wijst de dief onherroepelijk terecht met de woorden: “Jongen, laat die appel liggen – anders grijpt de Huckup je!” Jantje heette hij toch? Die zag toch eens pruimen hangen, o als eieren zo groot? En Jantje wilde pruimen plukken, schoon zijn vader het hem verbood? Net op weg en nu al in opperste verwarring…
Ik zoek de stilte op en vind die in de vele kerken die ik op mijn route tegenkom: De Heilige Kruiskerk, de St. Lamberti, de Basilica St. Godehard, de St. Andreaskirche, allemaal zorgvuldig heropgebouwde Godshuizen, getuige de vele aanwezige foto’s van de verwoestingen in de oorlog. Alle fascinerende bouwstijlen zijn aanwezig: Romaans, Gotisch, Barok en Renaissance. Wat trekt mij toch aan in al die kerken? Is het alleen die alles omvattende, gewijde ruimte? Of is het een deel van mijn opvoeding dat ik niet geheel achter mij heb kunnen laten? Zeker is dat ik op mijn levensreis altijd gefascineerd ben geweest door de kunst van het versieren. En dan niet van het andere geslacht, want met ons mensen is het op dat vlak treurig gesteld. Zeker wij mannen zijn van nature niet voorzien van allerlei uiterlijke pracht en praal die bij rituelen rond het voortbestaan op commando te voorschijn komen. Nee, het sinds mensenheugenis versieren van alles wat er door onze handen gaat. De kunst van het versieren kent zijn flamboyante hoogtepunten en zijn perioden van verstilling, maar in alle gevallen opent het de ogen voor de schoonheid in de kunst. Weer sta ik nu voor een ontroerende Madonna met Kind, met vaardige hand uit eerlijk hout gesneden en met vage kleurresten van wat eens een prachtmantel moet zijn geweest. Pure, volkse kunst. Versiering in al zijn eenvoud. Aan haar voeten liggen honderden verzoeken om hulp: “ Heilige Moeder Maria, spreidt uw alles beschermende mantel over ons uit…” Ik wil niet achterblijven en voor ik de kerk verlaat steek ik een kaarsje aan bij het Mariabeeld. Zolang het brandt blijf ik nog even, hoewel ik eigenlijk weer onderweg moet, nog -tig rozen te gaan…
En dan ben ik er: precies om 12 uur loop ik het Domplein op onder het slaan van de zware domklok. Ik tel mee tot twaalf en wacht tot de laatste klokslag geheel is weggestorven. Nu daalt er stilte neer vanaf de Mariadom, stilte die zich mengt met de vallende bladeren die zich als gouden munten neerleggen op het gazon. Een korte, heldere bel bouwt de spanning op: het gymnasium aan het Domplein gaat uit en met de eerste kinderen die naar buiten komen breekt ook de zon door. Hoe anders kijk ik hiernaar dan naar de Regidius Basisschool te Duiven waar ik elke maandag mijn kleinkinderen ga ophalen. Hier worden de kinderen vast opgeleid tot engeltjes, al heeft menig kind nu al een zwaardere