Category Archives: Uncategorized

Archie, de man van staal

 

Er was eens…
Er was eens een held, een held uit mijn jeugd.
Archie was zijn naam, Archie de man van staal. Archie was een robot.
Ik verslond zijn avonturen, elke keer weer als de nieuwe Sjors door de postbode bezorgd was.
Archie was ongelofelijk sterk en handig, waardoor hij zich steeds uit de meest onmogelijke situaties wist te redden. Hij beleefde samen met de vrienden Ted en Ken de wildste avonturen en o wat zou ik graag deel uitmaken van die vriendenclub! Reizend over de hele wereld, het ene na het andere avontuur belevend en je altijd beschermd weten door Archie de man van staal!

Bij ons in de buurt was een kleine speelgoedwinkel die gedreven werd door een stokoud mannetje dat ik in de winkel heen en weer zag schuiven wanneer ik, met de neus tegen de winkelruit gedrukt, al het moois in de etalage bewonderde. Met mijn mouw veegde ik dan de condens van de ruit voor een nog helderder blik. En daar stond mijn held: 20 cm metaal te schitteren in het invallende zonlicht. Fier stond hij daar, een beetje achteraan, maar met een open blik naar buiten gericht en met een glimlach op het gezicht.
Op een dag schraapte ik al mijn zakgeld en moed bij elkaar en na een laatste blik in de etalage ging ik het winkeltje van de oude man binnen. Nog maar even en dan zou Archie mijn leven binnenstappen. Hoe anders voelde het daarbinnen. Was het het stof en de muffe geur van het oude speelgoed, of toch iets anders? Ik voelde dat ik daarbinnen werd gadegeslagen, of afgeluisterd, of misschien wel beide. Als ik muisstil midden in de winkel stond, voelde ik dat iemand tegen mij probeerde te praten. Maar er was verder niemand, de oude baas schuifelde wat achter in het magazijn en al het speelgoed stond bewegingsloos op de planken.
Toch was er aan een van de poppen iets bijzonders. Een mannetje, gemaakt van stokjes en stalen veren lag op de grond tussen de etalage en de wandkast. Ik raapte hem op zette hem op de dichtstbijzijnde plank. Maar hij wilde niet blijven staan. Ik bleef proberen hem rechtop te houden tegen de achterwand, maar hij zakte steeds in elkaar. Zijn ogen waren half gesloten waardoor hij er vermoeid uitzag. Zijn veren lichaam wilde niet meer. Half liggend op de plank liet ik hem achter op weg naar Archie, mijn held.
Voorzichtig lichtte de oude man voor mij de blikken pop van de plank en met het zakgeld stevig in mijn vuist geklemd volgde ik hem naar de toonbank. En daar lag hij weer op de grond, de verenman, onderuit gegleden en van zijn plank gevallen. Nu was het de beurt van de man de pop op te rapen en even later stond mijn Archie en lag de verenman gebroederlijk naast elkaar op de toonbank. Plots veerde de verenman op, spande al zijn veren en toverde een brede glimlach op het gezicht. Archie kreeg een twinkeling in de ogen. Ik keek er met opengevallen mond naar. Dit was de oude man niet ontgaan.

“Goed gespaard jongen?”, vroeg de man.
“Precies gepast meneer”, antwoordde ik trots.
“Neem ze allebei maar mee, je krijgt er twee voor de prijs van één. Zorg maar goed voor ze jongen, ik denk dat ze bij jou een spannender leven zullen hebben!”.

Dankbaar en in de blijde verwachting binnenkort definitief opgenomen te zullen worden in de vriendenclub, nam ik afscheid van de oude man en liep met mijn beide helden in de armen geklemd naar de winkeldeur. Daar, op een lage plank, stond stoffen olifant, grijs met wit en kraaloogjes En een lange snuit. Die blies toen ook dit verhaaltje uit…

