Category Archives: Uncategorized

Denkend aan weleer (introducing Ivor Gurney)

Denkend aan weleer (‘Old Thought’)

Herfst, die naam voor vallende klimop en liefdevolle theetijd,
was ooit voor mij de gedachte aan de High Cotswold’s middaglucht,
Aan de aarde die geurt, het verkleurend bramenblad, onder zeilende wolken,
Vermengd met de liefde voor het lichaam en het reizen door het wuivend grasland.

O heerlijk klimmen, het vastgrijpen aan de rand, o snelle pas,
Gelijk het beukenbos, genietend van het buiten adem zijn,
De loftrompet gestoken over de nog onbekende Crickley Cliffs, laat muziek gloeien in mijn gedachten.
Witte Cotswold, wijnrode bossen en kapotgeslagen, vochtig herfstblad.

Ivor Gurney

‘Old Thought’ is niet alleen een gedicht over het wandelen in de Engelse landstreek de Cotswold, maar ook een gedicht over veel meer dan dat alleen. Het is een passende introductie van de dichter en componist Ivor Gurney (1890 – 1937) uit Gloucestershire, misschien het meest bekend als musicus en oorlogsdichter uit de 1e Wereldoorlog. Toch schreef hij ook levendig en veel over de plaatsen en landschappen van zijn geboortestreek. De acht dichtregels van ‘Old Thought’ bevatten veel karakteristieken die Ivor Gurney maken tot een fascinerende, streekdichter en een van de beste schrijvers ter introductie van het graafschap Gloucester. Gurney’s gedichten getuigen van zijn liefde voor het landschap van Gloucestershire met dezelfde niet-sentimentele kracht waarmee hij verslag deed van de harde werkelijkheid van de loopgravenoorlog, en verklaren zijn geleidelijk afglijden in waanzin.
Via koorknaap en leerling-organist in Gloucester Cathedral verdient Ivor Gurney in 1911 een studiebeurs aan de Royal College of Music. Hoewel hij in 1914 op zijn ogen wordt afgekeurd voor het leger, meldt hij zich ondanks zijn studie vrijwillig aan om in Frankrijk zijn vaderland als soldaat te dienen. In september 1917 overleeft hij ter nauwer nood een gasaanval tijdens de Slag om Passchendaele. Als oorlogsinvalide keert hij terug naar Engeland en brengt daar zijn tijd door in verschillende oorlogshospitalen en wordt hij, na het vertonen van tekenen van geestelijk instabiliteit (met een zelfmoordpoging in 1918) uiteindelijk uit de dienst ontslagen in oktober 1918. Hij pakt zijn studie aan de Royal College of Music weer op, maar kan zich niet concentreren. Hij keert terug naar Gloucester, werkeloos en rondkomend van een klein oorlogspensioen en de liefdadigheid van vrienden en familie. Een vruchtbare periode op het gebied van de muziek en poëzie volgt nu, maar zijn gedrag (al excentrisch voor de oorlog) wordt steeds onevenwichtiger. Er volgen meer zelfmoordpogingen en in september 1922 krijgt hij de diagnose ‘paranoïde schizofrenie’ en wordt opgenomen in een inrichting voor geesteszieken. Hij zal er tot zijn dood in 1937 verblijven.
Hartverscheurend zijn ook de brieven, vaak niet gepost, die hij aan vrienden en vriendinnen of aan de overheid schreef. De weduwe van collega-dichter Edward Thomas, gesneuveld bij Arras in 1917, kwam op het goede idee om tijdens een bezoek aan Gurney een kaart van Gloucestershire mee te nemen. Zo kon hij nogmaals zijn fantasie laten gaan over de herinneringen aan het landschap van zijn jeugd. Tijdens de oorlog werd van soldaat Gumey gepubliceerd ‘Severn and Somme’ (1917). De Severn is een rivier in zijn geboortestreek, de Somme de bloed doordrenkte gedrenkte frontrivier in Noord Frankrijk. Zijn naoorlogse gedichten werden geselecteerd en gepubliceerd door Edmund Blunden, eveneens een oorlogsdichter die vaak het arcadische van een landstreek vergelijkt met het door de oorlog aangetaste landschap.
In 2010 volgde ik het spoor van Ivor Gurney op de voormalige slagvelden rond het Vlaamse Ieper,

Wat zich in die streek heeft afgespeeld tussen 9 oktober en 6 november 1917 kende zijn weerga niet in de geschiedenis: meer dan 4 miljoen granaten hebben tijdens de voorbereidende beschietingen de grond omgeploegd en ontdaan van alle bomen en bebouwing. Het regende er onophoudelijk. Door de kleigrond kon het water niet weg en vormde het gebied om tot een bedorven moeras, vergiftigd door mosterdgas dat op de stilstaande poelen bleef drijven, en door de ontelbare onbegraven en half vergane lijken en kadavers. Door de regen liep het stinkende water over in de ondiepe Engelse loopgraven die veranderden in zompige modderstromen. De instortende muren konden nauwelijks met natte zandzakken overeind gehouden worden. De doorweekte en uitgeputte mannen schuifelden over de plankieren en hurkten in alle vroegte neer in de ondiepe geulen. Soldaten verzopen en het veldgeschut zakte bij iedere terugslag langzaam maar zeker achterover in de modder. De herrie van het bombardement vermengde zich met het gekerm van de gewonden en het gegil van paarden en muilezels die in de kraters verdronken, of zwaargewond vergeefs op het genadeschot wachtten. De verliezen aan beide zijden waren enorm, de terreinwinst slechts 8 km…

Nu, in 2017, zal ik in zijn voetsporen treden tijdens mijn bezoek aan zijn geliefde Gloucestershire. In de Cotswold zal ik Crickley Hill beklimmen, Gurney’s verheven plek waar hij zich alleen kon terugtrekken met altijd muziek en poëzie in zijn gedachten. Voor mij betekent dit het aanschouwen van het wisselende herfstlandschap en het ondergaan van de grote rijkdom aan herinneringen aan Ivor Gurney. Met altijd het weidse uitzicht over Gurney’s Gloucestershire beneden me…



Cees Sleven © oktober 2017

Advertisements

Naar Hildesheim en Quedlinburg

 

Quedlinburg, Burgberg

Opnieuw een culturele zwerftocht door Duitsland waarop het accent zal liggen op de middeleeuwse cultuur van de steden Hildesheim en Quedlinburg en de prachtige natuur van het Teutoburger Woud, de Lippe, het Weserbergland, de Harz en het Rothaargebirge.
De onlangs gerestaureerde Mariadom in Hildesheim verdient een uitgesteld bezoek, waar ik ook de duizendjarige rozenstruik zal aanschouwen. Ik verken de historische binnenstad van Quedlinburg met op de Burgberg de beroemde St. Servatius Stiftskirche.
Ik zal de Duitse middelgebergten betreden via de Westfaalse Poort en bij Lemgo en Detmold mijn vertrekpunt vinden. Het landschap zal langzaam gaan kleuren en de gewas gaat van het veld. Eindelijk weer ruimte voor het late licht om lange schaduwen te trekken.
Vanaf de behaaglijke beslotenheid van mijn hotelkamer zal ik weer verslag doen van mijn ervaringen op deze tocht langs dit parelsnoer van Midden-Duitsland…

