All posts by Cees Sleven

Dachau, in het spoor van de landschapsschilders

Halverwege (Aschaffenburg), maandag 14 mei 2018

Een vochtige deken ligt over het landschap als ik op deze vroege maandagochtend de Autobahn richting Frankfurt opdraai. Het is nog opvallend rustig op de weg en de echo’s van 3 dagen theaterfestival op Hoogte 80 zijn nog niet helemaal uit mijn hoofd verdwenen. Het waren fysiek intense dagen van zelf spelen en gespeeld worden, maar ook van nieuwe en hernieuwde vriendschappen, jolijt en vermaak, en dat alles op het zonovergoten, hoogste punt van Arnhem. Toch doet de grijze wereld om mij heen bijna weldadig aan en markeert het begin van een aantal dagen cultureel zwerven naar het zuiden van Duitsland. Na mijn bezoek ‘n aantal jaren geleden aan de voormalige kunstenaarskolonie Worpswede bij Bremen, heb ik besloten, wanneer de gelegenheid zich zou voordoen, ook een bezoek te brengen aan Dachau, ten noordwesten van München. Hoofddoel van deze reis is om de eenzaamheid te ervaren van het Dachauer Moos, het landschap ten noordwesten van München, dat dankzij zijn speciale lichteffecten zo’n aantrekkingskracht uitoefende op talrijke schilders uit de plein-air schilderkunst. Op het einde van de 19e en aan het begin van de 20e eeuw ontwikkelde Dachau zich tot een van de belangrijkste Europese kunstenaarskolonies. Toch zal ik ook de confrontatie aangaan met het leed en verdriet van hen die slachtoffer werden van het nazi-regime in het voormalige concentratiekamp Dachau. Ik zal een van de 800.000 vrije mensen zijn die jaarlijks de gedenkplaats bezoeken. Op zoek naar de tegenstelling: De vredige eenzaamheid van het omringende landschap tegenover de uitzichtloze eenzaamheid in het kamp 50 jaar later, wat het met mij doet, daar zal ik jullie verslag van doen…

“Enkel verdriet is van de ziel het wezen. Een zelfde eenzaamheid sluit allen in. De grootste liefde heeft geen andere zin dan in elkanders oog het leed te lezen”.

Hopelijk zullen deze regels van de dichter Ed Hoornik die kamp Dachau overleefde mij inspireren om deze tegenstelling te ervaren. Ik spring van Baustelle naar Baustelle om tegen het middaguur aan te komen in Aschaffenburg, de bisschopsstad aan de Main. Tijdens mijn 1e Milchkaffee deel ik mijn terrastafeltje met een local van gelijke leeftijd die na wat algemeenheden over het weer aan mij vraagt wat Holland gaat klaarmaken op het WK voetbal. Een rechtse hoek waardoor ik even knock-out ben en waar tegenover mijn Arjan Robben niet opgewassen is. Maar ik ben hier toch in Beieren? De man heeft duidelijk plezier om mijn stuntelige reactie en maakt het goed door mij feilloos alle hoogtepunten van de stad te wijzen. En zo begin ik aan een stadswandeling die mij brengt naar het Schloss Johannisburg, de uit rode zandsteen opgetrokken bisschops-residentie, met zijn karakteristieke vierkante hoektorens. Het museum is helaas gesloten zodat ik de werken van de Duitse schilder Lucas Cranach moet ontberen, maar dat wordt ruimschoots goedgemaakt in de St. Peter en Alexander-Kirche, waar vele schilderijen uit de School van Lucas Cranach te bewonderen zijn. Indrukwekkend is daar ook de romaanse crucifix uit de 12e eeuw. Langs de Main-promenade wandel ik door het slotpark naar het Pompejanum dat een replica van een villa uit Pompeij moet voorstellen. Persoonlijke hobby van koning Ludwig I… Vanaf het terras heb ik een prachtig zicht op de stad, de rivier en de bergen van de Spessart daarachter. Daarboven trekt de lucht dicht, klonteren bloemkoolwolken samen tot een asgrauw geheel en het duurt niet lang of een knetterend onweer barst los. Verkoelend koude druppels op mijn zweterige huid. Ik schuil onder de blauwe regen waar de dikke regendruppels zich vermengen met de loslatende bloemblaadjes die met duizenden naar beneden komen. Even waan ik mij in een Disney-film en verwacht ieder moment de opkomst van een of ander sprookjesfiguur. ‘n Nabije inslag van de bliksem boort al deze gedroomde romantiek de grond in en wens ik hevig dat deze bui snel overtrekt. Wanneer het langzaam minder wordt kom ik op de promenade een ouder echtpaar tegen: Hij in een rolstoel, zij met de paraplu erboven. We maken een praatje en zie, het silhouet van de stad staat weer in een gouden licht. Plu kan dicht, ieder gaat weer zijn eigen weg… De mijne gaat naar Haibach, een aangrenzend dorp met een kerk, een bushalte en een hotel. Daar slaap ik vannacht en heb ik zojuist gegeten. Een restaurant zoals je hier kan verwachten: Heel veel hout, heel veel geschilderde bloemetjes op dat hout, perkamenten lampenkapjes, grof gepleisterde muren waarop een crucifix ons zondige gasten scherp in de gaten houdt. Met onze te volle borden, met onze alweer te vullen glazen, met ons te harde lachen, met onze lege conversaties. En God zag dat het niet goed was… Vanmiddag op het terras aan mijn 2e Milchkaffee zaten een paar tafeltjes verderop twee oudere heren, een van hen duidelijk Parkinson, de ander duidelijk in een ondersteunende rol. Koele witte wijn voor beide heren. En poffertjes met rode vruchten in een schaaltje. Er werd voorzichtig geproost, klinkende glazen en de geur van fruit die over het terras trok. Ik deed een tweede suikertje in mijn koffie. En zag dat het goed was…

