All posts by Cees Sleven

Mijn Indian Summer van 2018

 

Seven Sisters from Seaford Head

Mijn Idian Summer van 2018 breng ik door aan de Engelse zuidkust samen met het gezin van mijn jongste dochter. Geen cultureel zwerven in mijn eentje dit keer, maar intens genieten van de nabijheid van deze levendige familie met twee opgroeiende meiden. Het is hun eerste keer Engeland en sinds de ontscheping in Dover is alles vreemd en fascinerend voor ze. Engeland is een eiland en dat benader je met respect. Alleen per boot onderga je het echte eilandgevoel en de aanblik van de uit zee oprijzende krijtrotsen geeft je het gevoel echt iets achter te laten. Met een week in het verschiet vol tegenstellingen en charmante tegendraadsheid. Een hele natie die links rijdt, omdat het naar die kant makkelijker afstappen was voor de schrijlings zittende amazone. Ik ontferm mij over de taak van het links rijden en onder het alles overspannende, fraaie najaarsweer volgen wij de kustweg naar Seaford, een slaperige badplaats aan de voet van de Seven Sisters. Hoewel het al ver buiten het seizoen is, krijgt de zomer een verlenging met zwemmers in zee en strandgangers badend in het zonlicht. Zilverglitter op de golven, met toegeknepen ogen turend naar de schepen in de verte. Later op de middag zet het warme najaarslicht de Seven Sisters in een geelrode gloed als afscheid van alweer een fraaie herfstdag. Langzaam zal de zon in zee zakken en zullen de vogels gaan slapen. Traag zullen zachte nevelflarden tevoorschijn kruipen en durft de adem van de avond het huiverende wateroppervlak nauwelijks te beroeren, bang om door een rimpeling te veroorzaken haar uit haar zomerse droom te ontwaken. Een avond zonder dauw op de velden met af en toe een lichte, droge wind die de eerste afgevallen bladeren in kleine cirkels op en neer laat draaien. Een perfecte halve maan hangt in een wolkeloze hemel boven dit schouwspel, waaraan de mens zich onttrekt en binnen de veilige muren van zijn onderkomen vermaak zoekt. De avond die aanbreekt met kindergelach en
-gejengel, bedpogingen en kinderangsten totdat ook binnen eindelijk een weldadige rust neerdaalt. De nacht trekt over deze plek die niet ons thuis is, maar waar wij ons toch thuis voelen. Tot aan de volgende ochtend die met een oranjerode zon de nieuwe dag aankondigt. Een dag van rollende heuvels die loodrecht in zee eindigen, de plek ook waar menig leven bewust beëindigd wordt, getuige de kruizen en gedenktekens die de rand markeren. Plastic bloemen en linten fladderend in de wind. Soms is de lokkende stem van het water niet te weerstaan en neemt de zee. En zwijgt deze verder dan het graf. Reddingsdiensten doen hier fabuleus goed werk en trachten, vaak met succes, de radelozen richting politie of geestelijke gezondheid te praten. In weer en wind patrouilleren deze helden langs de kust in hun feloranje rescue-outfit, schaduwen zij de eenzamen.
Voor ons is het ook de dag van scones bij de thee en het wachten op hoog water. Sneller dan verwacht komt de vloed opzetten en rollen schuimende golven zich uit over het kiezelstrand. Tot het strand geheel verdwenen is en de Seven Sisters met hun voeten in het water staan. Rozig van weer en wind eten we ‘s avonds in de pub en doet de cider zijn werk: uitgelaten lopen wij door het uitgestorven plaatsje huiswaarts.
Het blijft zomeren aan de zuidkust van Engeland. Badplaatsen als Brighton en Hastings leven weer op terwijl het omringende landschap nu pas langzaam begint te kleuren onder de nog altijd staalblauwe hemel. Attracties zijn nog in volbedrijf en ook de fish and chips zaakjes hebben over klandizie, ja ook de onze, niet te klagen. Een bonte stoet aan dagjesmensen trekt aan ons voorbij, velen van bovengemiddeld gewicht en leeftijd. Wij wuiven onze zonden vandaag weg met het gemak van de passant die beterschap belooft, thuis, met ingang van de nieuwe week. Wie straks blijven zijn de vele daklozen die nu in de najaarszon de vele bankjes op de boulevard bevolken. Uitzichtloosheid en welgesteld zijn gaan hier, op deze smalle kilometers aan zee, zij aan zij. De een zonder hoop op beter, de ander zich bewust van de onherroepelijke neergang, met een Brexit in het vooruitzicht. Maar Engeland zal altijd wel Engeland blijven, eiland losgeweekt van Europa. Waar de slechtste wegen de mooiste uitkijkjes bieden, maar waar de linksrijdende bestuurder dan weer het minst van kan genieten. Waar men de kunst verstaat de tijd stil te kunnen zetten, zodat zelfs de zomer eeuwig voort kan duren.
Wij moeten terug, verwisselen straks links weer voor rechts en stappen van de zomer de herfst binnen. Met dierbare herinneringen aan die bijzondere Indian Summer van 2018…