Lemgo

Maandagmorgen in Lemgo, 25 september 2017

Voor mij ligt het servetje waarop ik wat aantekeningen heb gemaakt op de eerste dag van mijn nieuwe culturele zwerftocht door het noorden van Duitsland. Ik ben neergestreken in het slaperige, maar fraaie Hanzestadje Lemgo, gelegen in de vlakte tussen het Teutoburger Woud en het Weserbergland. Opgebloeid door de handel in laken, linnen en garen kwam na de Dertigjarige oorlog en de heksenvervolgingen de neergang en werd het stadje totaal vergeten. Ondanks de miezerige maandagochtendsfeer staan de middeleeuwse en renaissancepanden schouder aan schouder te wachten op een blik omhoog van een culturele zwerver zoals ik. Sommige staan licht voorovergebogen om nog imposanter over te komen. Het regent in Lemgo en dat is een tegenvaller. Bovendien is de Mittelstraße, de belangrijkste winkelstraat met de mooiste panden opengebroken. De schreeuwerige rood-witte afzettingen vloeken met het zachtgrijs van de vakwerkhuizen met overwegend rode daken. Er zijn weinig mensen op straat, de meeste winkels zijn nog gesloten. In doorzichtig plastic verpakte wandelwagens worden voortgeduwd door moeders, haastig op weg naar God weet waar naartoe. Een blinde man zoekt zijn weg door met zijn stok over de keien te ratelen. Hij weet wel waar hij heen gaat, naar zijn ochtend koffie, met zijn vrienden, zoals elke maandagmorgen. In de Konditorei wordt omstandig plaats voor hem gemaakt en al snel neemt hij fanatiek deel aan de discussie die zonder twijfel gaat over de recente verkiezingen. Er wordt veel met het hoofd geschud, de uitslag is duidelijk niet wat de mannen ervan verwacht hadden. “Angela fuck you” zag ik onderweg geklad over een groot portret van Angela Merkel. “Ach mens, hou er toch mee op” denk ik. “Ga iets leuks doen, cultureel zwerven in eigen land of zo! Regeren is helemaal niet nodig, kijk maar naar de buren. Die doen het zonder en het loopt op rolletjes!” En zo meng ik mij op gepaste afstand vanachter mijn Milchkaffee mit Käsetorte toch in de discussie. Koffie die smaakt naar de maandagmorgen en Käsetorte die zo zwaar is als de loodgrijze wolken die tegen de heuvels hangen.
Na de middag, wanneer ik de Spiegelberg opga, breekt de zon door. De uitkijktoren op het hoogste punt is helaas gesloten, maar tussen de bomen door kan ik toch genieten van het prachtige uitzicht over de stad en reikt mijn blik tot aan de golvende lijnen van het Teutoburger Woud. Overal wordt het gewas van het veld gehaald en wordt het landschap eindelijk weer opener. Eindelijk ruimte voor het namiddaglicht om lange schaduwen te kunnen trekken. Langzaam begint het bos te kleuren en laten de bomen hun vruchten vallen. Krakende eikels onder de schoenen, geplette kastanjes op de keien. Op weg naar Hildesheim toont het heuvelland haar ware gedaante. Dan weer lieflijk in het zachte strijklicht met de prachtigste schilderijwolken erboven, maar ook grimmig wanneer zij een gordijn van slagregens loslaat op alles wat zich beneden kronkelig voortbeweegt of een goed heenkomen zoekt. De verzoening is daar wanneer de zon zich weer kan spiegelen in al die regendruppels en mijn ogen doet toeknijpen tegen het natte asfalt.
Tegen half vijf rij ik Hildesheim binnen, mijn reisdoel voor de komende dagen. Een trendy hotel met een vriendelijke eigenaar, dicht tegen het centrum aan, vlakbij het Hauptbahnhof. Ik richt mijn werkplek in: Tablet met toetsenbord, speaker voor mijn favoriete muziek ter inspiratie, een beker koude koffiedrank voor later op de avond. Ik kijk op het oranje verlichte kruispunt onder mij. De straten zijn nat, weerspiegelen gedaantes die haastig op weg zijn naar het station. Of naar huis gaan met het bungelende plastic tasje van een of andere afhaalgelegenheid. Ik sluit de gordijnen, en sluit de dag. En daarvoor snuit ik eens flink mijn neus. Met het enige aanwezige servetje. Dag aantekeningen!


Hildesheim

Michaela, dinsdag 26 september 2017

Mijn dag in Hildesheim begint anders dan ik gehoopt had: de servetjes bij het ontbijt in dit trendy hotel zijn zwart, geen aantekeningen mogelijk dus, ik mors koffiemelk op mijn broek en -eenmaal onderweg- krijg ik een hoosbui over mij heen. Weer alles uit de rugzak op zoek naar mijn regenjack. Vanonder mijn capuchon zie ik op weg naar het centrum veel te veel moderne gebouwen, een ratjetoe aan naoorlogse bouw, want deze stad is aan het eind van de oorlog hevig gebombardeerd. Als ik de glimmend natte Markt oploop is het weer droog en laat ik mij imponeren door de prachtig gerestaureerde panden om mij heen. Vanaf zekere hoogte, dat wel, want het zicht op de begane grond wordt hevig ontsierd door foeilelijke vrachtwagens die staan te laden en lossen, en graafmachines die klaarstaan om in de zijstraten hun slag te slaan voor een nieuwe voetgangerszone. Toch start ik hier mijn “Rozenroute”, omdat de roos voor de Hildesheimer symbool staat voor de wederopbouw en het voortbestaan; de stad zal floreren zolang de “duizendjarige rozenstruik” van de Mariadom groeit en bloeit. Een vriendelijke dame van de toerist-information legt mij de brochure uit en ga ik snel op zoek naar het eerste rozen-symbool van een route die mij zal voeren langs alle historische hoogtepunten van de stad. Ik moet mijn tijd zorgvuldig indelen, want ik ben uiteindelijk gekomen voor de onlangs geheel gerestaureerde Mariadom die samen met de St. Michaeliskirche op de werelderfgoedlijst van de UNESCO prijkt. Ik was hier eerder een paar jaar geleden en heb toen de Michaelis “gedaan”. De Mariadom was toen dicht, een goede reden om op een later tijdstip hier nog eens terug te keren.
Achter de Markt sta ik gelijk oog in oog met de Huckup, een gedenkteken dat op deze plek het oorlogsbombardement ongeschonden heeft overleefd. De Huckup, het slechte geweten in de gedaante van een sterke dwerg, wijst de dief onherroepelijk terecht met de woorden: “Jongen, laat die appel liggen – anders grijpt de Huckup je!” Jantje heette hij toch? Die zag toch eens pruimen hangen, o als eieren zo groot? En Jantje wilde pruimen plukken, schoon zijn vader het hem verbood? Net op weg en nu al in opperste verwarring…
Ik zoek de stilte op en vind die in de vele kerken die ik op mijn route tegenkom: De Heilige Kruiskerk, de St. Lamberti, de Basilica St. Godehard, de St. Andreaskirche, allemaal zorgvuldig heropgebouwde Godshuizen, getuige de vele aanwezige foto’s van de verwoestingen in de oorlog. Alle fascinerende bouwstijlen zijn aanwezig: Romaans, Gotisch, Barok en Renaissance. Wat trekt mij toch aan in al die kerken? Is het alleen die alles omvattende, gewijde ruimte? Of is het een deel van mijn opvoeding dat ik niet geheel achter mij heb kunnen laten? Zeker is dat ik op mijn levensreis altijd gefascineerd ben geweest door de kunst van het versieren. En dan niet van het andere geslacht, want met ons mensen is het op dat vlak treurig gesteld. Zeker wij mannen zijn van nature niet voorzien van allerlei uiterlijke pracht en praal die bij rituelen rond het voortbestaan op commando te voorschijn komen. Nee, het sinds mensenheugenis versieren van alles wat er door onze handen gaat. De kunst van het versieren kent zijn flamboyante hoogtepunten en zijn perioden van verstilling, maar in alle gevallen opent het de ogen voor de schoonheid in de kunst. Weer sta ik nu voor een ontroerende Madonna met Kind, met vaardige hand uit eerlijk hout gesneden en met vage kleurresten van wat eens een prachtmantel moet zijn geweest. Pure, volkse kunst. Versiering in al zijn eenvoud. Aan haar voeten liggen honderden verzoeken om hulp: “ Heilige Moeder Maria, spreidt uw alles beschermende mantel over ons uit…” Ik wil niet achterblijven en voor ik de kerk verlaat steek ik een kaarsje aan bij het Mariabeeld. Zolang het brandt blijf ik nog even, hoewel ik eigenlijk weer onderweg moet, nog -tig rozen te gaan…
En dan ben ik er: precies om 12 uur loop ik het Domplein op onder het slaan van de zware domklok. Ik tel mee tot twaalf en wacht tot de laatste klokslag geheel is weggestorven. Nu daalt er stilte neer vanaf de Mariadom, stilte die zich mengt met de vallende bladeren die zich als gouden munten neerleggen op het gazon. Een korte, heldere bel bouwt de spanning op: het gymnasium aan het Domplein gaat uit en met de eerste kinderen die naar buiten komen breekt ook de zon door. Hoe anders kijk ik hiernaar dan naar de Regidius Basisschool te Duiven waar ik elke maandag mijn kleinkinderen ga ophalen. Hier worden de kinderen vast opgeleid tot engeltjes, al heeft menig kind nu al een zwaardere rugzak te dragen dan ik tijdens mijn hele leven. Maar uiteindelijk zijn kinderen overal hetzelfde, laten elkaar hun mobieltjes zien als eerste teken van een opbloeiende, prille kalverliefde. Zie ze daar zitten in die regen van gouden herfstbladeren die, vallend van tak naar tak, zich bewegen als muzieknoten op een notenbalk in dit jaargetijde van zachte weemoed en zoete najaarsmin. En van het gevoel van vlinders in je buik… Een beetje beschaamd sta ik op en betreed de Dom waar ter verwelkoming orgel klanken door de ruimte gaan. Het laag rollend, de hoge klanken stijgend, kaatsend en weer terugkerend. Een magische introductie van een schitterend geslaagde restauratie. Ik breng er een paar uur vrijwel in mijn eentje door, tot ik bij de duizendjarige rozenstruik op het Annenfriedhof onaangenaam gezelschap krijg van een groep Aziatische toeristen. Weg is de sfeer van rust en bezinning binnen deze romaanse kruisgang wanneer het aankomt op selfies nemen. Geen standje te gek met de beroemde rozenstruik als achtergrond. Na de verwoesting in 1945 van de St. Annenkapel, waartegen deze rozenstruik groeide, overleefden de gezonde wortels de vuurzee en liep de rozenstruik opnieuw uit. Ik trek mij terug in de kruisgang en denk er het mijne van: ik zie de luidruchtigen hier, ik zag ze op de Zaanse Schans, ik weet van ze in de Hermitage van St. Petersburg. Ik zie er een ver weg met zijn hand aan de knop…
In de Magdalenengarten kom ik weer tot rust tussen de nog altijd uitbundig bloeiende rozen, terwijl mijn blik naar de contouren van de St. Michaelis getrokken word. En die heeft nog een verrassing voor mij in petto, ondanks dat ik deze keer dit Godshuis aan mij voorbij laat gaan. Naast een afvalbak bij een bankje voor de kerk vind ik een prachtige pop met onder haar krullende haren een heel lief gezichtje. Weliswaar van porselein, maar toch… Een schitterend kleed heeft ze aan en ze draagt parmantig een tasje en een bijpassend hoedje. Even denk ik slecht, alsof de pop spontaan in mijn handen zal ontploffen, maar dan ebt de paranoia snel weg en kijk ik om mij heen of iemand haar misschien heeft achtergelaten. Het immense kerkplein is leeg, en blijft leeg. De pop werd achtergelaten, om definitief en voor altijd te worden vergeten. En toen kwam het verdriet. Langzaam stroomde er een traan langs haar oog en rolde over haar wang. “Huil niet kind, ik neem je mee. Straks wordt het donker en de nachten zijn al koud. Je past wel niet helemaal in mijn rugtas, maar met je lieve gezichtje er uitstekend, laat ik je deze fantastisch stad zien en ga je mee op reis. En daarna zal je bewonderende blikken oogsten door mensen die van je houden om wie je bent… Mag ik je Michaela noemen?