Cees Sleven © juni 2017
Tekening: Petra Heezen

NOOIT

Het zal u niet ontgaan zijn: Paus Franciscus heeft deze dagen een bezoek gebracht aan Portugal en aan het plaatsje Fatima in het bijzonder om daar een tweetal herdersjongens heilig te verklaren die in 1917 een aantal verschijningen van Maria hebben beleefd. Een niet alledaags jongensavontuur toch? Twee herdersjongens toegevoegd aan de grote schare heiligen die inmiddels de hemel bevolken. En die heiligen fascineren mij. Vanaf het moment dat ik als kleine misdienaar samen met hun aardse afbeelding vanaf het altaar over de kerkgangers uitkeek, tot op heden wanneer ik mij op mijn culture zwerftochten laat imponeren door hun gestrenge blik, altijd iets van bovenaf en zodanig dat ik mijn hoofd wel omhoog MOET richten. Sommige ontmoetingen zijn geheel toevallig, andere het resultaat van een intensieve speurtocht, maar altijd eindigend met een gevoel van ontzag voor het veel betere leven dat zij geleid hebben en de imposante kennissenkring waartoe zij nu behoren.
Zo was er die ontmoeting met de heilige Sint Edern, ergens op een typisch Bretonse begraafplaats, waar zijn blik vanonder het Calvaire-kruis op mij rustte. Sint Edern, eens een krijger in het gezelschap van koning Arthur, overgekomen uit Groot-Brittannië leefde daar in het land Argoat, het bosland, als kluizenaar. Hij stond daar inderdaad wat teruggetrokken in het gezelschap van het hert, symbool van hoop en wederopstanding, zinnebeeld voor Christus… Het hert Cernunnos… Heidense en christelijke symboliek gingen daar in het warme oktoberlicht hand in hand. Zoals dood en leven.
In het Franse Amiens ben ik op zoek. Op zoek naar de schedel van de heilige Johannes de Doper, althans een gedeelte ervan. Voor deze bijzondere relikwie, in 1206 meegenomen van een kruistocht, was het uiteraard nodig om een met niets te vergelijken relikwieschrijn te bouwen, waaraan in de eeuwen daarna vele pelgrims voorbij zouden trekken ter bedevaart. In spitsboogvormige nissen wordt, als voorloper van ons huidig stripverhaal, door veelkleurige beeldengroepen het leven van
Johannes de Doper verteld, tot aan het in ontvangst nemen van zijn hoofd in Amiens.
Ik zit volop in het drama: Het geweld is zo realistisch dat Salomé, de dochter van Herodes, flauw valt in de armen van een dienaar…
Laatst nog liep ik in het Duitse Fulda de barokke kerk van de heilige Sint Blasius binnen. Want voor die heilige was een bedankje wel op zijn plaats. Als jongetje ontving ik meermalen de Blasiuszegen middels twee gekruiste kaarsen rond mijn keel plus een onverstaanbaar prevelement, maar wel met de garantie dat je een leven lang gevrijwaard zou zijn van visgraatjes in je keel. En toch… altijd weer dat wantrouwen als er zo’n prachtige, goudgele makreel op het menu stond. Maar ik maakte het goed met Sint Blasius, ik brandde een kaarsje. Voor meer dan 60 jaar ongeloof…
Zo is de ene heilige toegankelijker dan de andere, de heilige Maria is daarbij misschien wel het meest geliefd, zelfs zo dat zij in de meeste kerken een eigen altaar verdient. In een niet nader te noemen kerk, het valt me namelijk zwaar om hierover te beginnen, ben ik de enige bezoeker. Alleen de koster rommelt wat met de overgebleven kaarsstompjes voor het Maria-altaar. De Madonna op de maansikkel uit het begin van de 15e eeuw kijkt wat meewarig op hem neer. Altijd maar die kaarsjes, die vragen, die smeekbeden aan haar adres. Wat zou zij toch graag eens haar maansikkel verlaten en zich mengen tussen de bezoekers en met hen mee naar buiten gaan, de markt op. Maar nee, zij heeft nu eenmaal de zorg voor het Kind op haar arm. En die geniet duidelijk van al die lichtjes beneden Hem. Waren alle heiligen maar zo gewoon, zo benaderbaar. Sommigen zijn zelfs, ook na een gedegen speurtocht, niet te ontdekken. Zelfs helemaal niet te vinden. Ik raap al mijn moed bij elkaar en spreek de koster aan. Waar ik de heilige Sint Juttemis misschien zou kunnen vinden? Zijn blik verandert van eerst ongeloof naar ernstig doordringend. “Sint Juttemis?” Ik voel dat ik een flater sla, want de koster kent zijn pappenheimers. “U bedoelt de heilige Sint-Judith, de sint-juttemis? “Ja. Ja” beaam ik misschien iets te vlug in het vooruitzicht een aanknopingspunt aangereikt te krijgen naar Sint Juttemis. “Op 17 augustus wordt er ter ere van haar een kerkdienst, een mis, gehouden, de sint-juttemis”. Ik knik instemmend, allang blij dat de aandacht verschoven is van de niet bestaande Sint-Juttemis naar de heilige Sint-Judith van 17 augustus. “17 augustus, met sint-juttemis als de kalveren op het ijs dansen” wrijft de koster mij nog even fijntjes in. Kalveren die op het ijs dansen? Op 17 augustus? Ik wil hier weg en wel zo snel mogelijk. Ik bedank de koster onhandig en vlucht langs het Maria-altaar snel de kerk uit. In het voorbijgaan maak ik even oogcontact met haar en zie een lieve glimlach om haar mond. Om haar zal ik terugkomen, voor de koster misschien ook. Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen…

Cees Sleven © mei 2017

Culturele zwerftocht door het oosten van Duitsland

Proloog

“Reizen is leven. En leven is absorberen met geopende ogen en met alle zintuigen op scherp. Hij die reist kiest bewust voor de eenzaamheid, maar weet zich onvoorwaardelijk getroost door de natuur. En laat zich weer verheffen door de cultuur waarnaar hij op zoek is”.

Altenstein_panorama

Laat dit het uitgangspunt zijn voor mijn culturele zwerftocht door Thüringen met zijn culturele brandpunten Erfurt en Eisenach met zijn levende herinneringen aan Schiller en Goethe en de alom aanwezige Bach. Het land waar nevels aan beboste heuvels hangen en Luther in alle eenzaamheid het Nieuwe Testament in het Duits vertaalde en de Reformatie begon.
Maar ik zal starten in Fulda, de barokke bisschopsstad van Bonifatius, om daar de route op te pakken waarlangs bisschoppen, dichters en schrijvers,componisten en culturele zwervers zich lieten en laten inspireren door het schone en mystieke van de natuur.
En natuurlijk doe ik jullie ook dit keer weer verslag van mijn belevenissen!


Over een bisschop die ratelt, en over een bisschop die vermoord is,
en ook nog over een dichter die in sprookjes gelooft…
Maandag, 10 april 2017