Cees Sleven © oktober 2018

Advertisements

Wat doet deze smaak me je?

Wat doet deze smaak met je?

Met een licht gevoel van schaamte omdat ik er toch weer tot op het laatste moment mee gewacht heb, maar ook met een verwachtingsvolle nieuwsgierigheid open ik de enveloppe die antwoord gaat geven op de vraag “Wat doet deze smaak met je?” Er rolt een snoepje uit met de afbeelding van een appel op de wikkel. Wat doet de smaak van appel dus met mij. Gelijk flitsen mij allerlei gedachten door het hoofd. De verste gaat terug naar het paradijs waar Eva de verleiding met een appel door de slang niet kon weerstaan en vervolgens de hele mensheid in duistere misère stortte.
Te zwaar onderwerp voor nu. Met de kennis van nu heb ik daar wel een mening over, maar om die hier te opperen is spitsroeden lopen met alleen maar dames aan deze tafel.
Hoewel de appel niet mijn favoriete stuk fruit is -dat heeft alles te maken met de aanwezige schil die er, hoe verleidelijk mooi getekend en gekleurd ook uitziet, van mij af moet- ben ik wel gevallen voor die heerlijke zoetzure smaak die steeds weer zo bepalend is voor het pure fruit, maar ook terugkomt in appelsap, appelmoes en appeltaart. Torenhoog mijn favoriet hierbij is de Normandische cidre of Engelse cider. Dat beetje alcohol en dat vleugje belletjes maakt dit drankje helemaal af en tovert beelden voor mijn ogen van rijke appelgaarden, gekoesterd door de zon en gelegen in de meest arcadische landschappen… Overtreffende trap is natuurlijk een glaasje Calvados, maar ik wil niet bij jullie als alcoholist te boek staan.
Ter inspiratie voor deze verhandeling heb ik een langspeelplaat opgezet van de Beatles (ja, ik was van de Beatles), zo’n glimmend-zwarte vinylschijf met een doorgesneden appel op het label. Apple, als exclusief platenmerk voor deze Britse formatie die zo’n stempel drukte op mijn jeugd. Het nummer “No reply” brengt mij mijn eerste jeugdliefde in herinnering, een periode van kalverliefde en ontluikende jaloezie. Ineke was haar naam en ze was het vriendinnetje van mijn zus. Zij 14, ik 17 en ik moest maar eens terugkomen als ik mijn school had afgemaakt volgens haar ouders. Ineke woonde bij ons in de buurt op de kade en het was een verwarrende tijd, een tijd van smachten en niet kunnen eten, en van heel veel de hond uitlaten om maar een glimp van haar op te kunnen vangen. Handje in handje lopen in de Kinkerstraat als hoogst haalbare, net buiten de veilige buurt waar ik opgroeide, maar ver genoeg weg van haar ouders en mijn zus. Maar er kwam een andere jongen in haar leven, Ineke gaf niet langer thuis. “‘Cause you walked hand in hand with another guy in my place” Ik kijk wat mistroostig naar de draaiende appel op mijn draaitafel. “No reply” als samenvatting van mijn eerste echte verliefdheid. Slechts 2:15…
Veel later trouwde ik met Annemieke, een collegaatje van mijn zus uit het bejaardentehuis waar ook mijn oma verbleef. Ook oma kreeg in die tijd meer dan gemiddeld bezoek van haar kleinzoon. Het verliefdheidsmechanisme bleek gelukkig nog steeds zo te werken. Zonder de tussenliggende 45 jaar samen te vatten, pluk ik met die Annemieke rijpe appels op de appelplukdag in het Gelderse Rha. De appels licht optillen, een kwart slag draaien en in de volle hand opvangen. Gevallen appels dienen ook geraapt te worden. Als het leven zelf, vallen en opstaan. In de steeds voller wordende plastic tas vang ik, heel even maar, een glimp op van een heel leven van zonnedagen, maar ook van verdriet dat is blijven hangen. En van alles dat geweest is, en gebeurd is, het licht en donker van een mensenleven, weerspiegeld in de glimmende huidjes van de Elstars en het gewicht van de tas. Tussen springkussen en wafeltent, onder vlaggen die klapperen in de warme najaarswind zit aan een houten picknicktafel een tienerstel verliefd te wezen. Te midden van de appels van Rha is dit voor hen een markering in de tijd op een ritme dat de weken door de zomer droeg. Op hun mobieltjes vegen zij zichzelf terug in de tijd. In een tijd van tweets en gehaaide one-liners worden oordelen gemakkelijk geveld. Een mening is rap gevormd en geventileerd. De waarheid is gelukkig genuanceerder. Hopelijk geen “No reply” voor dit stel. Met een gerust hart en met het oog van de kenner zie ik dat het geen Samsung is, maar een Apple…