Michaela

Harzreise, woensdag 27 september 2017

“Auf die Berge will ich steigen,
Wo die frommen Hütten stehen,
Wo die Brust sich frei erschlieszet,
Und die freien Lüfte wehen.
Auf die Berge will ich steigen,
Wo die dunklen Tannen ragen,
Bäche rauschen, Vögel singen’
Und die stolzen Wolken jagen.”

Heinrich Heine (Aus der Harzreise, 1824)

Langzaam maar onherroepelijk trekt de invallende duisternis alle kleur en contrast uit de mij omringende natuur, al wat overblijft zijn inktzwarte silhouetten tegen de laatste oplichtende strepen in de avondlucht. Ik staar ernaar vanuit mijn nieuwe onderkomen in de Harz waar ik vandaag ben neergestreken op weg naar de stad Quedlinburg die ik morgen ga bezoeken. Deze woensdag dus een verplaatsing van zo’n 90 km naar het oosten, niet opnieuw gelijk naar de grote stad, maar gekozen voor een onderkomen halverwege, midden in de natuur, omringd door de heuvels van de Hochharz die donkere dennenbossen op hun toppen dragen. Vanaf mijn balkon kijk ik naar dit wegstervend beeld en voel een huivering. Wanneer ik de deur sluit omarmt mij een gevoel van geborgenheid en tevredenheid over mijn keuze. De rit hiernaar toe was grijs en mistig waardoor de contouren van het middelgebergte zich nog schuil konden houden, maar na de middag, wanneer de zon resoluut afrekent met de laatste nevelflarden, ontvouwt zich het fraaist denkbare herfstlandschap. En toch kies ervoor ondergronds te gaan om een lang vervlogen wereld te betreden die zo’n stempel heeft gedrukt op deze streek: ik bezoek het Oberharzer Bergwerkmuseum in Clausthal-Zellerfeld dat dit jaar precies 125 jaar bestaat. Ik maak een reis in de tijd van honderden jaren mijnbouw, de zoektocht naar het zilverhoudend erts die zo van invloed is geweest op de levens- en arbeidsomstandigheden van de Oberharzer bevolking en die zulke diepe sporen heeft nagelaten in de steden en in het landschap.
Het museum is fantastisch. Ik zie armoede, ziekte, kinderarbeid, maar ook vooruitgang, het gebruik van nieuwe, baanbrekende technieken en hoe dit alles toentertijd is vastgelegd. Ik smul van het zeldzame foto- en filmmateriaal uit het begin van de vorige eeuw en de prachtige schaalmodellen die het werken onder de grond duidelijk verklaren. Ik loop door de rijk ingerichte vertrekken van de toenmalige hoge heren, langs hun geschilderde hautaine portretten. En dit alles in een karakteristiek houten pand dat zo kenmerkend is voor deze streek. En ik ben hier wederom de enige bezoeker, reden voor de dame van de kaartjes om achter haar balie vandaan te komen om mij persoonlijk naar het begin van de museumroute te brengen. Ze vraagt waar ik vandaan kom. “Aus Holland? O, dat land zonder bergen, maar wel met heel veel water”, vult ze aan en vertelt mij omstandig over de meer dan 70 “Teichen” in deze omgeving, kunstmatige meren en meertjes, die door hun verschillende hoogteligging zorgden voor de benodigde waterkracht om de mijnbouwmachines in beweging te zetten: Liften om af te dalen, machines om het erts te verbrijzelen, om water te verplaatsen en om elektriciteit op te wekken voor de ondergrondse treintjes. Nu liggen die “Teichen” er meestal werkeloos bij en wanneer ik later op de middag aan de oever van de Hasenbacher Teich sta verbaas ik mij over de natuurlijke schoonheid van het spiegelende water in dit herfstig decor van kleurende heuvels en opbollende regenwolken.
Eenmaal geïnstalleerd op mijn kamer (Gästehaus “Tannenhof”, heeft veel weg van een Oostenrijks chalet) val ik op de bank spontaan in slaap om wakker te schrikken ver voorbij etenstijd. Het kleine restaurant is een waar schnitzelparadijs en als ik, na het betalen van de rekening het wisselgeld in mijn zak wil steken, voel ik daar twee steentjes: kwartsiet met een laagje kopererts, helder wit met groen-bruin. Zelf gedolven of beter gezegd: zelf opgeraapt in de bovenwereld, in dat fraaie landschap dat nu die bewogen mijnbouwgeschiedenis bedekt…

Hasenbacher Teich, Clausthal-Zellerfeld

Quedlinburg, donderdag 28 september 2017

Om vier uur geef ik er de brui aan. De spons neemt niets meer op, begint kennis te lekken. Teveel kerken, teveel vakwerkhuizen, te veel straatjes met keien. En de dag begon toch zo veelbelovend: Mijn batterijen helemaal opgeladen na een goede nachtrust en een heerlijk ontbijt met de persoonlijke touch van mijn gastheer. Zoals een goede gastheer hoort te zijn: Afgewogen aandacht voor zijn gasten, vooral luisteren en niet te hard praten als hij dan toch een persoonlijk woord tot je richt. Bovendien enthousiast en altijd vriendelijk, hoe praatziek sommige gasten ook zijn. Mijn gastheer heeft dit allemaal wanneer hij informeert naar hoe ik denk mijn dag te besteden. “Naar de bergburcht en de naastgelegen Stiftskirche St. Servatius in Quedlinburg” laat ik hem weten, waarna hij mij -geheel vrijblijvend- een plekje wijst vanwaar je het mooiste uitzicht op de oude stad hebt. “Als een modelbaan met modelhuisjes. Zeg me morgenochtend maar of ik gelijk had!” voegt hij er nog aan toe. Een schot in de roos, dit herken ik! En hij zet zijn enthousiasme kracht bij door mij een kortingskaartje mee te geven voor de toegang van de burcht en kerk.
Het is nog ruim een uur rijden naar Quedlinburg, dwars door de Harz, maar dat heb ik mijzelf aangedaan. Ik duik de nevelflarden in voor een rit van onbeschrijfelijke schoonheid. Hoger en hoger klim en draai ik. Door donkere mastbossen en langs natte granietwanden waarop brutaal feloranje struiken wortelen. Dan weer wordt mij het zicht ontnomen door slierten mist die hardnekkig in de dalen blijven hangen tot plotseling het alom aanwezige grijs verandert in melkwit en vervolgens het knalgeel de zon aankondigt. Ik verlaat de heuvels en rij de open vlakte in naar de middeleeuwse stad Quedlinburg, parel aan het snoer van de Duitse Werelderfgoederen.
In de basilica St. Servatius krijg ik een les geschiedenis die zijn weerga niet kent en die tot diep in de middag zal duren. Ik onderga de meer dan 1000-jarige historie van dit romaanse bouwwerk en de personages die daarin een belangrijke rol hebben gespeeld met grote aandacht, als een reis door de tijd waar geen ontsnappen aan is. Van Ottonen en Kanonissen, van Heinrich I, de eerste Saxenkoning en zijn vrouw Mathilde tot aan Heinrich Himmler die in 1936 de kerk onteerde omdat deze in de Middeleeuwen een periode zag van Germaans-duitse cultuur zonder beïnvloeding van buitenaf, met Heinrich I als exponent van het “Eerste Duitse Rijk”. Een venster met een adelaar in de crypte is nog een stille getuige van dit waanbeeld. Het wordt mij vertelt door een enthousiaste en goedlachse suppoost ter compensatie van het feit dat ik niet mag fotograferen. Hij legt mij de schilderingen op de gewelven uit en dat we daar te maken hebben met niemand anders dan de mooie Susanna uit het boek Daniel. Ik vergaap mij aan de Domschatten van zuiver goud en edelstenen, kistjes waarin de relikwieën van heiligen bewaard worden. Door de eeuwen heen werden zo de pelgrims naar de kerk gelokt en de middelen vergaard voor de zoveelste uitbreiding of verfraaiing van het Godshuis.
Ik zet mijn tijdreis voort in het burchtmuseum, gehuisvest in de voormalige burcht, maar na een duidelijke uiteenzetting van de vroegste geschiedenis van de bergburcht en zijn Stiftskirche en de propagandamachine van de nazi’s rondom koning Heinrich I begint de aandacht te verslappen en besluit ik de berg te verlaten en op te trekken naar de Markt. Onderweg verlies in mij nog in een grote antiekwinkel op zoek naar familieleden van Michaela om te kijken wat ze waard is. Maar vrouwen vraag je niet naar de leeftijd en zeker niet naar wat ze waard zijn. Als ik oogcontact maak met de verkoopster, voel ik dat ik bloos van schaamte. Ik vlucht naar het trein- en speelgoedmuseum, maar daar bekijk ik alleen de etalage. De St. Blasiuskerk raffel ik af en aangekomen op de Markt is het over en uit. Ik moet snel aan de lader, want morgen wacht er een nieuw reisdoel. In de Stube van Gästehaus “Tannenhof” bestel ik opnieuw een schnitzel, een Wiener. Maar een kleintje dit keer…