VLUU L100, M100 / Samsung L100, M100

Voor mijn culturele zwerftocht ben ik dit keer naar het oosten van Duitsland getrokken, naar het grensland tussen Hessen en Thüringen. Een stil en nog authentiek gebied waar industrie en natuur gedwongen hand in hand gaan. Dorpen en vakwerkstadjes liggen uitgestrooid tussen de beboste heuvels met huisjes in pastelkleuren. Oker, groen, roze. In harmonie met de kleuren die het ontluikende voorjaar daar uitbundig aan toevoegt. Vele tuintjes en erven zijn versiert met gekleurde eieren in de struiken, want het is de “Karwoche”, de Goede Week voor Pasen. Ook in de grote stad gaat deze week niet ongemerkt voorbij. Zo treft in in Fulda, de stad waar ik mijn zwerftocht begin, een grote menigte voornamelijk jongelui aan,  op het voorplein van de Dom. Deze staat verzameld rondom ‘s werelds grootse “Rhönklapper”, een immens grote ratel die in de Karwoche de zwijgende klokken vervangt. De “Rhön” is de vulkanische streek ten noordoosten van Fulda waar de jeugd op Paaszaterdag met ratels luidruchtig langs de deuren gaat onder het zingen van: “Wir haben geklappert fürs Heilige Grab und bitte um eine milde Gab” en hopen dan op gulle gaven in de vorm van paaseieren, geld en snoep. De bisschop zelf is hier naartoe gekomen en staat niet alleen als herder tussen zijn kudde, maar is hier ook om zich in het zweet te werken wanneer hij de Rhönklapper in beweging probeert te krijgen. En inderdaad, al gauw vult het geluid van de grote houten hamers die op het klankbord slaan het plein en kruipt tegen de barokke façade van de Dom omhoog tot in de torens, als troost voor de klokken die tot Paasmorgen moeten zwijgen. Er zijn heel veel zelfgemaakte ratels aanwezig, nieuwe maar ook heel oude waarmee opa’s waarschijnlijk zelf nog mee langs de deuren zijn gegaan. Want het is een hele gebeurtenis hier op het voorplein. Ouders, grootouders en heel veel kinderen moedigen de bisschop aan die applaus krijgt voor zijn noeste arbeid. De lokale media doen verslag, menig selfie met de bisschop wordt gemaakt.
Ik ga in de Dom intussen op zoek naar die andere bisschop, de heilige Bonifatius, die gek genoeg “Apostel van de Duitsers” wordt genoemd. Maar wij hadden hem toch vermoord? In ons eigen Friese Dokkum! Wel al een tijd geleden, op 5 juni 754. Maar de tijd heelt alle wonden en hij voelt toch een beetje van ons… In de crypte vind ik zijn graf en zijn beeltenis terwijl hij getroffen door het zwaard ter aarde stort terwijl de engelen hem een overwinningskrans aanreiken. Tevergeefs zoek ik naar een bijl als moordwapen. Altijd gedacht…
Later op de middag loop ik ook nog even de barokke kerk van Sint Blasius binnen. Want voor die heilige is een bedankje wel op zijn plaats. Als jongetje ontving ik meermalen de Blasiuszegen middels twee gekruiste kaarsen rond mijn keel plus een onverstaanbaar prevelement, maar wel met de garantie dat je een leven lang gevrijwaard zou zijn van visgraatjes in je keel. En toch… altijd weer dat wantrouwen als er zo’n prachtige, goudgele makreel op het menu staat. Maar nu maak ik het goed met Blasius, ik brand een kaarsje. Voor meer dan 60 jaar ongeloof.
Het was een fijne kennismaking met het barokke Fulda. Als ik de stad verlaat is de lucht dichtgetrokken en het reliëf bijna helemaal uit het landschap verdwenen. De typisch gevormde heuvels van de Rhön doemen somber op links en rechts van mij wanneer ik achter een kruipende tractor bijna tot stilstand kom. Het is ‘s werelds grootste “Rhönklapper” die huiswaarts keert en dezelfde bochtige, onoverzichtelijke route gaat die ik heb gekozen. Zal ik wel? Zal ik niet? Er voorbij gaan is eigenlijk geen optie. En dan… een stukje rechte weg voor me. Bonifatius, Blasius en Karl Opel, ik roep ze aan en geef gas…
Een uur later arriveer ik veilig in Villa Rossek te Bad Liebenstein in het Thüringer Wald. En statig gebouw met statige kamers waarin ik mij gelijk thuis voel. Op mijn verzoek is er speciaal een schrijftafeltje klaargezet van waaraf ik dit verslag zit te schrijven. Onder het toeziend oog van Ludwig Bechstein, de grote sprookjes- en sagendichter uit Thüringen. Inspirerend gezelschap op een inspirerende plek. In dit land van sprookjes en legenden. De avond is gevallen. Nevelflarden hangen aan de beboste heuvels, als geesten die ook nog wel een verhaal te vertellen hebben. Ik trek de gordijnen dicht en in plaats van een bijbel vind ik de “Verzamelde Sprookjes” van Ludwig Bechstein op mijn nachtkastje. En vanaf de wand ziet
Ludwig dat het goed is…