rugzak te dragen dan ik tijdens mijn hele leven. Maar uiteindelijk zijn kinderen overal hetzelfde, laten elkaar hun mobieltjes zien als eerste teken van een opbloeiende, prille kalverliefde. Zie ze daar zitten in die regen van gouden herfstbladeren die, vallend van tak naar tak, zich bewegen als muzieknoten op een notenbalk in dit jaargetijde van zachte weemoed en zoete najaarsmin. En van het gevoel van vlinders in je buik… Een beetje beschaamd sta ik op en betreed de Dom waar ter verwelkoming orgel klanken door de ruimte gaan. Het laag rollend, de hoge klanken stijgend, kaatsend en weer terugkerend. Een magische introductie van een schitterend geslaagde restauratie. Ik breng er een paar uur vrijwel in mijn eentje door, tot ik bij de duizendjarige rozenstruik op het Annenfriedhof onaangenaam gezelschap krijg van een groep Aziatische toeristen. Weg is de sfeer van rust en bezinning binnen deze romaanse kruisgang wanneer het aankomt op selfies nemen. Geen standje te gek met de beroemde rozenstruik als achtergrond. Na de verwoesting in 1945 van de St. Annenkapel, waartegen deze rozenstruik groeide, overleefden de gezonde wortels de vuurzee en liep de rozenstruik opnieuw uit. Ik trek mij terug in de kruisgang en denk er het mijne van: ik zie de luidruchtigen hier, ik zag ze op de Zaanse Schans, ik weet van ze in de Hermitage van St. Petersburg. Ik zie er een ver weg met zijn hand aan de knop…
In de Magdalenengarten kom ik weer tot rust tussen de nog altijd uitbundig bloeiende rozen, terwijl mijn blik naar de contouren van de St. Michaelis getrokken word. En die heeft nog een verrassing voor mij in petto, ondanks dat ik deze keer dit Godshuis aan mij voorbij laat gaan. Naast een afvalbak bij een bankje voor de kerk vind ik een prachtige pop met onder haar krullende haren een heel lief gezichtje. Weliswaar van porselein, maar toch… Een schitterend kleed heeft ze aan en ze draagt parmantig een tasje en een bijpassend hoedje. Even denk ik slecht, alsof de pop spontaan in mijn handen zal ontploffen, maar dan ebt de paranoia snel weg en kijk ik om mij heen of iemand haar misschien heeft achtergelaten. Het immense kerkplein is leeg, en blijft leeg. De pop werd achtergelaten, om definitief en voor altijd te worden vergeten. En toen kwam het verdriet. Langzaam stroomde er een traan langs haar oog en rolde over haar wang. “Huil niet kind, ik neem je mee. Straks wordt het donker en de nachten zijn al koud. Je past wel niet helemaal in mijn rugtas, maar met je lieve gezichtje er uitstekend, laat ik je deze fantastisch stad zien en ga je mee op reis. En daarna zal je bewonderende blikken oogsten door mensen die van je houden om wie je bent… Mag ik je Michaela noemen?