Quedlinburg, St. Servati Stiftskirche

Terug naar school, vrijdag 29 september 2017

Vandaag trek ik door de Duitse middelgebergten zoals ik die vroeger op school geleerd heb: Harz, Taunus, Sauerland… En zal ik weer afscheid moeten nemen van dit prachtige herfstland waar natuur en cultuur zoo innig hand in hand gaan. Een definitief afscheid ook van de zomer die juist vandaag nog even aan het langste eind trekt met temperaturen van boven de 20 graden. Ze strijkt nog eenmaal uitdagend haar gouden licht langs de kleurende hellingen en verwarmt aangenaam de vollopende terrassen. Vanaf morgen zal het anders zijn. Kille regen uit het westen die gevangen wordt in het wuivend spinrag en zwarte vogels die cirkelen boven de kale velden. Moddersporen op de wegen laten weten dat het werk gedaan is, “Dank Heer voor al dat wij dit jaar mochten oogsten!” Ik zie het uitgestald op het altaar van de St. Blasiuskerk in Hannover Münden, de manden en kisten met de gewassen en de vruchten van het land. Ik maak een korte stop in dit vakwerkstadje, waar de riviertjes Werra en Fulda samenstromen en als Weser verder gaan. Twee worden samen één, al gauw niet meer van elkaar te onderscheiden. Vanachter mijn Milchkaffee sla ik de overwegend oudere echtparen op het terras gade en realiseer mij ineens dat sommige, misschien wel de meeste ouderen, er over een jaar of 10 niet meer zullen zijn, of hooguit alleen verder zullen moeten. Nieuwe grijze koppies, maar wel 10 jaar jonger zullen dan het terras bevolken en zal de cyclus zich herhalen. Dat ik zelf… Het klokkenspel van het raadhuis slaat 12 uur haalt mij uit mijn gedachten wanneer een bonte stoet patiënten en hulpnarren onder leiding van de 17-eeuwse chirurgijn Dokter Eisenbart aan de gevel tevoorschijn komt. Blijkbaar een geliefde inwoner van dit stadje die dokter, met zijn 17-eeuwse dokterspost…
In Brilon, aan het noordelijk uiteinde van het Rothaargebergte, de ruggengraat van het Sauerland, maak ik nog een tussenstop op weg naar mijn eindbestemming van vandaag, Bad Berleburg in het Hoogsauerland. De rit ernaar toe was prachtig, maar inspannend door het vele klimmen en dalen en het constante bochtenwerk. Ik koester mij in het zonnetje bij de Petrusbron, het fototoestel blijft nu vaker en vaker in de tas. Ik voel dat mijn zwerftocht ten einde loopt en wil nog even volop genieten van deze laatste zomerdag.



Achter in de middag kom ik aan op mijn laatste logeeradres, Hotel Fliegendes Klassenzimmer in Bad Berleburg, genoemd naar de bekende Duitse jeugdfilm van regisseur Werner Jacobs uit 1973. Alles in dit hotel staat in het teken van het “vliegende klaslokaal” en de vakken die daar onderricht werden. Mijn kamer draagt als titel “Natuurkunde” en ik slaap vannacht onder een wandgroot portret van Albert Einstein zelf, met uitzicht op de spreuk: “Seit die Mathematiker über die Relativitätstheorie hergefallen sind, verstehe ich sie selbst nicht mehr!” Douchen morgenochtend gaat onder de bekende formule E=mc2…
Dan wordt het tijd om zelf te relativeren: Dat dit een heerlijk weekje was, maar toch maar één van de 52. Dat de mooiste herfstkleuren uiteindelijk ook verdwijnen en dat ik toch het liefst met de voeten onder mijn eigen tafel zit!
Ik dank jullie voor het lezen van mijn reisverslagen en de inspirerende reacties daarop. Ze gaven mij ogen en oren en het plezier steeds weer de dagen voor jullie samen te vatten. Voor nou… en nog eens zullen we maar zeggen!


Harz

Cees Sleven © september 2017

 

 

Herfstblad

 

Herfstblad

Euforisch en dronken van vrijheid,
weet ik dat mijn tijd gekomen is.
Ik tuimel en ik val, bestemming onbekend,
nagewuifd door hen die nog blijven mogen.

Het korte afscheid van de kalende takken
Even heerlijk zweven in de grote leegte.
Los van de boom aan wie ik was ontsproten,
zal ik straks in herinnering vervagen.

Nog plak ik mij krampachtig vast aan neon glimmend asfalt,
wil ik daar een goede indruk achter laten.
Maar reik ik niet verder dan een filigreine afdruk,
als het kanten kleed van de herfstbruid.

Terzijde geschoven door de novemberwind,
rijpt mijn teer skelet spoedig door kille winterhand.
Breekbaar lig ik daar, doorzichtig als glas,
wachtend tot ik zal worden weggeveegd.

Want ik weet dat mijn tijd gekomen is.

Cees Sleven © september 2017

Archie, de man van staal

 

Er was eens…
Er was eens een held, een held uit mijn jeugd.
Archie was zijn naam, Archie de man van staal. Archie was een robot.
Ik verslond zijn avonturen, elke keer weer als de nieuwe Sjors door de postbode bezorgd was.
Archie was ongelofelijk sterk en handig, waardoor hij zich steeds uit de meest onmogelijke situaties wist te redden. Hij beleefde samen met de vrienden Ted en Ken de wildste avonturen en o wat zou ik graag deel uitmaken van die vriendenclub! Reizend over de hele wereld, het ene na het andere avontuur belevend en je altijd beschermd weten door Archie de man van staal!

Bij ons in de buurt was een kleine speelgoedwinkel die gedreven werd door een stokoud mannetje dat ik in de winkel heen en weer zag schuiven wanneer ik, met de neus tegen de winkelruit gedrukt, al het moois in de etalage bewonderde. Met mijn mouw veegde ik dan de condens van de ruit voor een nog helderder blik. En daar stond mijn held: 20 cm metaal te schitteren in het invallende zonlicht. Fier stond hij daar, een beetje achteraan, maar met een open blik naar buiten gericht en met een glimlach op het gezicht.
Op een dag schraapte ik al mijn zakgeld en moed bij elkaar en na een laatste blik in de etalage ging ik het winkeltje van de oude man binnen. Nog maar even en dan zou Archie mijn leven binnenstappen. Hoe anders voelde het daarbinnen. Was het het stof en de muffe geur van het oude speelgoed, of toch iets anders? Ik voelde dat ik daarbinnen werd gadegeslagen, of afgeluisterd, of misschien wel beide. Als ik muisstil midden in de winkel stond, voelde ik dat iemand tegen mij probeerde te praten. Maar er was verder niemand, de oude baas schuifelde wat achter in het magazijn en al het speelgoed stond bewegingsloos op de planken.
Toch was er aan een van de poppen iets bijzonders. Een mannetje, gemaakt van stokjes en stalen veren lag op de grond tussen de etalage en de wandkast. Ik raapte hem op zette hem op de dichtstbijzijnde plank. Maar hij wilde niet blijven staan. Ik bleef proberen hem rechtop te houden tegen de achterwand, maar hij zakte steeds in elkaar. Zijn ogen waren half gesloten waardoor hij er vermoeid uitzag. Zijn veren lichaam wilde niet meer. Half liggend op de plank liet ik hem achter op weg naar Archie, mijn held.
Voorzichtig lichtte de oude man voor mij de blikken pop van de plank en met het zakgeld stevig in mijn vuist geklemd volgde ik hem naar de toonbank. En daar lag hij weer op de grond, de verenman, onderuit gegleden en van zijn plank gevallen. Nu was het de beurt van de man de pop op te rapen en even later stond mijn Archie en lag de verenman gebroederlijk naast elkaar op de toonbank. Plots veerde de verenman op, spande al zijn veren en toverde een brede glimlach op het gezicht. Archie kreeg een twinkeling in de ogen. Ik keek er met opengevallen mond naar. Dit was de oude man niet ontgaan.

“Goed gespaard jongen?”, vroeg de man.
“Precies gepast meneer”, antwoordde ik trots.
“Neem ze allebei maar mee, je krijgt er twee voor de prijs van één. Zorg maar goed voor ze jongen, ik denk dat ze bij jou een spannender leven zullen hebben!”.