Mooi blauw is niet lelijk
, dinsdag 11 april 2017

VLUU L100, M100 / Samsung L100, M100

De dinsdag begint veelbelovend. Helder blauw met witte wattenwolken en ochtendlicht dat villa Rossek met zijn lichte pleister en bruin vakwerk nog meer doet opvallen tussen de andere stadsvilla’s in de straat. Ik ontbijt in het tuinhuis en maak kennis met mevrouw. Vriendelijk en behulpzaam verzorgt zij het perfecte ontbijt dat tot in detail is aangepast aan de tijd van het jaar. Verse voorjaarsbloemen op de tafeltjes, originele paasversieringen in de vensterbanken en zelfs de muziek, op sociale sterkte, heeft iets verwachtingsvol. Omdat ik vandaag een bezoek wil brengen aan Erfurt, de hoofdstad van Thüringen, voorziet zij mij van een stadsplan en tips over zaken die ik beslist niet mag missen.
De kortste weg naar Erfurt voert over de Rennsteig, dwars door het Thüringer Wald naar de noordelijke vlakte waarin Erfurt ligt. De gevaarlijke rit met voortdurend draaien en wenden, klimmen en dalen, is van een onbeschrijfelijke schoonheid. De voorjaarsochtend strooit stralen licht over de bomen in duizend kleuren groen in een adembenemend spel van licht en donker. Later, in de vlakte, herinneren blauwe heuvellijnen aan de horizon aan deze prachtige doorsteek.
In Erfurt kies ik voor een langzame opbouw van mijn zwerftocht die begint bij Karstadt in het winkelgebied en voert naar wat het hoogtepunt moet worden, een bezoek aan de Maria Dom op de Domplatz. Zo uit de parkeergarage, sta ik op de herenafdeling van warenhuis Karstadt. Slecht begin, en ik besluit buiten op het plein eerst te gaan voor een Milchkaffee in een trendy koffiebar. Daar ontmoet ik Svetlana, een vrouw van middelbare leeftijd, die in de kelderruimte de toiletten beheert. Als er even geen klanten zijn neemt zij plaats boven in de koffiebar op het eerste stoeltje bij de kelderdeur en laat haar schoteltje beneden onbeheerd achter. Zij vraagt waar ik vandaan kom. “Ah, aus Holland!”, dat kent ze en er volgt een onduidelijk verhaal over Geleen, randaarde stopcontacten en een waterkoker die zij de eerstvolgende keer mee wil nemen naar Holland. Eenmaal boven achter mijn Milchkaffee, wordt Svetlana door de eigenaresse terecht gewezen en verbannen naar haar plek beneden achter het schoteltje. Op dat moment trekt een wolk voor de zon alle gezelligheid uit de koffiebar. In het voorbijgaan complimenteer ik Svetlana nog met haar mooie, schone toiletten.
In de kapel van het Ursulinenklooster zitten opvallend veel nonnen in de gebedsbanken. Een authentieke foto van het interieur met nonnen op de voorgrond speelt door mijn hoofd. Kan ik dit maken? Mijn hand kent geen twijfel en gaat op zoek naar mijn camera. En net op het moment dat het glinsterend ding tevoorschijn komt gaat er een bel en komt de priester het altaar op voor de gebedsdienst. Terwijl de nonnen een gezang aanheffen knijp ik er tussenuit, want ik heb vandaag een druk programma. Voor het zingen de kerk uit, die tip heb ik niet meegekregen…
De Krämerbruecke is een hoog genoteerde tip van mijn gastvrouw en niet te missen door de drommen toeristen die langzaam aan de 32 vakwerkhuizen voorbij trekken die op de brug gebouwd zijn. Zeven bogen overspannen hier het riviertje de Gera en de brughuizen en huisjes zijn toebedeeld aan kunstenaars en antiekhandelaren. En ik mag zeggen: weinig “Made in China” spul. Nee, echt mooie en originele zaken, vaak uit de streek en ter plekke gemaakt. In een van de ateliers kom ik in gesprek over “Wede”, Waid, een klein onopvallend plantje dat Erfurt meer dan 500 jaar geleden grote rijkdom bracht en nu terecht een comeback maakt. Er wordt weer gekleurd in Erfurt! Met de beroemde blauwe kleurstof die alleen aanwezig is in de frisse bladeren van het eerste jaar. Het atelier ligt vol met kleurpigmenten en natuurlijk een kleine, maar exclusieve verzameling waidblauwe producten, ambachtelijk gekleurd met dit magische natuurblauw. Impulsaankoop nummer 1: een ansichtkaart in Erfurter Blau. Zal vanaf deze week ons toilet sieren.
Ik slenter verder langs de ateliers en stap een theaterwinkeltje binnen. Hier worden met veel liefde allerlei theaterfiguren en -poppen gemaakt. Pierrots, harlekijnen, sprookjesfiguren, kortom alles en iedereen om de mensheid te vermaken. Ik doe mijn 2e impulsaankoop: een kartonnen harlekijn die door middel van een trektouwtje viool speelt. Want ik speel geen viool, en ook al wens ik er een te hebben, het zou mij niet lukken. Aan een touwtje trekken dat gaat nog wel…
Ik nader de Domplatz, de zware kerkklokken laten een imposant welkom klinken. Maar de eerste aanblik op de Dom en de nabij gelegen Severikirche is zwaar teleurstellend: de voorjaarskermis belemmert bijna het hele uitzicht op dit ensemble op de heuvel. Ik eet mij moed in met een Thüringer Bradwurst alvorens de 70 treden te beklimmen richting Maria Dom. Het indrukwekkende interieur kent vele kunstschatten, bewonderd door honderden nietige mensjes die in de immense ruimte verloren lijken te gaan. Een groep Japanse toeristen vraagt zich af wat ze eigenlijk fotografeert: relieken, martelaren, kruisigingen, een vrouw met een kind op de arm en de mensheid onder haar mantel. Een schoolklas van de Walking Dead generatie staart in een openstaande kist met daarin een levensechte Jezus figuur, zojuist van het kruis gehaald en in de kist gelegd. Angstige kinderogen en veel zenuwachtig gegiechel, terwijl een bord op het altaar tot stilte maant. Buiten is de kermis losgebarsten en het angstige geschreeuw van kinderen vanuit de topattracties dringt door tot in het Godshuis. Hemelhoog gaan de gondels, het reuzenrad wedijvert met de Domtorens wie het verste in de hemel prikt. Een hemel die gaten laat vallen en Erfurts blauw laat zien. Erfurt, een stad om verliefd op te worden, juist vanwege de tegenstellingen. De stad is zeker geen monument, eerder een levende en in ieder geval een levendige stad. Waar trams door nauwe straatjes schuiven en Luther in menige etalage vertegenwoordigd is. Van hout, van steen, van chocola en zelfs van PlayMobiel. En in levende lijve, wanneer hij op de Fischmarkt onderricht geeft en zijn stellingen verdedigt…
Moe maar voldaan begin ik aan de terugweg, mijn blauwe Thueringer heuvels tegemoet voor opnieuw die spectaculaire doorsteek door het Thüringer Wald. De schaduwen van het late licht doven langzaam en de wolkentoppen boven de roerloze heuvels kleuren roze. Ik klim en ik daal in opperste concentratie. Ik weet mij onder Maria’s mantel. Van de langzaam aangroeiende file achter mij weet ik dat nog niet zo zeker…