De 2e etappe (Rothenburg ob der Tauber), dinsdag 15 mei 2018

Dat een aantal mooie, warme dagen meestal eindigt met onweer is welhaast een zekerheid. Dat der Mannschaft het goed gaat doen op het WK is ook zo’n zekerheid. Dat er, na geflitst te zijn in de bebouwde kom, binnen een paar weken een bekeuring op de deurmat ligt is ook een waarheid als een koe. Alleen het bedrag dat vermeld zal staan in de keurig in het Nederlands gestelde brief is nog onzeker. Ik heb duidelijk even de pest in toen het vanochtend weer zo laat was, want ik genoot echt van de adembenemende natuur waarin langs het riviertje de Tauber de vele schilderachtige, historische stadjes en dorpen liggen uitgestrooid. Gatver…, let dan toch op, laat je niet zo meeslepen! Vanuit Haibach zocht ik mijn weg door de beboste heuvels van de Spessart naar de noordelijke Romantische Strasse om deze tot Rothenburg ob der Tauber te volgen. Inderdaad een spectaculair landschap langs het dal van de Tauber met links en rechts heuvels in duizend kleuren groen met daarin felle accenten rood en paars van de vele bermbloeiers. Het was wenden en keren en en talloze malen werd de rivier overgestoken. De plaatsjes waar ik doorheen kwam waren uitgestorven, maar mooi door hun eenvoud. Faller-gebouwtjes in grijs, bruin en oker. Ook telde ik de stationnetjes, want al snel werd de weg vergezeld door een spoorlijntje. Even had ik weer het gevoel op mijn eigen modelspoorbaan te rijden: al dit moois op een blad van 1 x 2 meter. Alleen de hemelboog die vandaag veren trek in het blauw ontbrak er nog aan. Rond het middaguur parkeerde ik mijn auto aan de rand van Rothenburg net buiten de stadsmuur die het hele middeleeuwse stadje omringt. Door één van de vijf stadspoorten betrad ik de historische stadskern en inderdaad: het is een juweeltje. Zonder enige structuur begon ik in het wilde weg te fotograferen en in no-time was ik deel van dit reservaat voor 65-plussers. Het juweel wordt opgepoetst en vertroeteld door het massatoerisme en zelfs nu al, in de vroege maand van mei, heb je het stadje niet voor jezelf. Ik was op zoek naar details, plaatjes zonder mensen erop, alsof ik zojuist was uitgestapt uit een tijdscapsule. Karakteristieke huizen die scherpe schaduwen trekken over de keien, gildespreuken op de gevels, toevallige planten die bloeien aan de stadsmuur. Toen ik, met zeker 10 anderen, in de Schmiedgasse een charmante splitsing van straatjes wilde vastleggen, gaf ik er de brui aan en vluchtte ik naar achteraf. Op het koele terras, achter mijn glas Johannesbeeresap, observeerde ik in alle rust mijn mede-terrasgenoten en hun bestellingen. Een wat oudere serveerster met een veel te blote dirndl-jurk was de vriendelijkheid zelve toen zij mij uitnodigde ook wat te eten. “Nein danke”, antwoordde ik, “Ik moet snel weg van hier”, dacht ik er gelijk achteraan. Nog ruim 200 asfalt-kilometers had ik voor de wielen. Langzaam zag ik het landschap afvlakken op weg naar mijn plekje op de Zuidduitse hoogvlakte. ‘n Laatste kronkelweg, het bos in, het bos uit en dan plotseling een dorpsstraat. En daar was het, met uitzicht op de velden waarboven zwaar onweer dreigde. Het welkom was hartverwarmend, hier ga ik mij thuisvoelen. Wanneer ik dit schrijf is de avond reeds gevallen, al het daglicht uitgedoofd. Morgen weer een nieuwe dag met hopelijk dat fascinerende schilderslicht in het Dachauer Moos, niet ver van hier. Ik laat het raam vannacht maar open, zodat dat vroege licht naar binnen kan…