Cees Sleven © september 2018

“Nie wieder”

Skeletten, prikkeldraad en kettingen, tot een indrukwekkend geheel samengesmeed, symboliseren de lijdensweg die de gevangen van Dachau hebben moeten gaan. Ik sta voor het unieke gedenkteken van de Joegoslavische beeldhouwer Glid Nandor in het voormalige concentratiekamp. Het staat centraal voor het hoofdgebouw op de uitgestrekte appelplaats. Het gebouw waar eens de nieuw aangekomen gevangenen van hun waardigheid werden ontdaan: Geadministreerd, alle persoonlijke bezittingen ingeleverd, daarna ontkleed en gedesinfecteerd en tenslotte naamloos te werk gesteld. Aan deze lijdensweg kwam voor de “gelukkigen” een einde op de 29e april 1945 toen het kamp werd bevrijd door de Amerikanen. Het was half zes in de middag toen de eerste soldaten, uiterst behoedzaam het kamp binnenkwamen, want nog maar enkele minuten geleden werden zij beschoten vanuit de wachttorens, ondanks de witte vlaggen die de SS daar had uitgestoken. Zij betraden het kamp via de hoofdingang, door het smeedijzeren hek met de tekst “Arbeit macht frei” en ze waren geschokt, onvoorbereid als ze waren bij het zien van al die uitgemergelde doden en halfdoden. In de trein, en later bij het crematorium. De appelplaats stroomde al snel vol met duizenden dolgelukkigen gevangenen. Eindelijk waren zij vrij, na al die jaren van ellende.

Na de oorlog bood het voormalige interneringskamp onderdak aan de vele ontheemden, Duitsers die uit Tsjechisch Sudetenland, Pools Silezië, Pommeren en Oost-Pruisen waren verjaagd, als collectieve straf voor al degenen die met de bezetter hadden gecollaboreerd. Na een verbouwing van 3 miljoen D-mark ontstond er in 1949 een dorp met een kleine 2000 inwoners. Het waren eenvoudige en wat krappe woonruimten, maar voorzien van alles wat een dakloze vluchteling zich maar kon wensen. Maar de grote woningnood in Duitsland bleef waardoor het nog tot 1965 heeft geduurd heeft voordat de laatste bewoner vertrokken was. En de ontruiming ging niet zonder slag of stoot: Keer op keer werd de ontruiming uitgesteld waardoor de bouw van de Gedenkplaats Dachau sterk werd vertraagd.
Maar op 8 september 1968 was het dan zover, de inwijding van het internationale gedenkteken. In drommen waren zij naar Dachau gekomen, de oud-gevangenen, om hiervan getuige te zijn.  Daar stonden zij weer op die verafschuwde appelplaats. Maar zij kwamen niet alleen, ook de jeugd eiste haar stem op. Het waren immers de roerige jaren zestig en de jongeren wisten niet wat zij met het verleden aan moeten. Er was breed protest tegen bestuurders met een naziverleden en men liep te hoop tegen de oorlog in Vietnam en de Zuid-Afrikaanse Apartheid. Er was protest tegen het militaire vertoon en het kwam zelfs tot een handgemeen tussen de demonstranten en oud-gevangenen. Zo werd na 12 jaar van zich voortslepende meningsverschillen over het hoe en waarom betreffende dit gedenkteken, het werk van Glid Nandor ingewijd.