Een wolkje natuur en een snuifje cultuur
,
Woensdag 12 april 2017

VLUU L100, M100 / Samsung L100, M100

Zoals beloofd aan mijzelf laat ik vandaag de stad de stad en stel ik mijn hele doen en laten in dienst van de natuur en cultuur. Ik besluit deze ochtend een flinke wandeling te maken en daarvoor trek ik opnieuw een stuk het Thüringer Wald in naar Schloss und Park Altenstein. Dit slot met landschapspark ligt even ten noorden van hier. Het park werd eind 18e eeuw aangelegd en daarna een aantal malen uitgebreid. Eind 19e eeuw liet Hertog Georg II von Sachsen-Meiningen (onthoud de naam, we komen hem later nog tegen) het slot bouwen in de stijl van de Engelse landhuizen. Tuin en natuur vloeien hier moeiteloos samen tot een prachtig parklandschap. Bossen worden afgewisseld door open weidegebieden die gestoffeerd zijn met bomen en boomgroepen. Uitgekiende zichtlijnen laten de blik dwalen in het dal van de Werra en op de bergen van de Rhön.Nog maar net op weg neem ik een gewaagde beslissing: de beklimming van de Bonifatiusrots, een van de vele kunstmatig aangelegde parkelementen. Het zou de eerste plek geweest zijn waar de heilige Bonifatius in 724 voet op Duitse bodem heeft gezet en zodoende het middelpunt werd van de bekering van deze streek. Op zo’n belangrijke rots moet ik gestaan hebben, maar waar ik geen rekening mee heb gehouden is mijn met de jaren toegenomen hoogtevrees. Ik maak een inschatting: Het aantal treden, een stevige leuning (weliswaar hier en daar onderbroken) en ongetwijfeld een uitzicht dat de moeite van het beklimmen waard zal zijn. Wat Bonifatius kon moet mij toch ook lukken. Een misrekening dus. Erop ging nog wel, maar terug sloeg de hoogtevrees ongenadig toe. Daar waar de leuning even afwezig was schoof ik op de billen, trede voor trede, naar beneden tot ik weer de vaste grond onder mijn voeten voelde. En dan te bedenken dat deze rotsklomp nog geen 5 meter hoog is en waarschijnlijk door mensenhand is neergelegd. Als ik boos ben op mezelf en twijfel aan Bonifatius waait een windvlaag mijn Tilleyhat van mijn hoofd. Als een oorvijg van de heilige zelf…
Gedwee vervolg ik mijn weg over het landgoed. Het is prachtig hier en ik geniet van de stilte. In het bos huldigen de vogels het voorjaar en tonen de beukenbomen hun eerste, tere groen. Bemoste rotsen springen naar voren en het bijzondere licht lokt mij verder en verder het bos in. Tot ik aan een waterval kom en het bos wijkt voor een schitterend uitzicht op het Werradal. Om mij heen vermengt zich het geluid van het vallende water zich met dat van de wind in de boomtoppen. Hoe verder ik dwaal, hoe groter groeit de oorverdovende stilte. Noem het eenzaamheid. Ik zou hier zomaar Goethe’s junge Werther tegen kunnen komen of een doelloos zwervende Ernest Christophor Dowson. Zij wisten wat lijden aan de eenzaamheid betekende.  Ik ontwaak uit mijn mijmeringen wanneer de zon alles in het volle licht zet en een prachtig reliëf aan de omgeving schenkt. Een gevoel van dankbaarheid overvalt mij, dankbaar om hier te mogen zijn. En dat gevoel met jullie te kunnen delen.
Ik kom aan de Duivelsbrug, weer zo’n romantisch landschapselement uit het eind van de 18e eeuw. Twee overhangende rotspartijen verbonden met een hangbrug. En weer maak ik een inschatting: Minder treden, een solide leuning en het schommelen van de brug valt erg mee. Ik waag het erop. De beloning is de moeite waard: het uitzicht op Schloss Altenstein in vogelperspectief. Mijn camera fotografeert deze climax in 3D en panorama. Ik hou met een hand stevig de leuning vast, het koordje van mijn Tilleyhat stevig onder mijn kin. In de grot onderaan de voet van de rots neem ik afscheid van deze bijzondere plek op dit bijzondere landgoed. Geheel in stijl, dat wel, in de filosofie van aflopende 18e eeuw, terwijl ik met de ogen naar het licht knipper: “Uit het duister verleden in een heldere toekomst”.
De middag is voor de cultuur, de cultuur van de stad Meiningen. In Meiningen, de theaterstad en de stad van Brahms, bezoek ik het hoogbarokke Schloss Elisabethenburg dat een museum herbergt waarin een rijke kunstcollectie is te zien, bijeengebracht door opeenvolgende adellijke lieden, met als belangrijkste figuren Hertog Anton Ulrich (18 kinderen bij 2 vrouwen, het verzamelen zat hem in het bloed wist de vrouwelijk suppoost mij in vertrouwen te vertellen) en -ja daar is hij weer- Hertog Georg II van Sachsen-Meiningen. Eerstgenoemde heeft mijn speciale belangstelling vanwege de grote verzameling romantische landschappen uit de 18e en 19e eeuw. Georg II was de “theater- en muziekman” en onderhield zich met beroemde componisten, musici en dirigenten en was nauw betrokken bij de oprichting van de beroemde Meininger Hofkapelle. Een prachtige verzameling muziekinstrumenten getuigt van zijn grote liefde voor de muziek.
Maar ik start mijn gang door het museum in de barokke zalen en vertrekken van de 1e verdieping, die vol hangen met romantische landschappen. Zalen met glimmende mozaïek parketvloeren waarop mijn schoenen piepend de stilte verbreken. Met kostbare Belgische wandtapijten en veel barok pleisterwerk. Ik zie de Duivelsbrug op een schilderij van Carl Wagner (1796-1867), 3x zo hoog als in werkelijkheid, maar wat heerlijk romantisch! Veel bekende namen kom ik tegen: Bachen, Wagners, Oranjes, een immens groot schilderij  van onze Ferdinand Bol waarop een uitdagend naakte Semele een ontmoeting heeft met Zeus. Zaal na zaal loop ik af, als ongeveer enige bezoeker in dit hele grote gebouw. Alleen wanneer ik langs wandhoge spiegels loop zijn we even met z’n tweeën. Ontroerd raak ik bij een maanlandschap van Aerd van der Neer dat ergens, enigszins bescheiden een plekje gekregen heeft op de dure houten lambrisering.
Op de 2e verdieping gaat alle aandacht uit naar de muziek, de grote passie van Hertog Georg II van Sachsen-Meiningen.Veel is er te zien over zijn connecties in het Meininger muziekleven, onder andere over de componist en latere dirigent van de Meininger Hofkapelle, Max Reger. Er is ook veel te luisteren en omdat het morgen Witte Donderdag is kies ik voor Max Reger’s “Requiem – opus 83” voor mannenkoor. Terwijl de koptelefoon mij afsluit van de omgeving richt mijn blik zich op de naastgelegen zaal waarin zich de verzameling middeleeuwse en Renaissance kunst bevindt. Aandoenlijke Madonna’s met kind, heiligenbeelden en crucifixen. Mijn oog wordt gevangen door een kruisafname, waarna dit beeld zich verbindt met het requiem op mijn oren. Met een dikke keel tot gevolg. De tweede vandaag. Het is een goede week voor diepe gevoelsmomenten…