Aan de hand van de schilders (Dachau), woensdag 16 mei 2018

Het wil maar niet licht worden vanochtend, een blik naar buiten bevestigt mijn vermoeden: een totale weeromslag. Elkaar najagende wolken en een constant kletterende regen bepalen niet alleen het weerbeeld, maar ook mijn programma voor vandaag. Het is de eerste regen hier sinds 6 weken en meer dan welkom voor boeren en tuinbezitters. De uitgedroogde bodem zuigt het hemelwater op als een spons, er vormen zich nauwelijks plassen. De fraai opgetuigde meiboom voor het huis krijgt nieuw elan nu -aan het begin van de zomer- het wel goed zal komen met alles dat groeit en vrucht zal dragen. Het geloof daarin is groot en zal leiden tot vruchtbaarheid voor vee, akkers en mensen. Ik zal vandaag het magische licht moeten zoeken in de beslotenheid van de Gemäldegalerie in Dachau waar de 19e- en 20e-eeuwse landschapsschilderijen hangen uit de Dachauer Malerschule. Aan de hand van schilders als Christian Morgenstern, Ludwig Dill, Max Liebermann en vele andere word ik meegenomen naar de eenzaamheid van het Dachauer moerasgebied langs het riviertje de Amper. Zij zijn gefascineerd door dit zompige gebied met zijn steeds wisselende lichtomstandigheden. Weidse vergezichten tussen een hoge hemel en spiegelend water. Arm land dat de kinderrijke families niet meer kan voeden en industrialisatie de dagloner langzaam maar zeker doet verdwijnen. Ontvolkt land, eenzaamheid is wat achterblijft. De schilders keren hun academie in München de rug toe en vinden in het Dachauer Moos en aan de oevers van de Amper nieuwe inspiratie en motieven: Het karige moerasgebied, onbedorven en oorspronkelijk landschap met zijn eenvoudige boerenleven. Fritz von Uhde toont mij in “Der schwere Gang” een jong paar op een mistige, natte winterdag dat voort ploegt op een modderige landweg. Het toont het leven in het armzalige milieu van Dachau-Augustenfeld. Maar er zijn ook trotse portretten van Dachauer vrouwen in klederdracht, sommige heel realistisch en rijk aan details, andere weer impressionistisch benaderd, waarbij lichteffecten de ware identiteit van het model verhullen. Ik sta werkelijk in dit weidse landschap met zijn waterpoelen en berkenbosjes. Het druipt er van de regen en van de inspiratie. Dit wilde ik zien, dit lokte me naar hier. Ik sta onder jagende wolken, hoog boven mij ruist de wind in de bomen. Het enige geluid, zo klinkt de stem van de eenzaamheid. Alleen zijn is voor het moment, eenzaamheid is wanneer alleen zijn zich vermengt met herinnering. Deze eenzaamheid voelt bijna prettig aan, wanneer een tikje op de schouder mij doet ontwaken uit mijn diepere gedachten. Mijn aandacht voor de landschappen is niet onopgemerkt gebleven en na het uitwisselen van enige beleefdheden ontvang ik van de receptiedame een speciale uitnodiging voor de nieuwe tentoonstelling “Baumbilder” die morgenavond opent. Als “bomenschilder” op kasteel Doorwerth laat ik deze kans natuurlijk niet voorbijgaan! Na het einde van de eerste Wereldoorlog in 1918 heerst er ontreddering en grote werkloosheid in Duitsland en verloopt de kunstenaarskolonie aan de Amper. De munitiefabriek in Dachau wordt ontmanteld en in 1933 wordt op het vrijgekomen terrein het eerste concentratiekamp van de nationaalsocialisten opgericht. Het zal morgen een zware gang worden daarnaar toe, een gang die ik moet gaan. Om ook die herinnering levend te houden …

Die andere eenzaamheid (Dachau), donderdag 17 mei 2018

Veel later dan gebruikelijk begin ik vanavond aan mijn reisverslag. Niet omdat de inspiratie ontbreekt, nee, het zijn de indrukken vandaag die mij naar woorden doen zoeken. Niet elke dag betreed ik een terrein via een smeedijzeren hek waarboven de spreuk “Arbeit macht frei” het ergste doet vermoeden. Vandaag bezoek ik het concentratiekamp Dachau met gemengde gevoelens: Ben ik wel goed voorbereid op alles wat ik te zien krijg? De beelden van al die uitgemergelde doden, de aanblik van de verbrandingsovens, de details over de medische experimenten die daar op grote schaal plaatsvonden. Ik aarzel reeds bij de ingang en besluit mijn opdracht te herformuleren: Blijf in het nu en zoek redenen waarom dit alles nooit meer mag gebeuren. Ook besluit ik vandaag mijn fototoestel niet aan te raken. Ik wil de indrukken rechtstreeks verwerken en de beelden toetsen aan alles wat ik -in het heden- om mij heen zie gebeuren. Opvallend zijn de vele groepen scholieren die ook vandaag dit kamp Dachau bezoeken. Samen met hen betreed ik het hoofdgebouw waar eens de nieuw aangekomen gevangenen van hun waardigheid werden ontdaan: Geadministreerd, alle persoonlijke bezittingen ingeleverd, daarna ontkleed en gedesinfecteerd en tenslotte naamloos te werk gesteld. Veel foto’s, veel verklarende teksten, de jeugd ondergaat het gelaten, maar laten hun mobieltjes overuren maken. Voor thuis, voor later, voor hopelijk een betere wereld. Ik dwaal door het gebouw: halfverlichte ruimtes, vlekkerig beton, zwaar verroeste leidingen, tralies voor de ramen.