Het is een groot monument geworden; met een grondoppervlak van niet minder dan 48 bij 100 meter. Twee betonnen muren begrenzen een grindplateau; vandaar voert een weg omlaag, naar een pad dat het hele bouwwerk doorkruist. En daar, op twee sokkels, staat Nandor’s bronzen sculptuur. Ik laat de grootsheid ervan op mij inwerken. Ik onderscheid hekpalen, grachten en prikkeldraad, de belemmeringen van het kamp naar de vrijheid. Menselijke skeletten ter nagedachtenis aan degenen die zich in wanhoop in het prikkeldraad hebben gestort. De dood in het concentratiekamp was immers alledaags en alomtegenwoordig. Ook vertellen zij het verhaal van de vele zelfmoorden die op deze wijze in Dachau zijn gepleegd. Op het laagste punt van het pad kom ik aan nog een monument, een reliëf van sterren verbonden door een ketting. Dit gedeelte van het gedenkteken herinnert aan de sterren die de gevangenen van 1937 verplicht waren te dragen op hun gestreepte gevangeniskleding. Op de muur aan de oostzijde van het gedenkteken staat, in vier talen, met grote letters “Nie wieder”. Ervoor ligt een urn begraven met de as van een onbekende kampgevangene, ter herinnering aan het lot van de duizenden mensen die in het crematorium verbrand zijn. Efficiëntie verheven tot waanzin, totale degeneratie. Onder de tekst ligt een boeketje plastic rozen. Een vleugje menselijkheid, een vleugje hoop… Een merel zingt zijn longen uit zijn zwarte lijfje. Zijn lied weerkaatst tussen de betonnen muren. Als een echo uit het verleden…

Cees Sleven   ©   juni 2018

Met dank aan:
Pim Reijntjes – “Dachau; verhalen uit een concentratiekamp” (2005)

Pantharella en het houten jongetje

“Neem maar plaats achterin de klas, daar is nog een tafeltje vrij”. Juffrouw Loes probeert met zachte stem geruststellend over te komen naar het schichtig om zich heen kijkende meisje. “Kinderen dit is Pantharella en zij zit met ingang van vandaag in onze groep. Nu nog even aan een tafeltje alleen, maar straks komt er nog een nieuw jongetje bij, die gaat naast haar zitten”. Het meisje begint hevig te blozen nu de juf zo openlijk haar naam heeft genoemd in de klas. Pantharella, een timide, roodharig meisje dat er jonger uitziet dan haar 11 jaren doen vermoeden. Een kind, gepest om haar naam die nergens terug te vinden is en die ook nergens voor staat. Geen “lelie in de morgen” of “zij die het oog verblindt”, nee, alleen maar Pantharella, een naam om de spot mee te drijven en daarmee het kind te pesten. Zij scholden haar uit voor ‘freckles’ omdat haar rode haren een gezicht omlijnden vol met sproeten en omringden haar dan als een troep hongerige wolven. Dan voelde zij zich als een kindertekening die uit haar handen was gewaaid en daarna urenlang boven het schoolplein bleef cirkelen. Het ene moment zeilde het stuk papier langs de klaslokalen, ongenaakbaar en stabiel, dan weer belandde het in een plas, waar het door een voet  werd vertrapt. Pantharella, een kind dat uit veilige handen is gewaaid.
Met een rood hoofd van schaamte neemt zij achter het achterste tafeltje plaats. Haar en Loes’ blik blijven even aan elkaar hangen en geven haar het gevoel dat het uiteindelijk goed zal komen.
Dan wordt er op de deur geklopt en brengt de directeur het nieuwe jongetje binnen. Plotseling is het doodstil in de klas. Die Pantharella is bijzonder, maar dit slaat werkelijk alles. Een jongetje dat op een boompje lijkt. Zoiets hadden zij nog nooit gezien: het jongetje was helemaal van hout! “Neem maar plaats achterin, je kunt naast Pantharella gaan zitten”, nodigt juffrouw Loes hem uit en terwijl hij luid tussen de tafeltjes naar achteren klakt draaien alle kindergezichtjes langzaam met hem mee, zodat iedereen achterstevoren op het stoeltje zit. Alle ogen zijn nu gericht op dat rare stel achterin. Je kunt een speld horen vallen. “Hoe is het dan gekomen dat je zo geworden bent”, verbreekt juf Loes de stilte. Hield je dan zoveel van bomen? “Nee juffrouw, u heeft het helemaal mis. Ik ben heel gewoon gegroeid, ergens tussen het struikgewas, daar waar het stil en donker was. Weet u, zulke dingen komen voor, dat is heus niet zo vreemd. Wel voel ik mij vaak alleen zonder vriendjes om mee te spelen, om na schooltijd mee te ravotten in het bos”. De kinderen luisteren ademloos toe als juf Loes het houten jongetje zijn verhaal laat doen over het donkere woud waar alleen de bomen zijn, bomen die niet staren en die geen vragen stellen. Waar de dieren zich schuilhouden en feeën en dwergen het voor het zeggen hebben. En een meisje met een parmantig rood kapje over haar rode krullen op weg is naar haar grootmoeder…
Zo worden de kinderen het verhaal ingetrokken en hangt ook Pantharella aan zijn houten lippen: over een bekrompen wereld die het niet begrijpt, en blind is voor de wrange ironie dat hout duurzaam is en dat rood de kleur is van de liefde. Een wereld die er voor kiest om op lichtloze, kille dagen een weg af te leggen als een lint van leegte. Er voor kiest om dommer te sterven dan nodig is geweest…
De volgende ochtend blijft het achterste bankje in de klas leeg. Van Pantharella en het houten jongetje is nooit meer iets vernomen. Wel werd er onlangs een wolf in het bos gesignaleerd…