Aimez-vous Bach?
Donderdag 13 april 2017

VLUU L100, M100 / Samsung L100, M100

De vraag of ik van Bach hou ga ik vandaag proefondervindelijk beantwoorden na een bezoek aan Bach’s geboortehuis in Eisenach. Johann Sebastian zou daar in 1685 geboren zijn en in dit museum zou mij een inkijkje gegund worden in het leven van de muzikantenfamilie Bach. “Zou”, want het tegendeel blijkt waar te wezen: J.S. is daar helemaal niet geboren, maar dit feit werd in de DDR-tijd strikt geheim gehouden uit angst dat de bezoekersaantallen flink zouden dalen. Zijn werkelijke geboortehuis blijkt niet meer te bestaan. Ik zal zien of ik hier overheen kan stappen, de dag is nog jong en het weer veelbelovend! Bovendien tipt mijn gastvrouw mij over een bijzondere wijk in het zuiden van de stad waar je als Jugendstil-liefhebber uren kunt ronddwalen en je hart kunt ophalen aan de prachtig gerenoveerde stadsvilla’s met hun vele ornamenten, kunstzinnige smeedijzeren hekken en een indrukwekkende variatie aan erkers en torens. In het morgenlicht laat Eisenach zich met deze unieke, samenhangende villawijk van zijn mooiste kant zien. Ik slenter over de straten, hoog en laag, langs kasten van huizen met tussendoor steeds weer zicht op de beroemde Wartburg boven me en de historische stad beneden me. Ik geniet, maar wel met een dubbel gevoel. Kwam de Jugendstil beweging niet voort uit het gevoel dat kunst en samenleving uit elkaar gegroeid waren met als resultaat ongelukkige mensen in een lelijke wereld? Kunst kon toch ook nuttig zijn? En nuttige dingen toch ook mooi? Dat zou leiden tot meer sociale rechtvaardigheid, betere woningen voor de arbeider en pensioenen voor de ouderen. Als dat de bedoeling was dan is men er hier, op deze plek, in doorgeslagen: Villa’s als paleizen met de dikste auto’s voor de deur. En op die deur niet alleen de naam, maar zeker ook de functie in het leven. Doktoren, accountants, bouwondernemers, advocaten. Het leven is blijkbaar goed in deze besloten wijk op de heuvel. Een mooie wereld die neerkijkt op ongetwijfeld nog steeds ongelukkige mensen.
Met ratelende banden over de keien daal ik af naar het centrum van Eisenach waar ik mij voor de parkeertijd van 90 minuten a 1,70 Euro de tijd geef om van Johann Sebastian Bach beter te leren kennen. Gelijk na binnenkomst in het Bachhaus word ik doorverwezen naar de instrumentenzaal waar een concertje gegeven wordt op barokke toetsinstrumenten. Uiteraard met grappige uitleg hoe het er toentertijd in huize Bach aan toeging, zeer gewaardeerd door de vele aanwezige jonge kinderen. Die J.S. was me er een, haalde allerlei fratsen uit en was niet vies van experimenten als het om instrumenten ging: Een snaartje meer of minder aan een strijkinstrument, instrumenten in mini of maxi uitvoering, uitvoeringen in ongewone bezettingen, het werpt al een ander licht op de man. In de zalen en zaaltjes loop je door zijn leven, langs al die plekken die zo belangrijk zijn geweest voor zijn componeren. Want de man heeft zeker niet stil gezeten, geen genre geschuwd en geen instrument onbenut gelaten. En niet alleen op muzikaal gebied: hij verwekte 20 kinderen bij 2 vrouwen en verslaat daarmee Hertog Anton Ulrich die we gisteren hebben leren kennen. Inderdaad, die J.S. was me er een!
In de moderne vleugel is heel veel te beluisteren, en met de opgedane, oppervlakkige kennis is het kiezen wel minder moeilijk geworden. Half liggend in een hangende, glazen eivormige stoel kies ik, gezien deze bijzondere week, voor het recitatief en koor “Und siehe da/Wahrlich” uit de Mattheuspassion, de dramatische scene volgend op Jezus’ dood waarin het volk verbijsterd de natuurverschijnselen, aardbeving en zonsverduistering, aanschouwt. Hier trek Bach alle registers open en zet hij ook muzikaal de wereld op zijn kop. Diep onder de indruk kruip ik uit mijn glazen ei en kijk als herboren tegen Johann Sebastian aan. Ik ben al een beetje meer van hem gaan houden…
Op de terugweg spotify ik de Mattheus in de auto en terwijl deze Witte Donderdag langzaam maar zeker vergrijst voel je gewoon dat er wat te gebeuren staat. Zwartgrijze regenwolken versmelten met de donkere contouren van de heuvels om mij heen. Eenmaal thuis zwijgen de vogels en na een laatste oproep aan de kerkgangers de kerkklokken ook…
En dan is het wachten op Pasen. Duitsland is vanaf nu vrij en een groot gedeelte zal met mij westwaarts reizen. Hopelijk wordt dat toch een goede vrijdag…


Epiloog
, vrijdag 14 april 2017

VLUU L100, M100 / Samsung L100, M100

Was ik gisteren nog de enige gast in Villa Rossek, vanochtend is het een gezellige drukte in het ontbijthuisje in de tuin. Niet alleen zijn alle tafeltjes bezet, ze stralen ook Paasvreugde uit met verse voorjaarsbloemen en gekleurde eieren in de dopjes. Een keur aan zelfgemaakte jammetjes doet moeilijk kiezen, maar na vier dagen ontbijt is de sinaasappel/chili mijn favoriet. Mijn gastvrouw schenkt me koffie na koffie in en voorziet mij van wat laatste tips voor de terugreis, want vandaag laat ik deze heerlijke Jugendstil villa uit 1906 weer achter me. Langzaam zoom ik uit: Bad Liebenstein, het Thüringer Wald, deze smeltkroes van Duitse cultuur, historie en natuur. De blauwe hoogten ebben langzaam weg wanneer ik de autobahn weer opzoek. In mijn culturele bagage neem ik nieuwe vrienden met mij mee huiswaarts: De hertogen Anton Ulrich en Georg II von Sachsen-Meiningen met hun fraaie kunstverzamelingen, Johann Sebastian Bach die mij in Eisenach een muzikaal lesje heeft geleerd en natuurlijk Sylke & Uwe Rossek mijn voortreffelijke gastvrouw en –heer in Bad Liebenstein. O ja, en daar was nog die sprookjes-  en sagendichter Ludwig Bechstein onder wiens toeziend portret ik deze reisverslagen geschreven heb, terwijl de vroege voorjaarszon langzaam wegkroop achter de nog kale takken en de bossen van het Thüringer Wald in diepe slaap gewiegd werden. Dan brak het moment aan dat de magie aan zet was en het schemerland tot leven kwam bij het schijnsel van de maan. Dan fluisterde het tussen de stenen op de heuveltop en ruiste het rondom de open plekken in het woud. Ik kreeg op die avonden bezoek in mijn nederig hart van hen die reeds lang niet meer onder ons zijn, zij die schreven over dat schemerland dat naar binnen gluurde door mijn venster. Ik liet mij omarmen door de schaduwen in mijn kamer en mij meevoeren op flarden van mist, langs de rivier, door het bos naar het land van weleer. En dan omspeelde een glimlach Ludwigs mond…