Een traliegat, een dikke muur
Het zonlicht dat, hoe ik ook tuur
De weg door het gat niet kan vinden
Alleen, ik ben alleen.

Drie passen heen, drie passen weer
Terwijl ik strofen declameer
Van verzen uit herinnering
En zachtjes oude liedjes zing
Als uit verweer.

Een cel, een kale grond
O plek waar mijn wieg eens stond
Herinnering van lang geleen
Flits van thuis vliegt door je heen
Alleen, je bent alleen

– Mary Vaders

In de bioscoopzaal zie ik een documentaire over de gruweldaden van de nazi’s. Alleen voor 12 jaar en ouder. Na afloop zie ik tieners van 13 en 14 jaar met rode ogen, steun zoekend bij elkaar. Ik stroom met hen naar buiten, de appelplaats op, die komt als een bevrijding. Aan de overzijde van het immense grindveld begint de beklemming opnieuw wanneer ik de overgebleven barakken bezoek. Het is dringen tussen alle scholieren, ongeloof tekent hun gezichten. Hier lagen de zieken op dezelfde houten britsen als alle anderen en kregen ook hetzelfde eten, soep van water en wortelen. De slechte voeding en onhygiënische omstandigheden veroorzaakten epidemieën als schurft en buiktyfus. Vrijwel alle gevangenen hadden dysenterie, die veel slachtoffers eiste. Moordend was ook de vlektyfus rond de jaarwisseling 1944 – 45. Samen met de scholieren verplaats ik mij naar het crematorium. Plichtmatig en zonder emotie vertelt de begeleider het verhaal: Uitkleden, kleding ontsmetten met zyklon-B, wachten, uitleg over het “douchen”, vergassen met hetzelfde zyklon-B, de lijkenkamer, de verbrandingsovens… Efficiëntie verheven tot waanzin, degeneratie… Op de executieplaats ligt voor de door kogels doorzeefde muur een boeketjes plastic rozen. Een vleugje menselijkheid, een vleugje hoop… Een merel zingt zijn longen uit zijn zwarte lijfje. Ik besluit weg te gaan en nog even langs het bezoekerscentrum te lopen. Voor veel te veel geld zit men hier braadworst druipend van de ketchup te eten. Ik voel een knoop in mijn maag en vlucht naar de boekenwinkel waar werkelijk honderden getuigenissen liggen uitgestald van hen die deze hel overleefden. Gebroken levens zijn het veelal, levens die weer op de rails gezet zijn. Voor de lange reis terug, terug naar een vleugje menselijkheid… Later vanavond schud ik de hand van Dachau’s Oberbürgemeister Florian Hartmann, maar dat verhaal vertel ik morgen…