Cees Sleven © augustus 2018
Tekening: Daan Sleven Sr. – 1963

Dachau, in het spoor van de landschapsschilders

Halverwege (Aschaffenburg), maandag 14 mei 2018

Een vochtige deken ligt over het landschap als ik op deze vroege maandagochtend de Autobahn richting Frankfurt opdraai. Het is nog opvallend rustig op de weg en de echo’s van 3 dagen theaterfestival op Hoogte 80 zijn nog niet helemaal uit mijn hoofd verdwenen. Het waren fysiek intense dagen van zelf spelen en gespeeld worden, maar ook van nieuwe en hernieuwde vriendschappen, jolijt en vermaak, en dat alles op het zonovergoten, hoogste punt van Arnhem. Toch doet de grijze wereld om mij heen bijna weldadig aan en markeert het begin van een aantal dagen cultureel zwerven naar het zuiden van Duitsland. Na mijn bezoek ‘n aantal jaren geleden aan de voormalige kunstenaarskolonie Worpswede bij Bremen, heb ik besloten, wanneer de gelegenheid zich zou voordoen, ook een bezoek te brengen aan Dachau, ten noordwesten van München. Hoofddoel van deze reis is om de eenzaamheid te ervaren van het Dachauer Moos, het landschap ten noordwesten van München, dat dankzij zijn speciale lichteffecten zo’n aantrekkingskracht uitoefende op talrijke schilders uit de plein-air schilderkunst. Op het einde van de 19e en aan het begin van de 20e eeuw ontwikkelde Dachau zich tot een van de belangrijkste Europese kunstenaarskolonies. Toch zal ik ook de confrontatie aangaan met het leed en verdriet van hen die slachtoffer werden van het nazi-regime in het voormalige concentratiekamp Dachau. Ik zal een van de 800.000 vrije mensen zijn die jaarlijks de gedenkplaats bezoeken. Op zoek naar de tegenstelling: De vredige eenzaamheid van het omringende landschap tegenover de uitzichtloze eenzaamheid in het kamp 50 jaar later, wat het met mij doet, daar zal ik jullie verslag van doen…

“Enkel verdriet is van de ziel het wezen. Een zelfde eenzaamheid sluit allen in. De grootste liefde heeft geen andere zin dan in elkanders oog het leed te lezen”.