Cees Sleven © april 2017 / Foto’s: Samsung L100 digital

Ik ben niet wat jij denkt dat ik ben

Misschien beter “Ik ben niet wat U denkt dat ik ben”, want deze dame spreek ik uit eerbied aan met “U”. Iedere maandagochtend klokslag 09.15 uur zit zij keurig opgedoft in de hal van het verzorgingshuis te wachten op het busje dat haar naar de dagbesteding zal brengen. In een verder helemaal lege hal, de receptie nog omgeven door een traliehekwerk, het winkeltje nog gesloten.
Een kwartier te vroeg zit zij daar helemaal alleen, leunend op haar rollator, wachtend op de dingen die komen gaan. Ze tovert een glimlach op haar gezicht als ik, ook een kwartier te vroeg, de hal binnen stap op weg naar mijn wekelijkse portie fitness in een achteraf zaaltje van dat zelfde verzorgingshuis. “Goedemorgen, hoe gaat het met u?” open ik traditiegetrouw het gesprek dat week na week minder oppervlakkig is geworden. Eerst was er alleen een beleefde begroeting, maar via een geanimeerd praatje kwam het al snel tot een serieus gesprek, een gebeurtenis waarnaar zij elke week lijkt uit te kijken. En ook ik ga erin mee, telkens weer onder de indruk van deze schrandere, gedistingeerde 80+ dame . De haren mooi gekapt-misschien iets te donker voor haar leeftijd- lichtjes opgemaakt en goed in de kleren, maakt zij haar opwachting en informeert bij mij naar de wereld buiten het verzorgingshuis. Over het weer, over het wereldnieuws, over mijn vorderingen op de fitness. In ruil gunt zij mij een kijkje in haar leven. Over haar veel te vroeg gestorven echtgenoot. Over alleen zijn en over haar kleinkinderen die ze veel te weinig ziet. Over het wekelijkse loopje van één hoog helemaal naar de hal beneden. En tenslotte over de eenzaamheid die haar in zijn greep heeft. Een spelletje bridge of bingo op de dagbesteding verdrijven deze niet, laten de eenzaamheid hoogstens voor een paar uurtjes achter in haar appartement, waarin zij straks voor de rest van de week zal terugkeren. Hoe schat zij dit wekelijks kwartiertje in de hal in? Hoe schat zij mij in, zijn er misschien verwachtingen die zij koestert? Er zijn veel vragen die niet gesteld worden. Laat staan dat er antwoorden komen op die vragen. Misschien zijn plaats en tijd niet de juiste of staan wij ieder aan een andere zijde van de muur die eenzaamheid heet.
Vanochtend miste ik haar op het vertrouwde plekje in de hal. Een lege hal gevolgd door een leeg kwartiertje. “Ze gaat vanmiddag naar een diavoorstelling over de dieren in de dierentuin”, wist de koffiejuffrouw mij te melden na de fitness. “En ze is helemaal in de war”, voegde zij er nog fijntjes aan toe. “Zij zal uw praatje gemist hebben vanochtend”.
Shit, Ik voel me betrapt! Ik doe me voor als een sociaal medemens, iemand met voldoende ruimte in de kofferbak voor een rollator. Maar in werkelijkheid heb ik allerlei zwakke excuses om niet in actie te hoeven komen. “Geen tijd, en wat zal men er wel van denken? Of is het gewoon angst om het haar rechtstreeks te vragen? Is het nou allemaal zo moeilijk? En wees nou eerlijk: met een dierentuin zo dichtbij is het toch veel leuker om beesten in het echt te gaan bekijken!” “Gun haar die laatste gang door de jungle, en die laatste blik over de savanne”, knaagt mijn geweten. “Jij bent de tijd en bij machte de klok terug te draaien naar de jaren van haar jeugd”.
En opnieuw vraag ik bedenktijd. Een kwartiertje. Volgende week…

Cees Sleven © maart 2017

Voor Marjolijn

Ik schrijf: 4 november 1997, nu bijna 20 jaar geleden. De late herfst spiegelt zich in de natte kasseien van Ieper ’s Grote Markt. Mijn oudste dochter en ik zijn hier neergestreken in hotel ’t Zweerd op doorreis de volgende dag naar het Engelse Leeds Castle. Daar zal ter gelegenheid van Guy Fawkes Day een spectaculair vuurwerk worden afgestoken en via een arrangementje in de Flair zijn vader en dochter er een paar daagjes tussenuit. En dat is hoog nodig ook, want een gezin met een anorexia-dochter staat voortdurend op springen. Voor een paar dagen misschien even iets anders aan ons hoofd dan de eeuwigdurende, dwangmatige jacht naar de minste calorieën. De invulling van ons avondeten eindigt in de supermarkt, nog net voor sluitingstijd, waar elk etiket zorgvuldig wordt bestudeerd op het aantal calorieën en andere vetmakers. De oogst is mager, slechts wat droge biscuits vormen ons avondmaal. Ik zie dat zij lijdt en ik lijd met haar mee. We delen een kamer en kruipen vroeg onder de wol. Ik zie haar knokkelige lichaam, haar smalle beentjes, haar meisjesachtige gestalte. Maar wat mij vooral treft is die gekwelde, in het niets starende blik. Bij het schaarse oogcontact zie ik wanhoop in haar ogen, maar ook de vastberadenheid om mij het plezier van dit uitje te gunnen. Het is dezelfde vastberadenheid waarmee zij besloten heeft af te vallen, om te tonen dat zij daar tenminste goed in is. Maar ze toont het ons vanuit een andere, irreële wereld die op gespannen voet staat met de onze. De wankele brug die deze twee werelden nog verbindt is die van onbegrip en wantrouwen, maar die ook gebouwd is op pijlers van onvoorwaardelijke liefde tussen ouders en kind. “Of ik wel genoeg gegeten heb?” vraagt ze bezorgd. Ik zou geen hap meer door mijn keel kunnen krijgen…

5 november: Om een goed plekje te bemachtigen aan de vijver die Leeds Castle omringt, maken wij –veel te vroeg- de lange wandeling door het drassige gazon tot aan het water. Voor ons spugen vuurkorven hun vonken in de heldere avondlucht. Daarachter het kasteel in silhouet waaruit alle kleur langzaam verdwijnt. We genieten van de muziek die het wachten moet veraangenamen: Sting, U2… Ik bewonder haar om haar uithoudingsvermogen, voor de tocht hiernaar toe en voor het lange wachten. Haar ingeteerde lichaam geeft geen krimp, want de geest is sterk. Zij zal dit tot een goed einde brengen. Dan barst het spektakel los: geknal en vurige fonteinen, uiteenspattende bloemen in allerlei kleuren, met het kasteel als een bleke schedel op de achtergrond. Periodiek licht haar gezicht op en ontwaar ik een blik van verwondering bij haar. Zij lijkt even bevrijd van het monster in zich. Meer geknal, harder en in een steeds grotere frequentie. “Ga door!” denk ik. “Drijf uit die demonen, jaag ze weg tot ver achter de horizon”. En dan ineens is er die oorverdovende stilte. De laatste rook trekt zich als kwaadaardige nevelslierten terug in de nacht. Ook zij voelt dat zij hier iets achterlaat, terwijl zij mijn hand vastgrijpt en niet meer loslaat tot we aan de auto zijn.