Michaela

Harzreise, woensdag 27 september 2017

“Auf die Berge will ich steigen,
Wo die frommen Hütten stehen,
Wo die Brust sich frei erschlieszet,
Und die freien Lüfte wehen.
Auf die Berge will ich steigen,
Wo die dunklen Tannen ragen,
Bäche rauschen, Vögel singen’
Und die stolzen Wolken jagen.”

Heinrich Heine (Aus der Harzreise, 1824)

Langzaam maar onherroepelijk trekt de invallende duisternis alle kleur en contrast uit de mij omringende natuur, al wat overblijft zijn inktzwarte silhouetten tegen de laatste oplichtende strepen in de avondlucht. Ik staar ernaar vanuit mijn nieuwe onderkomen in de Harz waar ik vandaag ben neergestreken op weg naar de stad Quedlinburg die ik morgen ga bezoeken. Deze woensdag dus een verplaatsing van zo’n 90 km naar het oosten, niet opnieuw gelijk naar de grote stad, maar gekozen voor een onderkomen halverwege, midden in de natuur, omringd door de heuvels van de Hochharz die donkere dennenbossen op hun toppen dragen. Vanaf mijn balkon kijk ik naar dit wegstervend beeld en voel een huivering. Wanneer ik de deur sluit omarmt mij een gevoel van geborgenheid en tevredenheid over mijn keuze. De rit hiernaar toe was grijs en mistig waardoor de contouren van het middelgebergte zich nog schuil konden houden, maar na de middag, wanneer de zon resoluut afrekent met de laatste nevelflarden, ontvouwt zich het fraaist denkbare herfstlandschap. En toch kies ervoor ondergronds te gaan om een lang vervlogen wereld te betreden die zo’n stempel heeft gedrukt op deze streek: ik bezoek het Oberharzer Bergwerkmuseum in Clausthal-Zellerfeld dat dit jaar precies 125 jaar bestaat. Ik maak een reis in de tijd van honderden jaren mijnbouw, de zoektocht naar het zilverhoudend erts die zo van invloed is geweest op de levens- en arbeidsomstandigheden van de Oberharzer bevolking en die zulke diepe sporen heeft nagelaten in de steden en in het landschap.
Het museum is fantastisch. Ik zie armoede, ziekte, kinderarbeid, maar ook vooruitgang, het gebruik van nieuwe, baanbrekende technieken en hoe dit alles toentertijd is vastgelegd. Ik smul van het zeldzame foto- en filmmateriaal uit het begin van de vorige eeuw en de prachtige schaalmodellen die het werken onder de grond duidelijk verklaren. Ik loop door de rijk ingerichte vertrekken van de toenmalige hoge heren, langs hun geschilderde hautaine portretten. En dit alles in een karakteristiek houten pand dat zo kenmerkend is voor deze streek. En ik ben hier wederom de enige bezoeker, reden voor de dame van de kaartjes om achter haar balie vandaan te komen om mij persoonlijk naar het begin van de museumroute te brengen. Ze vraagt waar ik vandaan kom. “Aus Holland? O, dat land zonder bergen, maar wel met heel veel water”, vult ze aan en vertelt mij omstandig over de meer dan 70 “Teichen” in deze omgeving, kunstmatige meren en meertjes, die door hun verschillende hoogteligging zorgden voor de benodigde waterkracht om de mijnbouwmachines in beweging te zetten: Liften om af te dalen, machines om het erts te verbrijzelen, om water te verplaatsen en om elektriciteit op te wekken voor de ondergrondse treintjes. Nu liggen die “Teichen” er meestal werkeloos bij en wanneer ik later op de middag aan de oever van de Hasenbacher Teich sta verbaas ik mij over de natuurlijke schoonheid van het spiegelende water in dit herfstig decor van kleurende heuvels en opbollende regenwolken.
Eenmaal geïnstalleerd op mijn kamer (Gästehaus “Tannenhof”, heeft veel weg van een Oostenrijks chalet) val ik op de bank spontaan in slaap om wakker te schrikken ver voorbij etenstijd. Het kleine restaurant is een waar schnitzelparadijs en als ik, na het betalen van de rekening het wisselgeld in mijn zak wil steken, voel ik daar twee steentjes: kwartsiet met een laagje kopererts, helder wit met groen-bruin. Zelf gedolven of beter gezegd: zelf opgeraapt in de bovenwereld, in dat fraaie landschap dat nu die bewogen mijnbouwgeschiedenis bedekt…