Nog even langs het paradijs (Gutenacker), vrijdag 18 mei 2018

Een kip in het Duits is gewoon das Huhn, maar een “Kipp” blijft toch wel heel bijzonder: Een verhoging in het landschap, waarop op het bovenste puntje de naakte rots uit de grond steekt. Het dorpje Gutenacker in het Westwald ligt op zo’n verhoging en het laatste logeeradres van mijn voorjaarszwerftocht, “Haus am Kipp”, is gebouwd bovenop de rotspunt. Vandaar heb je een prachtig uitzicht op de groene heuvels rondom en het beboste dal van de rivier de Lahn. Zes jaar geleden was ik als eens hier, in de herfst, maar nu toont het voorjaarslandschap zich op zijn mooist: Witte bermen van het fluitenkruid, met accenten van paarse lupine en het fel rood van de klaproos, tegen steeds weer wisselende tinten groen van het heuvelland. Het laatste stukje klim in vanuit het Lahndal omhoog en elke bocht in de stille landweg biedt steeds nieuwe vergezichten. De middag is zonovergoten, dit stukje natuur voelt als van mij. Vergeet straks maar dat je dit gelezen hebt, ik mocht je maar eens op een idee brengen! Het weerzien was allerhartelijkst en werd beklonken met een glaasje Sekt. De “Boargjungs” is mijn huisje, beneden wonen, boven slapen. Het zal mij aan niets ontbreken. Een heerlijk plekje om mijn belevenissen van de afgelopen week nog eens te overdenken. Gisteravond werd mijn bezoek aan de kunstenaarskolonie Dachau op een bijzondere wijze afgesloten, omdat ik een uitnodiging had ontvangen om aanwezig te zijn op de opening van een nieuwe tentoonstelling in de Gemäldegalerie met de titel “Baumbilder”, de boom als stilistisch middel in de landschapsschilderkunst, veelvuldig toegepast door de schilders van het Dachauer Moos. Om het beeldvlak in te delen, of om diepte te suggereren, maar ook vanwege hun functie als beschutting tegen zon, wind en regen, of als sier- en fruitbomen. En niet te vergeten de belangrijke rol die de boom vervult in onze cultuur Als middelpunt van ons dagelijkse leven. We dansten onder de lindeboom, onder de eik werd recht gesproken, populieren markeren de centrale weg tussen de barakken van Dachau… De levensboom als symbool voor zich hernieuwend leven, een dode boomstronk die staat voor de vergankelijkheid van het leven… Over al deze aspecten van de boom en hun toepassingen in de schilderkunst gaat het openingswoord van Herr Oberbürgemeister Florian Hartman. Maar niet nadat alles zorgvuldig is gecontroleerd: Het spreekgestoelte, de microfoon, nog eens de microfoon, de gereserveerde stoelen voor de gasten, instructies voor de aanwezige pers, het gebeurt allemaal met Duitse precisie. De conservator van het museum doet er nog een schepje bovenop wanneer zij uitlegt waarom de panelen mosgroen zijn, waarom de schilderijen op seizoen hangen en wat de reden is dat op elke beschrijving, bij elk schilderij, de soort boom vermeld staat. Duitsers houden blijkbaar niet van risico’s nemen, gaan voor de perfecte oplossing. Daar heb ik eerder op de dag een aantal weerzinwekkende voorbeelden van gezien… Dit feestje is echter onschuldig, met een drankje, een hapje en veel vriendelijke woorden. Ik word door mevrouw de conservator voorgesteld aan de burgemeester als “unser Freund aus Holland” en als ik mijn alter ego Théophile de Bock, de bomenschilder, opvoer, blijkt hij werkelijk geïnteresseerd. Hij kent kasteel Doorwerth en de Oosterbeekse School schilders. Museum Veluwezoom en de Gemäldegalerie in Dachau zijn immers via EuroArt aan elkaar verbonden. Ik kies “Birken im Moos” van Arthur Langhammer als mijn favoriete schilderij, neem nog een slokje, prik nog een blokje kaas, maar verlaat dan ongezien het museum. De uientoren van de St. Jacob kerk staat nog in het licht, het dak glinstert in de avondzon. Een waardiger afsluiting van mijn bezoek aan Dachau kan ik mij niet wensen. Morgen keer ik huiswaarts, vele en onverwachte indrukken rijker. Ik doorleefde de Feldeinsamkeit in het Dachauer moeras, maar de intens beleefde eenzaamheid van de gevangenen van het kamp bleef voor mij verborgen en onpeilbaar. Gemeenschappelijk is het groot verlangen, het verlangen om te herscheppen. Hoe iets was, of hoe het misschien beter zou kunnen. Misschien ligt daar wel een volgende opdracht voor mij…

Cees Sleven © mei 2018

Met dank aan alle lezers voor hun inspirerende reacties op mijn reisblog!
Alle foto’s werden gemaakt met een Samsung L100 digitale camera
en zijn te bekijken via mijn website > Foto-albums.

Advertisements

Loflied

Loflied

Op het zwart-wit plaatje dat ik krijg uitgereikt staat een kraampje. Eigenlijk is het geen kraampje gezien de permanente opstelling op een vlonder en de mogelijk het geheel af te kunnen sluiten bij afwezigheid. Maar de luifel staat open en in het huisje wacht de uitbater duidelijk op klandizie. Het is hoogzomer, want de omringende bomen staan zwaar in het blad. Er komt een jongeman aangelopen in kleren die wijzen op een tijd die misschien wel zo’n 80 jaar achter ons ligt: Jasje, dasje en no jeans at all. Het huisje voert de opschriften “De Hoop Onnen”, “IJs” en “Choco’s” en het is me al snel duidelijk dat het hier gaat om een verkooppunt van de stoomzuivelfabriek “De Hoop” uit het Groningse Onnen, die later zou uitgroeien tot de vermaarde roomijsfabriek.
Ik maak stappen terug in de tijd, terug naar mijn eigen jeugd, de jaren 60. Het was de tijd van de immens wijde broekspijpen en in de zomer kleurige bloemenhemden. We voelden ons, zelfs op bescheiden schaal, allemaal bloemenkinderen. En het was het tijdperk van de opkomende ruimtevaart. Toen, geheel aan mijn waarneming onttrokken, geschiedde in Onnen, daar in die ijsfabriek, het wonder: In 1962 werd daar de Raket geboren, het nog altijd populaire waterijsje met de smaken framboos, sinaasappel en ananas. Het was een groot succes vanaf de introductie en heeft sindsdien niet aan populariteit ingeboet. Wat is het geheim van dit simpele, puur Hollandse waterijsje? Heel eenvoudig: de Raket is altijd hetzelfde gebleven. De markt veranderde, de smaak van de consument veranderde, ijsjes kwamen en gingen, maar de Raket bleef. En werd met recht een “klassieker”. Vrijwel iedereen heeft wel eens een Raket gegeten. De fruitige drietraps-combinatie valt goed in de smaak. Zo goed zelfs dat, toen de receptuur iets werd aangepast, consumenten een actie ondernamen om de oude, vertrouwde smaak weer terug te krijgen. En dat lukte: de Raket bleef zoals-ie was. Een Raket is opgebouwd uit laagjes. Om dat voor elkaar te krijgen is er een machine ontwikkeld waarin de verschillende smaken siroop na elkaar worden ingevroren, eerst framboos, dan sinaasappel en als laatste ananas. De Raket wordt vervolgens aan het stokje opgetild en verpakt.
En dan had je hem in de hand. Het papiertje werd er afgestroopt, wat niet lukte zonder stroperige vingers te krijgen. Wanneer het kleurige ijsje aan de buitenlucht werd blootgesteld vormde zich een wazig condens laagje als rijp op de velden op een wintermorgen. De eerste beet was het lekkerst: geen gelik, maar de voortanden gelijk in de eerste trap gezet. Het fruitig zoet streelde de tong tot de smaak van ananas, helemaal aan het eind, zich vermengde met die van het houten stokje. Omdat het smeltproces inmiddels al ver gevorderd was, werd het laatste brok waterijs geheel in de mond genomen dat een vlammende pijn achter de ogen en in het hoofd veroorzaakte. Langzaam steeg de raket ten hemel en verdween in euforische smaakgevoelens uit zicht. Wat bleef was het houtje en twee plakkerige mondhoeken.
De jongeman op het plaatje weet hier alles nog niets van. Ligt voor hem allemaal nog verborgen in de schoot van de toekomst. De uitbater uit Onnen houdt hoop, hoop op klandizie. Ik heb de neiging om hem vanuit het heden toe te vertrouwen dat het allemaal wel goed komt. Hem zachtjes in te fluisteren: “Raket… Cornetto… Calippo… Twister… Solero… Magnum…”