Dankbaar en in de blijde verwachting binnenkort definitief opgenomen te zullen worden in de vriendenclub, nam ik afscheid van de oude man en liep met mijn beide helden in de armen geklemd naar de winkeldeur. Daar, op een lage plank, stond stoffen olifant, grijs met wit en kraaloogjes En een lange snuit. Die blies toen ook dit verhaaltje uit…

Cees Sleven © juni 2017
Tekening: Petra Heezen

NOOIT

Het zal u niet ontgaan zijn: Paus Franciscus heeft deze dagen een bezoek gebracht aan Portugal en aan het plaatsje Fatima in het bijzonder om daar een tweetal herdersjongens heilig te verklaren die in 1917 een aantal verschijningen van Maria hebben beleefd. Een niet alledaags jongensavontuur toch? Twee herdersjongens toegevoegd aan de grote schare heiligen die inmiddels de hemel bevolken. En die heiligen fascineren mij. Vanaf het moment dat ik als kleine misdienaar samen met hun aardse afbeelding vanaf het altaar over de kerkgangers uitkeek, tot op heden wanneer ik mij op mijn culture zwerftochten laat imponeren door hun gestrenge blik, altijd iets van bovenaf en zodanig dat ik mijn hoofd wel omhoog MOET richten. Sommige ontmoetingen zijn geheel toevallig, andere het resultaat van een intensieve speurtocht, maar altijd eindigend met een gevoel van ontzag voor het veel betere leven dat zij geleid hebben en de imposante kennissenkring waartoe zij nu behoren.
Zo was er die ontmoeting met de heilige Sint Edern, ergens op een typisch Bretonse begraafplaats, waar zijn blik vanonder het Calvaire-kruis op mij rustte. Sint Edern, eens een krijger in het gezelschap van koning Arthur, overgekomen uit Groot-Brittannië leefde daar in het land Argoat, het bosland, als kluizenaar. Hij stond daar inderdaad wat teruggetrokken in het gezelschap van het hert, symbool van hoop en wederopstanding, zinnebeeld voor Christus… Het hert Cernunnos… Heidense en christelijke symboliek gingen daar in het warme oktoberlicht hand in hand. Zoals dood en leven.
In het Franse Amiens ben ik op zoek. Op zoek naar de schedel van de heilige Johannes de Doper, althans een gedeelte ervan. Voor deze bijzondere relikwie, in 1206 meegenomen van een kruistocht, was het uiteraard nodig om een met niets te vergelijken relikwieschrijn te bouwen, waaraan in de eeuwen daarna vele pelgrims voorbij zouden trekken ter bedevaart. In spitsboogvormige nissen wordt, als voorloper van ons huidig stripverhaal, door veelkleurige beeldengroepen het leven van
Johannes de Doper verteld, tot aan het in ontvangst nemen van zijn hoofd in Amiens.
Ik zit volop in het drama: Het geweld is zo realistisch dat Salomé, de dochter van Herodes, flauw valt in de armen van een dienaar…
Laatst nog liep ik in het Duitse Fulda de barokke kerk van de heilige Sint Blasius binnen. Want voor die heilige was een bedankje wel op zijn plaats. Als jongetje ontving ik meermalen de Blasiuszegen middels twee gekruiste kaarsen rond mijn keel plus een onverstaanbaar prevelement, maar wel met de garantie dat je een leven lang gevrijwaard zou zijn van visgraatjes in je keel. En toch… altijd weer dat wantrouwen als er zo’n prachtige, goudgele makreel op het menu stond. Maar ik maakte het goed met Sint Blasius, ik brandde een kaarsje. Voor meer dan 60 jaar ongeloof…
Zo is de ene heilige toegankelijker dan de andere, de heilige Maria is daarbij misschien wel het meest geliefd, zelfs zo dat zij in de meeste kerken een eigen altaar verdient. In een niet nader te noemen kerk, het valt me namelijk zwaar om hierover te beginnen, ben ik de enige bezoeker. Alleen de koster rommelt wat met de overgebleven kaarsstompjes voor het Maria-altaar. De Madonna op de maansikkel uit het begin van de 15e eeuw kijkt wat meewarig op hem neer. Altijd maar die kaarsjes, die vragen, die smeekbeden aan haar adres. Wat zou zij toch graag eens haar maansikkel verlaten en zich mengen tussen de bezoekers en met hen mee naar buiten gaan, de markt op. Maar nee, zij heeft nu eenmaal de zorg voor het Kind op haar arm. En die geniet duidelijk van al die lichtjes beneden Hem. Waren alle heiligen maar zo gewoon, zo benaderbaar. Sommigen zijn zelfs, ook na een gedegen speurtocht, niet te ontdekken. Zelfs helemaal niet te vinden. Ik raap al mijn moed bij elkaar en spreek de koster aan. Waar ik de heilige Sint Juttemis misschien zou kunnen vinden? Zijn blik verandert van eerst ongeloof naar ernstig doordringend. “Sint Juttemis?” Ik voel dat ik een flater sla, want de koster kent zijn pappenheimers. “U bedoelt de heilige Sint-Judith, de sint-juttemis? “Ja. Ja” beaam ik misschien iets te vlug in het vooruitzicht een aanknopingspunt aangereikt te krijgen naar Sint Juttemis. “Op 17 augustus wordt er ter ere van haar een kerkdienst, een mis, gehouden, de sint-juttemis”. Ik knik instemmend, allang blij dat de aandacht verschoven is van de niet bestaande Sint-Juttemis naar de heilige Sint-Judith van 17 augustus. “17 augustus, met sint-juttemis als de kalveren op het ijs dansen” wrijft de koster mij nog even fijntjes in. Kalveren die op het ijs dansen? Op 17 augustus? Ik wil hier weg en wel zo snel mogelijk. Ik bedank de koster onhandig en vlucht langs het Maria-altaar snel de kerk uit. In het voorbijgaan maak ik even oogcontact met haar en zie een lieve glimlach om haar mond. Om haar zal ik terugkomen, voor de koster misschien ook. Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen…

Cees Sleven © mei 2017

Culturele zwerftocht door het oosten van Duitsland

Proloog

“Reizen is leven. En leven is absorberen met geopende ogen en met alle zintuigen op scherp. Hij die reist kiest bewust voor de eenzaamheid, maar weet zich onvoorwaardelijk getroost door de natuur. En laat zich weer verheffen door de cultuur waarnaar hij op zoek is”.

Altenstein_panorama

Laat dit het uitgangspunt zijn voor mijn culturele zwerftocht door Thüringen met zijn culturele brandpunten Erfurt en Eisenach met zijn levende herinneringen aan Schiller en Goethe en de alom aanwezige Bach. Het land waar nevels aan beboste heuvels hangen en Luther in alle eenzaamheid het Nieuwe Testament in het Duits vertaalde en de Reformatie begon.
Maar ik zal starten in Fulda, de barokke bisschopsstad van Bonifatius, om daar de route op te pakken waarlangs bisschoppen, dichters en schrijvers,componisten en culturele zwervers zich lieten en laten inspireren door het schone en mystieke van de natuur.
En natuurlijk doe ik jullie ook dit keer weer verslag van mijn belevenissen!


Over een bisschop die ratelt, en over een bisschop die vermoord is,
en ook nog over een dichter die in sprookjes gelooft…
Maandag, 10 april 2017

VLUU L100, M100 / Samsung L100, M100

Voor mijn culturele zwerftocht ben ik dit keer naar het oosten van Duitsland getrokken, naar het grensland tussen Hessen en Thüringen. Een stil en nog authentiek gebied waar industrie en natuur gedwongen hand in hand gaan. Dorpen en vakwerkstadjes liggen uitgestrooid tussen de beboste heuvels met huisjes in pastelkleuren. Oker, groen, roze. In harmonie met de kleuren die het ontluikende voorjaar daar uitbundig aan toevoegt. Vele tuintjes en erven zijn versiert met gekleurde eieren in de struiken, want het is de “Karwoche”, de Goede Week voor Pasen. Ook in de grote stad gaat deze week niet ongemerkt voorbij. Zo treft in in Fulda, de stad waar ik mijn zwerftocht begin, een grote menigte voornamelijk jongelui aan,  op het voorplein van de Dom. Deze staat verzameld rondom ‘s werelds grootse “Rhönklapper”, een immens grote ratel die in de Karwoche de zwijgende klokken vervangt. De “Rhön” is de vulkanische streek ten noordoosten van Fulda waar de jeugd op Paaszaterdag met ratels luidruchtig langs de deuren gaat onder het zingen van: “Wir haben geklappert fürs Heilige Grab und bitte um eine milde Gab” en hopen dan op gulle gaven in de vorm van paaseieren, geld en snoep. De bisschop zelf is hier naartoe gekomen en staat niet alleen als herder tussen zijn kudde, maar is hier ook om zich in het zweet te werken wanneer hij de Rhönklapper in beweging probeert te krijgen. En inderdaad, al gauw vult het geluid van de grote houten hamers die op het klankbord slaan het plein en kruipt tegen de barokke façade van de Dom omhoog tot in de torens, als troost voor de klokken die tot Paasmorgen moeten zwijgen. Er zijn heel veel zelfgemaakte ratels aanwezig, nieuwe maar ook heel oude waarmee opa’s waarschijnlijk zelf nog mee langs de deuren zijn gegaan. Want het is een hele gebeurtenis hier op het voorplein. Ouders, grootouders en heel veel kinderen moedigen de bisschop aan die applaus krijgt voor zijn noeste arbeid. De lokale media doen verslag, menig selfie met de bisschop wordt gemaakt.
Ik ga in de Dom intussen op zoek naar die andere bisschop, de heilige Bonifatius, die gek genoeg “Apostel van de Duitsers” wordt genoemd. Maar wij hadden hem toch vermoord? In ons eigen Friese Dokkum! Wel al een tijd geleden, op 5 juni 754. Maar de tijd heelt alle wonden en hij voelt toch een beetje van ons… In de crypte vind ik zijn graf en zijn beeltenis terwijl hij getroffen door het zwaard ter aarde stort terwijl de engelen hem een overwinningskrans aanreiken. Tevergeefs zoek ik naar een bijl als moordwapen. Altijd gedacht…
Later op de middag loop ik ook nog even de barokke kerk van Sint Blasius binnen. Want voor die heilige is een bedankje wel op zijn plaats. Als jongetje ontving ik meermalen de Blasiuszegen middels twee gekruiste kaarsen rond mijn keel plus een onverstaanbaar prevelement, maar wel met de garantie dat je een leven lang gevrijwaard zou zijn van visgraatjes in je keel. En toch… altijd weer dat wantrouwen als er zo’n prachtige, goudgele makreel op het menu staat. Maar nu maak ik het goed met Blasius, ik brand een kaarsje. Voor meer dan 60 jaar ongeloof.
Het was een fijne kennismaking met het barokke Fulda. Als ik de stad verlaat is de lucht dichtgetrokken en het reliëf bijna helemaal uit het landschap verdwenen. De typisch gevormde heuvels van de Rhön doemen somber op links en rechts van mij wanneer ik achter een kruipende tractor bijna tot stilstand kom. Het is ‘s werelds grootste “Rhönklapper” die huiswaarts keert en dezelfde bochtige, onoverzichtelijke route gaat die ik heb gekozen. Zal ik wel? Zal ik niet? Er voorbij gaan is eigenlijk geen optie. En dan… een stukje rechte weg voor me. Bonifatius, Blasius en Karl Opel, ik roep ze aan en geef gas…
Een uur later arriveer ik veilig in Villa Rossek te Bad Liebenstein in het Thüringer Wald. En statig gebouw met statige kamers waarin ik mij gelijk thuis voel. Op mijn verzoek is er speciaal een schrijftafeltje klaargezet van waaraf ik dit verslag zit te schrijven. Onder het toeziend oog van Ludwig Bechstein, de grote sprookjes- en sagendichter uit Thüringen. Inspirerend gezelschap op een inspirerende plek. In dit land van sprookjes en legenden. De avond is gevallen. Nevelflarden hangen aan de beboste heuvels, als geesten die ook nog wel een verhaal te vertellen hebben. Ik trek de gordijnen dicht en in plaats van een bijbel vind ik de “Verzamelde Sprookjes” van Ludwig Bechstein op mijn nachtkastje. En vanaf de wand ziet
Ludwig dat het goed is…