Hasenbacher Teich, Clausthal-Zellerfeld

Quedlinburg, donderdag 28 september 2017

Om vier uur geef ik er de brui aan. De spons neemt niets meer op, begint kennis te lekken. Teveel kerken, teveel vakwerkhuizen, te veel straatjes met keien. En de dag begon toch zo veelbelovend: Mijn batterijen helemaal opgeladen na een goede nachtrust en een heerlijk ontbijt met de persoonlijke touch van mijn gastheer. Zoals een goede gastheer hoort te zijn: Afgewogen aandacht voor zijn gasten, vooral luisteren en niet te hard praten als hij dan toch een persoonlijk woord tot je richt. Bovendien enthousiast en altijd vriendelijk, hoe praatziek sommige gasten ook zijn. Mijn gastheer heeft dit allemaal wanneer hij informeert naar hoe ik denk mijn dag te besteden. “Naar de bergburcht en de naastgelegen Stiftskirche St. Servatius in Quedlinburg” laat ik hem weten, waarna hij mij -geheel vrijblijvend- een plekje wijst vanwaar je het mooiste uitzicht op de oude stad hebt. “Als een modelbaan met modelhuisjes. Zeg me morgenochtend maar of ik gelijk had!” voegt hij er nog aan toe. Een schot in de roos, dit herken ik! En hij zet zijn enthousiasme kracht bij door mij een kortingskaartje mee te geven voor de toegang van de burcht en kerk.
Het is nog ruim een uur rijden naar Quedlinburg, dwars door de Harz, maar dat heb ik mijzelf aangedaan. Ik duik de nevelflarden in voor een rit van onbeschrijfelijke schoonheid. Hoger en hoger klim en draai ik. Door donkere mastbossen en langs natte granietwanden waarop brutaal feloranje struiken wortelen. Dan weer wordt mij het zicht ontnomen door slierten mist die hardnekkig in de dalen blijven hangen tot plotseling het alom aanwezige grijs verandert in melkwit en vervolgens het knalgeel de zon aankondigt. Ik verlaat de heuvels en rij de open vlakte in naar de middeleeuwse stad Quedlinburg, parel aan het snoer van de Duitse Werelderfgoederen.
In de basilica St. Servatius krijg ik een les geschiedenis die zijn weerga niet kent en die tot diep in de middag zal duren. Ik onderga de meer dan 1000-jarige historie van dit romaanse bouwwerk en de personages die daarin een belangrijke rol hebben gespeeld met grote aandacht, als een reis door de tijd waar geen ontsnappen aan is. Van Ottonen en Kanonissen, van Heinrich I, de eerste Saxenkoning en zijn vrouw Mathilde tot aan Heinrich Himmler die in 1936 de kerk onteerde omdat deze in de Middeleeuwen een periode zag van Germaans-duitse cultuur zonder beïnvloeding van buitenaf, met Heinrich I als exponent van het “Eerste Duitse Rijk”. Een venster met een adelaar in de crypte is nog een stille getuige van dit waanbeeld. Het wordt mij vertelt door een enthousiaste en goedlachse suppoost ter compensatie van het feit dat ik niet mag fotograferen. Hij legt mij de schilderingen op de gewelven uit en dat we daar te maken hebben met niemand anders dan de mooie Susanna uit het boek Daniel. Ik vergaap mij aan de Domschatten van zuiver goud en edelstenen, kistjes waarin de relikwieën van heiligen bewaard worden. Door de eeuwen heen werden zo de pelgrims naar de kerk gelokt en de middelen vergaard voor de zoveelste uitbreiding of verfraaiing van het Godshuis.
Ik zet mijn tijdreis voort in het burchtmuseum, gehuisvest in de voormalige burcht, maar na een duidelijke uiteenzetting van de vroegste geschiedenis van de bergburcht en zijn Stiftskirche en de propagandamachine van de nazi’s rondom koning Heinrich I begint de aandacht te verslappen en besluit ik de berg te verlaten en op te trekken naar de Markt. Onderweg verlies in mij nog in een grote antiekwinkel op zoek naar familieleden van Michaela om te kijken wat ze waard is. Maar vrouwen vraag je niet naar de leeftijd en zeker niet naar wat ze waard zijn. Als ik oogcontact maak met de verkoopster, voel ik dat ik bloos van schaamte. Ik vlucht naar het trein- en speelgoedmuseum, maar daar bekijk ik alleen de etalage. De St. Blasiuskerk raffel ik af en aangekomen op de Markt is het over en uit. Ik moet snel aan de lader, want morgen wacht er een nieuw reisdoel. In de Stube van Gästehaus “Tannenhof” bestel ik opnieuw een schnitzel, een Wiener. Maar een kleintje dit keer…