Cees Sleven © april 2018

Narcissus



Narcissus

Naakt, slechts een wit kleed dat de spruit bedekt
tot –door voorjaarswarmte afgelegd-
nieuwe trots het hemels blauw omlijnt
en de knop zich naar het leven strekt.

Neerbuigend in winters laatste ademtocht
groepen zij samen, schouder aan schouder,
wachtend op lentes strelende warmte
die in tijdloos ritme sneeuw en ijs bevocht.

Zij, de gouden narcissen uit mijn jonge jaren,
door Wordworth reeds zo fraai bezongen,
ik zag er duizend wiegend in de wind
met steeds weer dat intens verlangen in al dat goud te staren.

O prille lentebode, onkwetsbaar voor voorbije winterkou,
gooi af je veilige knop, laat schallen je trompet!
Laten we fladderen en dansen in de lentebries
voor ik dankbaar de handen samenvouw.

Cees Sleven © maart 2018

A rainy day in the parc (revisited)

 

Plaats van handeling: het Vondelpark in Amsterdam, speelplaats van mijn jeugd. Een plek waar uitersten elkaar ontmoeten onder het toeziend oog van vaderlands grootste dichter. Ik tuur over het water van de vijver en zie ze gaan hand in hand. Leidende en vooral veilige handen. De leegte tussen het groen vult zich met dankbaarheid: “You out of me, me out of you… we go like lovers, to replace the empty space…”

Gedrieën spoelen wij letterlijk het theehuis binnen. Zij en ik, de buitenstaander. De regen slaat tegen de terrasramen, wanneer zij achterin een tafeltje opzoeken en –uitdruipend- hun warme consumpties omklemmen. Ik hou gepaste afstand, maar kan hun conversatie duidelijk volgen.
“Heb je het niet koud en waarom ben je altijd naakt?” Er volgde een lange stilte die bij mij de spanning deed oplopen. “Omdat ik de waarheid ben, de naakte waarheid, wars van alle opsmuk en tierelantijnen. Ik ben helder als glas en daardoor confronteer ik. Ik breng de essentie naar boven en mijn lot is dat onbegrip en ontkenning mijn deel is”. De ander ging er eens goed voor zitten en antwoordde opverend en met enthousiasme in de stem: “Ja, ik herken dat. Ook ik word niet op mijn woord geloofd. Sterker nog, men keert mij meestal kwaad de rug toe en wil niets meer met mij te maken hebben”. De grove leugen zakte met terneergeslagen blik terug in zijn stoel, wachtend op een meelijdende reactie van de andere kant van de tafel. En die kwam al snel: “We hebben meer gemeen dan je zo op het eerste gezicht zou zeggen. We worden beiden niet geloofd en komen overal buiten te staan”. Misschien zijn we wel tot elkaar veroordeeld en moeten wij onze eigen ongeplaveide weg gaan, ver weg van hen die op ons zouden willen bouwen. Plots vraag ik mij af wie hier nou de buitenstaander is. Dit vreemde koppel of ik? Ik kijk in hun moegestreden ogen en vang hun blik. Ik zie angst en daardoor heen zie ik, heel even maar, een glimp van een leven van zonnedagen toen alles nog zo veelbelovend was. Toen ze dachten ermee weg te komen. Ik voel hun verdriet over de herinnering aan alles wat geweest is, en gebeurd is, het licht en donker van een leven als naakte waarheid en grove leugen. Ik ben hier de buitenstaander, voel me ongemakkelijk en weet me geen raad met de situatie. Ik ga voor het raam staan en kijk het park in. Door het uitlopend groen kan ik nog net het beeld van Vondel zien. Zal ik er tussenuit piepen of de confrontatie aangaan en mijn hulp aanbieden? Door glas en regen heen vraag ik Vondel om raad. Ondanks de kletterende regen buiten is de stemming binnen aangenaam. De meeste tafeltjes zijn bezet, het publiek is divers. En dan plots is daar de zon die haar stralen werpt over het werk van Herman Brood aan de wand. Het theehuis is één en al licht, een uitverkoren plek. Ik raap alle moed bijeen wanneer ik het koppel durf aan te spreken: “Neemt u mij niet kwalijk iets van uw conversatie te hebben opgevangen, maar ik weet misschien een oplossing voor u beider probleem”. Geschrokken, maar ook met een lichte verbazing in de stem antwoorden naakte waarheid en grove leugen in koor: “En wie mag u dan wel wezen?” Ik laat een stilte vallen. Zonder stoel kniel ik tussen hen in en zeg op zachte toon: “Een leugentje om bestwil is mijn naam, aangenaam!”
Uren later stromen wij gedrieën met het licht naar buiten en zien het beeld van Vondel in de sombere schaduw liggen. Gepast op afstand. Terzijde. Met een glimlach om de mond…
In het theehuis blijft op ons tafeltje een vierde kopje koffie onaangeroerd achter…