Mooi blauw is niet lelijk
, dinsdag 11 april 2017

VLUU L100, M100 / Samsung L100, M100

De dinsdag begint veelbelovend. Helder blauw met witte wattenwolken en ochtendlicht dat villa Rossek met zijn lichte pleister en bruin vakwerk nog meer doet opvallen tussen de andere stadsvilla’s in de straat. Ik ontbijt in het tuinhuis en maak kennis met mevrouw. Vriendelijk en behulpzaam verzorgt zij het perfecte ontbijt dat tot in detail is aangepast aan de tijd van het jaar. Verse voorjaarsbloemen op de tafeltjes, originele paasversieringen in de vensterbanken en zelfs de muziek, op sociale sterkte, heeft iets verwachtingsvol. Omdat ik vandaag een bezoek wil brengen aan Erfurt, de hoofdstad van Thüringen, voorziet zij mij van een stadsplan en tips over zaken die ik beslist niet mag missen.
De kortste weg naar Erfurt voert over de Rennsteig, dwars door het Thüringer Wald naar de noordelijke vlakte waarin Erfurt ligt. De gevaarlijke rit met voortdurend draaien en wenden, klimmen en dalen, is van een onbeschrijfelijke schoonheid. De voorjaarsochtend strooit stralen licht over de bomen in duizend kleuren groen in een adembenemend spel van licht en donker. Later, in de vlakte, herinneren blauwe heuvellijnen aan de horizon aan deze prachtige doorsteek.
In Erfurt kies ik voor een langzame opbouw van mijn zwerftocht die begint bij Karstadt in het winkelgebied en voert naar wat het hoogtepunt moet worden, een bezoek aan de Maria Dom op de Domplatz. Zo uit de parkeergarage, sta ik op de herenafdeling van warenhuis Karstadt. Slecht begin, en ik besluit buiten op het plein eerst te gaan voor een Milchkaffee in een trendy koffiebar. Daar ontmoet ik Svetlana, een vrouw van middelbare leeftijd, die in de kelderruimte de toiletten beheert. Als er even geen klanten zijn neemt zij plaats boven in de koffiebar op het eerste stoeltje bij de kelderdeur en laat haar schoteltje beneden onbeheerd achter. Zij vraagt waar ik vandaan kom. “Ah, aus Holland!”, dat kent ze en er volgt een onduidelijk verhaal over Geleen, randaarde stopcontacten en een waterkoker die zij de eerstvolgende keer mee wil nemen naar Holland. Eenmaal boven achter mijn Milchkaffee, wordt Svetlana door de eigenaresse terecht gewezen en verbannen naar haar plek beneden achter het schoteltje. Op dat moment trekt een wolk voor de zon alle gezelligheid uit de koffiebar. In het voorbijgaan complimenteer ik Svetlana nog met haar mooie, schone toiletten.
In de kapel van het Ursulinenklooster zitten opvallend veel nonnen in de gebedsbanken. Een authentieke foto van het interieur met nonnen op de voorgrond speelt door mijn hoofd. Kan ik dit maken? Mijn hand kent geen twijfel en gaat op zoek naar mijn camera. En net op het moment dat het glinsterend ding tevoorschijn komt gaat er een bel en komt de priester het altaar op voor de gebedsdienst. Terwijl de nonnen een gezang aanheffen knijp ik er tussenuit, want ik heb vandaag een druk programma. Voor het zingen de kerk uit, die tip heb ik niet meegekregen…
De Krämerbruecke is een hoog genoteerde tip van mijn gastvrouw en niet te missen door de drommen toeristen die langzaam aan de 32 vakwerkhuizen voorbij trekken die op de brug gebouwd zijn. Zeven bogen overspannen hier het riviertje de Gera en de brughuizen en huisjes zijn toebedeeld aan kunstenaars en antiekhandelaren. En ik mag zeggen: weinig “Made in China” spul. Nee, echt mooie en originele zaken, vaak uit de streek en ter plekke gemaakt. In een van de ateliers kom ik in gesprek over “Wede”, Waid, een klein onopvallend plantje dat Erfurt meer dan 500 jaar geleden grote rijkdom bracht en nu terecht een comeback maakt. Er wordt weer gekleurd in Erfurt! Met de beroemde blauwe kleurstof die alleen aanwezig is in de frisse bladeren van het eerste jaar. Het atelier ligt vol met kleurpigmenten en natuurlijk een kleine, maar exclusieve verzameling waidblauwe producten, ambachtelijk gekleurd met dit magische natuurblauw. Impulsaankoop nummer 1: een ansichtkaart in Erfurter Blau. Zal vanaf deze week ons toilet sieren.
Ik slenter verder langs de ateliers en stap een theaterwinkeltje binnen. Hier worden met veel liefde allerlei theaterfiguren en -poppen gemaakt. Pierrots, harlekijnen, sprookjesfiguren, kortom alles en iedereen om de mensheid te vermaken. Ik doe mijn 2e impulsaankoop: een kartonnen harlekijn die door middel van een trektouwtje viool speelt. Want ik speel geen viool, en ook al wens ik er een te hebben, het zou mij niet lukken. Aan een touwtje trekken dat gaat nog wel…
Ik nader de Domplatz, de zware kerkklokken laten een imposant welkom klinken. Maar de eerste aanblik op de Dom en de nabij gelegen Severikirche is zwaar teleurstellend: de voorjaarskermis belemmert bijna het hele uitzicht op dit ensemble op de heuvel. Ik eet mij moed in met een Thüringer Bradwurst alvorens de 70 treden te beklimmen richting Maria Dom. Het indrukwekkende interieur kent vele kunstschatten, bewonderd door honderden nietige mensjes die in de immense ruimte verloren lijken te gaan. Een groep Japanse toeristen vraagt zich af wat ze eigenlijk fotografeert: relieken, martelaren, kruisigingen, een vrouw met een kind op de arm en de mensheid onder haar mantel. Een schoolklas van de Walking Dead generatie staart in een openstaande kist met daarin een levensechte Jezus figuur, zojuist van het kruis gehaald en in de kist gelegd. Angstige kinderogen en veel zenuwachtig gegiechel, terwijl een bord op het altaar tot stilte maant. Buiten is de kermis losgebarsten en het angstige geschreeuw van kinderen vanuit de topattracties dringt door tot in het Godshuis. Hemelhoog gaan de gondels, het reuzenrad wedijvert met de Domtorens wie het verste in de hemel prikt. Een hemel die gaten laat vallen en Erfurts blauw laat zien. Erfurt, een stad om verliefd op te worden, juist vanwege de tegenstellingen. De stad is zeker geen monument, eerder een levende en in ieder geval een levendige stad. Waar trams door nauwe straatjes schuiven en Luther in menige etalage vertegenwoordigd is. Van hout, van steen, van chocola en zelfs van PlayMobiel. En in levende lijve, wanneer hij op de Fischmarkt onderricht geeft en zijn stellingen verdedigt…
Moe maar voldaan begin ik aan de terugweg, mijn blauwe Thueringer heuvels tegemoet voor opnieuw die spectaculaire doorsteek door het Thüringer Wald. De schaduwen van het late licht doven langzaam en de wolkentoppen boven de roerloze heuvels kleuren roze. Ik klim en ik daal in opperste concentratie. Ik weet mij onder Maria’s mantel. Van de langzaam aangroeiende file achter mij weet ik dat nog niet zo zeker…