Quedlinburg, St. Servati Stiftskirche

Terug naar school, vrijdag 29 september 2017

Vandaag trek ik door de Duitse middelgebergten zoals ik die vroeger op school geleerd heb: Harz, Taunus, Sauerland… En zal ik weer afscheid moeten nemen van dit prachtige herfstland waar natuur en cultuur zoo innig hand in hand gaan. Een definitief afscheid ook van de zomer die juist vandaag nog even aan het langste eind trekt met temperaturen van boven de 20 graden. Ze strijkt nog eenmaal uitdagend haar gouden licht langs de kleurende hellingen en verwarmt aangenaam de vollopende terrassen. Vanaf morgen zal het anders zijn. Kille regen uit het westen die gevangen wordt in het wuivend spinrag en zwarte vogels die cirkelen boven de kale velden. Moddersporen op de wegen laten weten dat het werk gedaan is, “Dank Heer voor al dat wij dit jaar mochten oogsten!” Ik zie het uitgestald op het altaar van de St. Blasiuskerk in Hannover Münden, de manden en kisten met de gewassen en de vruchten van het land. Ik maak een korte stop in dit vakwerkstadje, waar de riviertjes Werra en Fulda samenstromen en als Weser verder gaan. Twee worden samen één, al gauw niet meer van elkaar te onderscheiden. Vanachter mijn Milchkaffee sla ik de overwegend oudere echtparen op het terras gade en realiseer mij ineens dat sommige, misschien wel de meeste ouderen, er over een jaar of 10 niet meer zullen zijn, of hooguit alleen verder zullen moeten. Nieuwe grijze koppies, maar wel 10 jaar jonger zullen dan het terras bevolken en zal de cyclus zich herhalen. Dat ik zelf… Het klokkenspel van het raadhuis slaat 12 uur haalt mij uit mijn gedachten wanneer een bonte stoet patiënten en hulpnarren onder leiding van de 17-eeuwse chirurgijn Dokter Eisenbart aan de gevel tevoorschijn komt. Blijkbaar een geliefde inwoner van dit stadje die dokter, met zijn 17-eeuwse dokterspost…
In Brilon, aan het noordelijk uiteinde van het Rothaargebergte, de ruggengraat van het Sauerland, maak ik nog een tussenstop op weg naar mijn eindbestemming van vandaag, Bad Berleburg in het Hoogsauerland. De rit ernaar toe was prachtig, maar inspannend door het vele klimmen en dalen en het constante bochtenwerk. Ik koester mij in het zonnetje bij de Petrusbron, het fototoestel blijft nu vaker en vaker in de tas. Ik voel dat mijn zwerftocht ten einde loopt en wil nog even volop genieten van deze laatste zomerdag.



Achter in de middag kom ik aan op mijn laatste logeeradres, Hotel Fliegendes Klassenzimmer in Bad Berleburg, genoemd naar de bekende Duitse jeugdfilm van regisseur Werner Jacobs uit 1973. Alles in dit hotel staat in het teken van het “vliegende klaslokaal” en de vakken die daar onderricht werden. Mijn kamer draagt als titel “Natuurkunde” en ik slaap vannacht onder een wandgroot portret van Albert Einstein zelf, met uitzicht op de spreuk: “Seit die Mathematiker über die Relativitätstheorie hergefallen sind, verstehe ich sie selbst nicht mehr!” Douchen morgenochtend gaat onder de bekende formule E=mc2…
Dan wordt het tijd om zelf te relativeren: Dat dit een heerlijk weekje was, maar toch maar één van de 52. Dat de mooiste herfstkleuren uiteindelijk ook verdwijnen en dat ik toch het liefst met de voeten onder mijn eigen tafel zit!
Ik dank jullie voor het lezen van mijn reisverslagen en de inspirerende reacties daarop. Ze gaven mij ogen en oren en het plezier steeds weer de dagen voor jullie samen te vatten. Voor nou… en nog eens zullen we maar zeggen!


Harz

Cees Sleven © september 2017

 

 

Herfstblad

 

Herfstblad

Euforisch en dronken van vrijheid,
weet ik dat mijn tijd gekomen is.
Ik tuimel en ik val, bestemming onbekend,
nagewuifd door hen die nog blijven mogen.

Het korte afscheid van de kalende takken
Even heerlijk zweven in de grote leegte.
Los van de boom aan wie ik was ontsproten,
zal ik straks in herinnering vervagen.

Nog plak ik mij krampachtig vast aan neon glimmend asfalt,
wil ik daar een goede indruk achter laten.
Maar reik ik niet verder dan een filigreine afdruk,
als het kanten kleed van de herfstbruid.

Terzijde geschoven door de novemberwind,
rijpt mijn teer skelet spoedig door kille winterhand.
Breekbaar lig ik daar, doorzichtig als glas,
wachtend tot ik zal worden weggeveegd.