Cees Sleven © februari 2018

“Daar waar men ooit danste” – beelden uit een voorstelling

Haar naam is Marie Supikova. In de grote groene leegte laat zij zien waar zij als kind in de keuken sliep en vertelt zij over haar moeder. Gefascineerd maar ongemakkelijk kijk ik naar beelden uit de documentaire “Himmlers hersens heten Heydrich” over Hitler’s wraak op het Tsjechische dorpje Lidice in 1942. Aanleiding was de moord op Reinhard Heydrich, plaatsvervangend leider van de SS in Tsjechië, waarna de Führer persoonlijk opdracht gaf een willekeurig arbeidersdorpje met de grond gelijk te maken. De vrouwen en kinderen werden afgevoerd en de mannen ouder dan 15 jaar werden, in rijen van 10, geëxecuteerd. Voor de documentaire keert Marie Supikova terug naar wat eens het dorpje Lidice was. Vanuit vogelperspectief gefilmd om de leegte nog meer te benadrukken geeft zij druk gesticulerend aan hoe het huis was verdeeld in kamers, waar zich deuren en vensters bevonden en waar even verderop de school stond waar alle vrouwen en kinderen werden opgesloten in afwachting van hun deportatie naar Auschwitz.

Dit beeld van die ene overlevende van Lidice neem ik in het najaar van 2017 mee naar de grote, massale ruimte van het Werk aan de Daatselaar, een van de vestingwerken van de Grebbelinie. Hier speel ik met NACHT-THEATER de locatietheatervoorstelling “Daar waar men ooit danste”, een voorstelling in de open lucht waar de natuur, het weer en de bijzondere locatie onze tegenspelers zijn. De plek inspireert, ontroert en verstikt. Acteurs en muzikanten vertellen het verhaal over een man die mijmert over hoe het was en hoe het nooit meer zal zijn. De jeugd zal zijn plek innemen en de nostalgie de nek omdraaien.
Maar eerst dien ik af te rekenen met de ruimte. De grote leegte die zich de ene keer toont in alle vriendelijkheid met lichte zonnevlekken over het wuivend gras, dan weer in alle boosheid met striemende regenvlagen die alle kleur uit de scene spoelen. Ik probeer de ruimte in te delen, ordening aan te brengen. Vanuit vogelperspectief wijs ik denkbeeldige muren aan, open niet-bestaande deuren en vensters. Eerst traag en bedachtzaam, maar al gauw sneller en sneller alsof de herinnering mij in wil halen. Ik begin te rennen, maar de tijd is niet te houden. Want plekken zijn niet alleen ruimte, ze zijn ook tijd. En die is al om de hoek voordat ik gekeken heb. Ik beschouw de ruimte anders nu ik die vreselijke herinneringen met mij meedraag. Mijn gedachten omcirkelen de lege rechthoek die ik sinds mijn kinderjaren ken als afgebrande plek, een plek verbonden met dood en verderf. Daar waart alle leven ophield te bestaan. Eerst nog maar even zitten dan. Eerst nog maar even denken tot er een nieuw moment aanbreekt. Dan zal ik gaan…

Lidice, 1942

De afgelegde weg ligt vastgepind met herinneringen, de weg te gaan is nog onbestemd. Hij bestaat niet alleen uit dromen en verwachtingen, maar vooral ook uit hoop. Hopen op beter, of tenminste hopen op anders: weg kille, grijze wereld, weg somber zwarte dagen. Ontsteek het vuur, koester je in het licht.
Als hoop voor een nieuwe morgen…

Cees Sleven © januari 2018

Dame van het keuzemenu

De maan legt bleke banen op mijn bed.
De nachtwind speelt zachtjes met de gordijnen.
En toch ben ik niet alleen,
zoals al mijn buren zeggen.