Een wolkje natuur en een snuifje cultuur
,
Woensdag 12 april 2017

VLUU L100, M100 / Samsung L100, M100

Zoals beloofd aan mijzelf laat ik vandaag de stad de stad en stel ik mijn hele doen en laten in dienst van de natuur en cultuur. Ik besluit deze ochtend een flinke wandeling te maken en daarvoor trek ik opnieuw een stuk het Thüringer Wald in naar Schloss und Park Altenstein. Dit slot met landschapspark ligt even ten noorden van hier. Het park werd eind 18e eeuw aangelegd en daarna een aantal malen uitgebreid. Eind 19e eeuw liet Hertog Georg II von Sachsen-Meiningen (onthoud de naam, we komen hem later nog tegen) het slot bouwen in de stijl van de Engelse landhuizen. Tuin en natuur vloeien hier moeiteloos samen tot een prachtig parklandschap. Bossen worden afgewisseld door open weidegebieden die gestoffeerd zijn met bomen en boomgroepen. Uitgekiende zichtlijnen laten de blik dwalen in het dal van de Werra en op de bergen van de Rhön.Nog maar net op weg neem ik een gewaagde beslissing: de beklimming van de Bonifatiusrots, een van de vele kunstmatig aangelegde parkelementen. Het zou de eerste plek geweest zijn waar de heilige Bonifatius in 724 voet op Duitse bodem heeft gezet en zodoende het middelpunt werd van de bekering van deze streek. Op zo’n belangrijke rots moet ik gestaan hebben, maar waar ik geen rekening mee heb gehouden is mijn met de jaren toegenomen hoogtevrees. Ik maak een inschatting: Het aantal treden, een stevige leuning (weliswaar hier en daar onderbroken) en ongetwijfeld een uitzicht dat de moeite van het beklimmen waard zal zijn. Wat Bonifatius kon moet mij toch ook lukken. Een misrekening dus. Erop ging nog wel, maar terug sloeg de hoogtevrees ongenadig toe. Daar waar de leuning even afwezig was schoof ik op de billen, trede voor trede, naar beneden tot ik weer de vaste grond onder mijn voeten voelde. En dan te bedenken dat deze rotsklomp nog geen 5 meter hoog is en waarschijnlijk door mensenhand is neergelegd. Als ik boos ben op mezelf en twijfel aan Bonifatius waait een windvlaag mijn Tilleyhat van mijn hoofd. Als een oorvijg van de heilige zelf…
Gedwee vervolg ik mijn weg over het landgoed. Het is prachtig hier en ik geniet van de stilte. In het bos huldigen de vogels het voorjaar en tonen de beukenbomen hun eerste, tere groen. Bemoste rotsen springen naar voren en het bijzondere licht lokt mij verder en verder het bos in. Tot ik aan een waterval kom en het bos wijkt voor een schitterend uitzicht op het Werradal. Om mij heen vermengt zich het geluid van het vallende water zich met dat van de wind in de boomtoppen. Hoe verder ik dwaal, hoe groter groeit de oorverdovende stilte. Noem het eenzaamheid. Ik zou hier zomaar Goethe’s junge Werther tegen kunnen komen of een doelloos zwervende Ernest Christophor Dowson. Zij wisten wat lijden aan de eenzaamheid betekende.  Ik ontwaak uit mijn mijmeringen wanneer de zon alles in het volle licht zet en een prachtig reliëf aan de omgeving schenkt. Een gevoel van dankbaarheid overvalt mij, dankbaar om hier te mogen zijn. En dat gevoel met jullie te kunnen delen.
Ik kom aan de Duivelsbrug, weer zo’n romantisch landschapselement uit het eind van de 18e eeuw. Twee overhangende rotspartijen verbonden met een hangbrug. En weer maak ik een inschatting: Minder treden, een solide leuning en het schommelen van de brug valt erg mee. Ik waag het erop. De beloning is de moeite waard: het uitzicht op Schloss Altenstein in vogelperspectief. Mijn camera fotografeert deze climax in 3D en panorama. Ik hou met een hand stevig de leuning vast, het koordje van mijn Tilleyhat stevig onder mijn kin. In de grot onderaan de voet van de rots neem ik afscheid van deze bijzondere plek op dit bijzondere landgoed. Geheel in stijl, dat wel, in de filosofie van aflopende 18e eeuw, terwijl ik met de ogen naar het licht knipper: “Uit het duister verleden in een heldere toekomst”.
De middag is voor de cultuur, de cultuur van de stad Meiningen. In Meiningen, de theaterstad en de stad van Brahms, bezoek ik het hoogbarokke Schloss Elisabethenburg dat een museum herbergt waarin een rijke kunstcollectie is te zien, bijeengebracht door opeenvolgende adellijke lieden, met als belangrijkste figuren Hertog Anton Ulrich (18 kinderen bij 2 vrouwen, het verzamelen zat hem in het bloed wist de vrouwelijk suppoost mij in vertrouwen te vertellen) en -ja daar is hij weer- Hertog Georg II van Sachsen-Meiningen. Eerstgenoemde heeft mijn speciale belangstelling vanwege de grote verzameling romantische landschappen uit de 18e en 19e eeuw. Georg II was de “theater- en muziekman” en onderhield zich met beroemde componisten, musici en dirigenten en was nauw betrokken bij de oprichting van de beroemde Meininger Hofkapelle. Een prachtige verzameling muziekinstrumenten getuigt van zijn grote liefde voor de muziek.
Maar ik start mijn gang door het museum in de barokke zalen en vertrekken van de 1e verdieping, die vol hangen met romantische landschappen. Zalen met glimmende mozaïek parketvloeren waarop mijn schoenen piepend de stilte verbreken. Met kostbare Belgische wandtapijten en veel barok pleisterwerk. Ik zie de Duivelsbrug op een schilderij van Carl Wagner (1796-1867), 3x zo hoog als in werkelijkheid, maar wat heerlijk romantisch! Veel bekende namen kom ik tegen: Bachen, Wagners, Oranjes, een immens groot schilderij  van onze Ferdinand Bol waarop een uitdagend naakte Semele een ontmoeting heeft met Zeus. Zaal na zaal loop ik af, als ongeveer enige bezoeker in dit hele grote gebouw. Alleen wanneer ik langs wandhoge spiegels loop zijn we even met z’n tweeën. Ontroerd raak ik bij een maanlandschap van Aerd van der Neer dat ergens, enigszins bescheiden een plekje gekregen heeft op de dure houten lambrisering.
Op de 2e verdieping gaat alle aandacht uit naar de muziek, de grote passie van Hertog Georg II van Sachsen-Meiningen.Veel is er te zien over zijn connecties in het Meininger muziekleven, onder andere over de componist en latere dirigent van de Meininger Hofkapelle, Max Reger. Er is ook veel te luisteren en omdat het morgen Witte Donderdag is kies ik voor Max Reger’s “Requiem – opus 83” voor mannenkoor. Terwijl de koptelefoon mij afsluit van de omgeving richt mijn blik zich op de naastgelegen zaal waarin zich de verzameling middeleeuwse en Renaissance kunst bevindt. Aandoenlijke Madonna’s met kind, heiligenbeelden en crucifixen. Mijn oog wordt gevangen door een kruisafname, waarna dit beeld zich verbindt met het requiem op mijn oren. Met een dikke keel tot gevolg. De tweede vandaag. Het is een goede week voor diepe gevoelsmomenten…