Want ik weet dat mijn tijd gekomen is.

Cees Sleven © september 2017

Archie, de man van staal

 

Er was eens…
Er was eens een held, een held uit mijn jeugd.
Archie was zijn naam, Archie de man van staal. Archie was een robot.
Ik verslond zijn avonturen, elke keer weer als de nieuwe Sjors door de postbode bezorgd was.
Archie was ongelofelijk sterk en handig, waardoor hij zich steeds uit de meest onmogelijke situaties wist te redden. Hij beleefde samen met de vrienden Ted en Ken de wildste avonturen en o wat zou ik graag deel uitmaken van die vriendenclub! Reizend over de hele wereld, het ene na het andere avontuur belevend en je altijd beschermd weten door Archie de man van staal!

Bij ons in de buurt was een kleine speelgoedwinkel die gedreven werd door een stokoud mannetje dat ik in de winkel heen en weer zag schuiven wanneer ik, met de neus tegen de winkelruit gedrukt, al het moois in de etalage bewonderde. Met mijn mouw veegde ik dan de condens van de ruit voor een nog helderder blik. En daar stond mijn held: 20 cm metaal te schitteren in het invallende zonlicht. Fier stond hij daar, een beetje achteraan, maar met een open blik naar buiten gericht en met een glimlach op het gezicht.
Op een dag schraapte ik al mijn zakgeld en moed bij elkaar en na een laatste blik in de etalage ging ik het winkeltje van de oude man binnen. Nog maar even en dan zou Archie mijn leven binnenstappen. Hoe anders voelde het daarbinnen. Was het het stof en de muffe geur van het oude speelgoed, of toch iets anders? Ik voelde dat ik daarbinnen werd gadegeslagen, of afgeluisterd, of misschien wel beide. Als ik muisstil midden in de winkel stond, voelde ik dat iemand tegen mij probeerde te praten. Maar er was verder niemand, de oude baas schuifelde wat achter in het magazijn en al het speelgoed stond bewegingsloos op de planken.
Toch was er aan een van de poppen iets bijzonders. Een mannetje, gemaakt van stokjes en stalen veren lag op de grond tussen de etalage en de wandkast. Ik raapte hem op zette hem op de dichtstbijzijnde plank. Maar hij wilde niet blijven staan. Ik bleef proberen hem rechtop te houden tegen de achterwand, maar hij zakte steeds in elkaar. Zijn ogen waren half gesloten waardoor hij er vermoeid uitzag. Zijn veren lichaam wilde niet meer. Half liggend op de plank liet ik hem achter op weg naar Archie, mijn held.
Voorzichtig lichtte de oude man voor mij de blikken pop van de plank en met het zakgeld stevig in mijn vuist geklemd volgde ik hem naar de toonbank. En daar lag hij weer op de grond, de verenman, onderuit gegleden en van zijn plank gevallen. Nu was het de beurt van de man de pop op te rapen en even later stond mijn Archie en lag de verenman gebroederlijk naast elkaar op de toonbank. Plots veerde de verenman op, spande al zijn veren en toverde een brede glimlach op het gezicht. Archie kreeg een twinkeling in de ogen. Ik keek er met opengevallen mond naar. Dit was de oude man niet ontgaan.

“Goed gespaard jongen?”, vroeg de man.
“Precies gepast meneer”, antwoordde ik trots.
“Neem ze allebei maar mee, je krijgt er twee voor de prijs van één. Zorg maar goed voor ze jongen, ik denk dat ze bij jou een spannender leven zullen hebben!”.

Dankbaar en in de blijde verwachting binnenkort definitief opgenomen te zullen worden in de vriendenclub, nam ik afscheid van de oude man en liep met mijn beide helden in de armen geklemd naar de winkeldeur. Daar, op een lage plank, stond stoffen olifant, grijs met wit en kraaloogjes En een lange snuit. Die blies toen ook dit verhaaltje uit…

Cees Sleven © juni 2017
Tekening: Petra Heezen