Lieve dame van het keuzemenu
neem rustig de tijd voor mij.
Zoveel gemeen hebben wij.
Slaap je ook zo moeilijk in
met al dat lawaai van buiten?

Vandaag werd het water afgesloten.
Gisteren kwamen ze al voor het licht.
Maar ik ben er niet een om te klagen.
De telefoonrekening is betaald.

Het geeft niet dat u lelijk bent
want hier met het licht uit zie je niets.
Lieve dame van het keuzemenu
ik stel het kiezen nog even uit
dan delen wij de eenzaamheid.

Scott Walker – Time operator, 1970 / Vert. Cees Sleven, 2017

27 november 2027, terug naar het einde der aarde


Calvaire de Lannédern, Finistère / Bretagne

Snel en onomkeerbaar daalt de avond neer over Finistère, Bretagne’s vooruitgeschoven post in de Atlantische Oceaan. Vandaag los ik een belofte in aan mijzelf om nog eenmaal hier terug te keren op deze afgelegen plek aan het einde van de aarde. Achter de hoogten van de Monts d’Arrée ligt het verankerd in de oceaan, opdoemend uit de mist en geteisterd platgeslagen door de meestal aanwezige wind. Bijna geïsoleerd land, overgeleverd aan de wil van de natuur. Hier ben ik naartoe gekomen, hier ook ligt mijn bestemming.
Al spoedig hangt de maan in al haar volheid aan de hemel, een hemel zó helder, dat de vele sterren die je normaal zou moeten kunnen zien, bijna onzichtbaar blijven. Het is een welhaast magisch moment wanneer ik weer oog in oog kom te staan met de alom aanwezige oceaan. Aan mijn voeten heeft deze een groot stuk rots weggeslagen, waardoor ik een vrij zicht heb op het onmetelijke water. Ik kijk neer op de golven die niet opgeven om op de rotsachtige kust in te beuken en in oplichtende, steeds wisselende sluiers van zout en water uiteen te spatten. Terwijl ik in het laatste schemerlicht naar de flauw gekromde verte staar, onderga ik opnieuw de absolute stilte, waarbij het geluid van de branding diep beneden mij en het rauwe gekrijs van de meeuwen boven mij slechts accenten zijn van deze perfectie, en geen verstoring.
Onder mij de woeste golven, aan de andere kant ligt langzaam aflopend, drassig veenland, vrijwel geheel met mos begroeid. Ik realiseer mij plotseling de hachelijke situatie waarin ik mij bevind. In meerdere opzichten in wankel evenwicht op de rand van deze rotspunt. Nog nooit ervoer ik tegelijk een dergelijk geluksgevoel, en daarnaast zo’n angst voor het onbestemde, hier waar het land zich verliest aan de zee, het Finis Terrae, het einde van de aarde.
Wat kom ik hier eigenlijk doen? Op zoek naar de culminatie van mijn verering, de projectie van mijn verlangen? Vragen en nog eens vragen… Ik daal af over het glinsterende mos en vang nog een laatste glimp op van het spel van aanrollende golven op de zwarte, standvastige rotsen waarop de zee een salto mortale uitvoert. De wind doet mij huiveren: onthaasten is verstuiven, zoals het schuim van de golven in de wind. Ik keer terug naar de baai en bij het licht van mijn zaklantaarn, herlees ik nog eenmaal deze brief voor ik hem durf toe te vertrouwen aan de aangespoelde fles, eens geboortig in Fleurie, ’n zonovergoten plek in de Bourgogne. Dat valt althans op te maken uit het vage opschrift op het door zout uitgevreten etiket. Nog even hou ik de fles vast bij de hals en dan… vooruit, daar ga je weer! Vanaf Finistère retour… Eerst nog een lichte aarzeling, maar dan vindt de fles weer het gezelschap van de golven die hem verder en verder zullen meevoeren. Naar onbekende wateren, geleid door de sterren.
Misschien wil ik hier wel blijven of uiteindelijk thuiskomen, rust vinden op het kleine kerkhof van Lannédern. Het warme najaarslicht zal er de enclos binnenvallen en langs mijn grafsteen strijken. De Monts d’Arrée zullen mij omringen en daarachter zal de nooit aflatende strijd tussen de woedende watermassa’s en de koppige granietharde rotsen eeuwig voortduren. Dood of leven, de scheidslijn is slechts een krijtstreep, waarop vast in vloeibaar overgaat, houvast transformeert naar oneindigheid.
Ook in Bretagne versterven de seizoenen, laat het laatste herfstblad aarzelend los. En alles zal vrede ademen, harmonie, eeuwigheid…

Cees Sleven © november 2017