Aimez-vous Bach?
Donderdag 13 april 2017

VLUU L100, M100 / Samsung L100, M100

De vraag of ik van Bach hou ga ik vandaag proefondervindelijk beantwoorden na een bezoek aan Bach’s geboortehuis in Eisenach. Johann Sebastian zou daar in 1685 geboren zijn en in dit museum zou mij een inkijkje gegund worden in het leven van de muzikantenfamilie Bach. “Zou”, want het tegendeel blijkt waar te wezen: J.S. is daar helemaal niet geboren, maar dit feit werd in de DDR-tijd strikt geheim gehouden uit angst dat de bezoekersaantallen flink zouden dalen. Zijn werkelijke geboortehuis blijkt niet meer te bestaan. Ik zal zien of ik hier overheen kan stappen, de dag is nog jong en het weer veelbelovend! Bovendien tipt mijn gastvrouw mij over een bijzondere wijk in het zuiden van de stad waar je als Jugendstil-liefhebber uren kunt ronddwalen en je hart kunt ophalen aan de prachtig gerenoveerde stadsvilla’s met hun vele ornamenten, kunstzinnige smeedijzeren hekken en een indrukwekkende variatie aan erkers en torens. In het morgenlicht laat Eisenach zich met deze unieke, samenhangende villawijk van zijn mooiste kant zien. Ik slenter over de straten, hoog en laag, langs kasten van huizen met tussendoor steeds weer zicht op de beroemde Wartburg boven me en de historische stad beneden me. Ik geniet, maar wel met een dubbel gevoel. Kwam de Jugendstil beweging niet voort uit het gevoel dat kunst en samenleving uit elkaar gegroeid waren met als resultaat ongelukkige mensen in een lelijke wereld? Kunst kon toch ook nuttig zijn? En nuttige dingen toch ook mooi? Dat zou leiden tot meer sociale rechtvaardigheid, betere woningen voor de arbeider en pensioenen voor de ouderen. Als dat de bedoeling was dan is men er hier, op deze plek, in doorgeslagen: Villa’s als paleizen met de dikste auto’s voor de deur. En op die deur niet alleen de naam, maar zeker ook de functie in het leven. Doktoren, accountants, bouwondernemers, advocaten. Het leven is blijkbaar goed in deze besloten wijk op de heuvel. Een mooie wereld die neerkijkt op ongetwijfeld nog steeds ongelukkige mensen.
Met ratelende banden over de keien daal ik af naar het centrum van Eisenach waar ik mij voor de parkeertijd van 90 minuten a 1,70 Euro de tijd geef om van Johann Sebastian Bach beter te leren kennen. Gelijk na binnenkomst in het Bachhaus word ik doorverwezen naar de instrumentenzaal waar een concertje gegeven wordt op barokke toetsinstrumenten. Uiteraard met grappige uitleg hoe het er toentertijd in huize Bach aan toeging, zeer gewaardeerd door de vele aanwezige jonge kinderen. Die J.S. was me er een, haalde allerlei fratsen uit en was niet vies van experimenten als het om instrumenten ging: Een snaartje meer of minder aan een strijkinstrument, instrumenten in mini of maxi uitvoering, uitvoeringen in ongewone bezettingen, het werpt al een ander licht op de man. In de zalen en zaaltjes loop je door zijn leven, langs al die plekken die zo belangrijk zijn geweest voor zijn componeren. Want de man heeft zeker niet stil gezeten, geen genre geschuwd en geen instrument onbenut gelaten. En niet alleen op muzikaal gebied: hij verwekte 20 kinderen bij 2 vrouwen en verslaat daarmee Hertog Anton Ulrich die we gisteren hebben leren kennen. Inderdaad, die J.S. was me er een!
In de moderne vleugel is heel veel te beluisteren, en met de opgedane, oppervlakkige kennis is het kiezen wel minder moeilijk geworden. Half liggend in een hangende, glazen eivormige stoel kies ik, gezien deze bijzondere week, voor het recitatief en koor “Und siehe da/Wahrlich” uit de Mattheuspassion, de dramatische scene volgend op Jezus’ dood waarin het volk verbijsterd de natuurverschijnselen, aardbeving en zonsverduistering, aanschouwt. Hier trek Bach alle registers open en zet hij ook muzikaal de wereld op zijn kop. Diep onder de indruk kruip ik uit mijn glazen ei en kijk als herboren tegen Johann Sebastian aan. Ik ben al een beetje meer van hem gaan houden…
Op de terugweg spotify ik de Mattheus in de auto en terwijl deze Witte Donderdag langzaam maar zeker vergrijst voel je gewoon dat er wat te gebeuren staat. Zwartgrijze regenwolken versmelten met de donkere contouren van de heuvels om mij heen. Eenmaal thuis zwijgen de vogels en na een laatste oproep aan de kerkgangers de kerkklokken ook…
En dan is het wachten op Pasen. Duitsland is vanaf nu vrij en een groot gedeelte zal met mij westwaarts reizen. Hopelijk wordt dat toch een goede vrijdag…


Epiloog
, vrijdag 14 april 2017

VLUU L100, M100 / Samsung L100, M100

Was ik gisteren nog de enige gast in Villa Rossek, vanochtend is het een gezellige drukte in het ontbijthuisje in de tuin. Niet alleen zijn alle tafeltjes bezet, ze stralen ook Paasvreugde uit met verse voorjaarsbloemen en gekleurde eieren in de dopjes. Een keur aan zelfgemaakte jammetjes doet moeilijk kiezen, maar na vier dagen ontbijt is de sinaasappel/chili mijn favoriet. Mijn gastvrouw schenkt me koffie na koffie in en voorziet mij van wat laatste tips voor de terugreis, want vandaag laat ik deze heerlijke Jugendstil villa uit 1906 weer achter me. Langzaam zoom ik uit: Bad Liebenstein, het Thüringer Wald, deze smeltkroes van Duitse cultuur, historie en natuur. De blauwe hoogten ebben langzaam weg wanneer ik de autobahn weer opzoek. In mijn culturele bagage neem ik nieuwe vrienden met mij mee huiswaarts: De hertogen Anton Ulrich en Georg II von Sachsen-Meiningen met hun fraaie kunstverzamelingen, Johann Sebastian Bach die mij in Eisenach een muzikaal lesje heeft geleerd en natuurlijk Sylke & Uwe Rossek mijn voortreffelijke gastvrouw en –heer in Bad Liebenstein. O ja, en daar was nog die sprookjes-  en sagendichter Ludwig Bechstein onder wiens toeziend portret ik deze reisverslagen geschreven heb, terwijl de vroege voorjaarszon langzaam wegkroop achter de nog kale takken en de bossen van het Thüringer Wald in diepe slaap gewiegd werden. Dan brak het moment aan dat de magie aan zet was en het schemerland tot leven kwam bij het schijnsel van de maan. Dan fluisterde het tussen de stenen op de heuveltop en ruiste het rondom de open plekken in het woud. Ik kreeg op die avonden bezoek in mijn nederig hart van hen die reeds lang niet meer onder ons zijn, zij die schreven over dat schemerland dat naar binnen gluurde door mijn venster. Ik liet mij omarmen door de schaduwen in mijn kamer en mij meevoeren op flarden van mist, langs de rivier, door het bos naar het land van weleer. En dan omspeelde een glimlach Ludwigs mond…

Cees Sleven © april 2017 / Foto’s: Samsung L100 digital

Ik ben niet wat jij denkt dat ik ben

Misschien beter “Ik ben niet wat U denkt dat ik ben”, want deze dame spreek ik uit eerbied aan met “U”. Iedere maandagochtend klokslag 09.15 uur zit zij keurig opgedoft in de hal van het verzorgingshuis te wachten op het busje dat haar naar de dagbesteding zal brengen. In een verder helemaal lege hal, de receptie nog omgeven door een traliehekwerk, het winkeltje nog gesloten.
Een kwartier te vroeg zit zij daar helemaal alleen, leunend op haar rollator, wachtend op de dingen die komen gaan. Ze tovert een glimlach op haar gezicht als ik, ook een kwartier te vroeg, de hal binnen stap op weg naar mijn wekelijkse portie fitness in een achteraf zaaltje van dat zelfde verzorgingshuis. “Goedemorgen, hoe gaat het met u?” open ik traditiegetrouw het gesprek dat week na week minder oppervlakkig is geworden. Eerst was er alleen een beleefde begroeting, maar via een geanimeerd praatje kwam het al snel tot een serieus gesprek, een gebeurtenis waarnaar zij elke week lijkt uit te kijken. En ook ik ga erin mee, telkens weer onder de indruk van deze schrandere, gedistingeerde 80+ dame . De haren mooi gekapt-misschien iets te donker voor haar leeftijd- lichtjes opgemaakt en goed in de kleren, maakt zij haar opwachting en informeert bij mij naar de wereld buiten het verzorgingshuis. Over het weer, over het wereldnieuws, over mijn vorderingen op de fitness. In ruil gunt zij mij een kijkje in haar leven. Over haar veel te vroeg gestorven echtgenoot. Over alleen zijn en over haar kleinkinderen die ze veel te weinig ziet. Over het wekelijkse loopje van één hoog helemaal naar de hal beneden. En tenslotte over de eenzaamheid die haar in zijn greep heeft. Een spelletje bridge of bingo op de dagbesteding verdrijven deze niet, laten de eenzaamheid hoogstens voor een paar uurtjes achter in haar appartement, waarin zij straks voor de rest van de week zal terugkeren. Hoe schat zij dit wekelijks kwartiertje in de hal in? Hoe schat zij mij in, zijn er misschien verwachtingen die zij koestert? Er zijn veel vragen die niet gesteld worden. Laat staan dat er antwoorden komen op die vragen. Misschien zijn plaats en tijd niet de juiste of staan wij ieder aan een andere zijde van de muur die eenzaamheid heet.
Vanochtend miste ik haar op het vertrouwde plekje in de hal. Een lege hal gevolgd door een leeg kwartiertje. “Ze gaat vanmiddag naar een diavoorstelling over de dieren in de dierentuin”, wist de koffiejuffrouw mij te melden na de fitness. “En ze is helemaal in de war”, voegde zij er nog fijntjes aan toe. “Zij zal uw praatje gemist hebben vanochtend”.
Shit, Ik voel me betrapt! Ik doe me voor als een sociaal medemens, iemand met voldoende ruimte in de kofferbak voor een rollator. Maar in werkelijkheid heb ik allerlei zwakke excuses om niet in actie te hoeven komen. “Geen tijd, en wat zal men er wel van denken? Of is het gewoon angst om het haar rechtstreeks te vragen? Is het nou allemaal zo moeilijk? En wees nou eerlijk: met een dierentuin zo dichtbij is het toch veel leuker om beesten in het echt te gaan bekijken!” “Gun haar die laatste gang door de jungle, en die laatste blik over de savanne”, knaagt mijn geweten. “Jij bent de tijd en bij machte de klok terug te draaien naar de jaren van haar jeugd”.
En opnieuw vraag ik bedenktijd. Een kwartiertje. Volgende week…

Cees Sleven © maart 2017