De volgende dagen zijn lichter, hoopvoller en in wederzijds vertrouwen dat het uiteindelijk goed zal komen…

AFSCHEID

Wanneer appels goudgerijpt aan vermoeide bomen hangen,
en het late licht lange schaduwen trekt,
roept de herfst van je jeugd
ter afscheid van vervlogen zomergeuren,
einde van beschermde kindertijd.

Ontluikend in het najaar ben jij de bloem,
die afgooit haar veilige knop.
Onkwetsbaar voor de komende winterkou,
trotser dan narcissen in het prille lentelicht,
…en uiteindelijk sterker dan alle seizoenen.

Cees Sleven © maart 2017

Ode aan de wind

img_1132

O noordenwind, die grijze regenluchten brengt
en koud, de luidruchtige ganzen zuidwaarts drijft,
het staartje zomer achterna,
herinner mij aan warme zonnedagen en zwoele avondbries.

Wanneer regen overgaat in sneeuw
en de vijver langzaam in ijs haar rust zal vinden,
wanneer de laatste ganzen vertrekken voor hun lange reis,
voorspel mij dan een nieuwe lente, een nieuw begin.

O zuidenwind, breng snel de moegevlogen ganzen terug,
laat sneeuw en ijs smelten voor nieuw leven.
Laat het weer voorjaar zijn met bloemen en dik gezwollen knoppen
en fluister mij zacht van hoop en dromen…

 
Cees Sleven © januari 2017

Geld alleen maakt niet gelukkig

“Werken, werken, werken… heel hard werken. En geld verdienen, heel veel geld verdienen. Om de vrouw thuis gelukkig te maken… met geld. Om de kinderen thuis gelukkig te maken… met geld. Om de hond gelukkig te maken… met geld. Om de keuken gelukkig te maken… met geld. Weet je, hoe harder je werkt, hoe meer geld je verdient! Leuk is dat hè?”
Aan het woord is meneer Delg (leuke woordomzetting van “Geld”), een van de merkwaardigste karakters uit het jeugdstuk “Mezelven” van theatermaker Jimmy Deegens. Een rol die mij is toebedeeld in de wetenschap dat Jimmy zijn karakters graag dicht bij zijn spelers wil houden. Wat onmiddellijk bij mij de vraag oproept of ik iets van die meneer Delg zou kunnen hebben. Vooropgesteld: ik heb in ieder geval niet zijn geld! Toen niet, nu niet, nooit niet. En kon ik daarmee dan niet vrouw en kinderen thuis gelukkig maken? En als de geluksmaker dan iets anders zou zijn dan geld alleen? In gedachten ga ik terug langs de tijdlijn van mijn loopbaan, naar dat eerste begin toen wij als jong getrouwd stel een spiksplinternieuwe 4-kamerflat in het midden van het land betrokken. De huur was de helft van mijn salaris, maar ach wat gaf dat, je had alleen oog voor elkaar en dat eigen plekje vormde het middelpunt van de aarde. Een enkele keer was het geld echt op en dan werd er slecht gegeten. Gehaktballen uit blik. Ik zie ze nog staan op dat glimmende metalen aanrechtblad van onze nieuwe projectkeuken.
Ik werkte, mijn vrouw toverde het huis om tot een thuis. Een thuis van groen en oranje, van keramiek en jutebehang, met een Dief van Bachia in de hoek voor het raam. Een heerlijke plek om thuis te komen. Ik werkte best wel hard eigenlijk, ook al ging dat ten koste van vele uren vroeg en laat, uren die niet aan vrouw en kinderen besteed konden worden. Een “Delgje” in de notendop? Ik werkte omdat ik het leuk vond; wat minder voor de centen en daardoor moest het thuisfront mijn aandacht nogal eens ontberen.
Meneer Delg kent geen schuldgevoel en heeft het beste met iedereen voor. Denkt dat alles in de wereld met geld te koop is. En vooral dat geld gelukkig maakt. Ik doe er een schepje bovenop bij meneer Delg. Door een beetje overacting neem ik afstand van de man. Breng eigen ervaring in en speel zodoende mijn eigen schuldgevoel weg. Acteren werkt louterend, heerlijk kunnen doen alsof. Alsof geld WEL gelukkig maakt…
In het stuk nu even rust voor meneer Delg. Gelegenheid om te mijmeren over wanneer het geldschip binnenkomt of over een tuin die vol geldboompjes staat. Hoe anders zou de wereld er dan uit zien! Bewonderende blikken, respectvolle bejegening, iedereen wil vrienden zijn. Maar achter de geveinsde behulpzaamheid zie ik afgunst, voel ik afstand die er vroeger niet was. Belagers, graaiers, bedweters omringen je, willen allemaal wat van je. En je hebt niet door dat het ze om je geld gaat, omdat je denkt dat het alleen om jou draait. Meneer Delg als stralend middelpunt. Meneer Delg kan zijn geluk niet op…
Meneer Delg zijn rol is uitgespeeld, landt weer met beide benen op aarde. Zijn geld is verdwenen als sneeuw voor de zon. Een zon die schijnt op een glimmend metalen aanrechtblad en een blik met gehaktballen prachtig in het licht zet.
“Wat zullen we eten vanavond?” hoor ik uit de keuken roepen. Voor ik de mond kan openen wordt het antwoord al voor mij ingevuld: “witte bonen, puree en een gehaktballetje. We doen maar makkelijk vanavond. Het werk liep weer eens uit”
Tijd is ook geld, denkt het Delgje in mij. En als geld niet gelukkig maakt, dan maakt tijd dat zeker ook niet. En bij die gedachte val ik helemaal stil…

Cees Sleven ©  september 2016