Hopelijk zullen deze regels van de dichter Ed Hoornik die kamp Dachau overleefde mij inspireren om deze tegenstelling te ervaren. Ik spring van Baustelle naar Baustelle om tegen het middaguur aan te komen in Aschaffenburg, de bisschopsstad aan de Main. Tijdens mijn 1e Milchkaffee deel ik mijn terrastafeltje met een local van gelijke leeftijd die na wat algemeenheden over het weer aan mij vraagt wat Holland gaat klaarmaken op het WK voetbal. Een rechtse hoek waardoor ik even knock-out ben en waar tegenover mijn Arjan Robben niet opgewassen is. Maar ik ben hier toch in Beieren? De man heeft duidelijk plezier om mijn stuntelige reactie en maakt het goed door mij feilloos alle hoogtepunten van de stad te wijzen. En zo begin ik aan een stadswandeling die mij brengt naar het Schloss Johannisburg, de uit rode zandsteen opgetrokken bisschops-residentie, met zijn karakteristieke vierkante hoektorens. Het museum is helaas gesloten zodat ik de werken van de Duitse schilder Lucas Cranach moet ontberen, maar dat wordt ruimschoots goedgemaakt in de St. Peter en Alexander-Kirche, waar vele schilderijen uit de School van Lucas Cranach te bewonderen zijn. Indrukwekkend is daar ook de romaanse crucifix uit de 12e eeuw. Langs de Main-promenade wandel ik door het slotpark naar het Pompejanum dat een replica van een villa uit Pompeij moet voorstellen. Persoonlijke hobby van koning Ludwig I… Vanaf het terras heb ik een prachtig zicht op de stad, de rivier en de bergen van de Spessart daarachter. Daarboven trekt de lucht dicht, klonteren bloemkoolwolken samen tot een asgrauw geheel en het duurt niet lang of een knetterend onweer barst los. Verkoelend koude druppels op mijn zweterige huid. Ik schuil onder de blauwe regen waar de dikke regendruppels zich vermengen met de loslatende bloemblaadjes die met duizenden naar beneden komen. Even waan ik mij in een Disney-film en verwacht ieder moment de opkomst van een of ander sprookjesfiguur. ‘n Nabije inslag van de bliksem boort al deze gedroomde romantiek de grond in en wens ik hevig dat deze bui snel overtrekt. Wanneer het langzaam minder wordt kom ik op de promenade een ouder echtpaar tegen: Hij in een rolstoel, zij met de paraplu erboven. We maken een praatje en zie, het silhouet van de stad staat weer in een gouden licht. Plu kan dicht, ieder gaat weer zijn eigen weg… De mijne gaat naar Haibach, een aangrenzend dorp met een kerk, een bushalte en een hotel. Daar slaap ik vannacht en heb ik zojuist gegeten. Een restaurant zoals je hier kan verwachten: Heel veel hout, heel veel geschilderde bloemetjes op dat hout, perkamenten lampenkapjes, grof gepleisterde muren waarop een crucifix ons zondige gasten scherp in de gaten houdt. Met onze te volle borden, met onze alweer te vullen glazen, met ons te harde lachen, met onze lege conversaties. En God zag dat het niet goed was… Vanmiddag op het terras aan mijn 2e Milchkaffee zaten een paar tafeltjes verderop twee oudere heren, een van hen duidelijk Parkinson, de ander duidelijk in een ondersteunende rol. Koele witte wijn voor beide heren. En poffertjes met rode vruchten in een schaaltje. Er werd voorzichtig geproost, klinkende glazen en de geur van fruit die over het terras trok. Ik deed een tweede suikertje in mijn koffie. En zag dat het goed was…

De 2e etappe (Rothenburg ob der Tauber), dinsdag 15 mei 2018

Dat een aantal mooie, warme dagen meestal eindigt met onweer is welhaast een zekerheid. Dat der Mannschaft het goed gaat doen op het WK is ook zo’n zekerheid. Dat er, na geflitst te zijn in de bebouwde kom, binnen een paar weken een bekeuring op de deurmat ligt is ook een waarheid als een koe. Alleen het bedrag dat vermeld zal staan in de keurig in het Nederlands gestelde brief is nog onzeker. Ik heb duidelijk even de pest in toen het vanochtend weer zo laat was, want ik genoot echt van de adembenemende natuur waarin langs het riviertje de Tauber de vele schilderachtige, historische stadjes en dorpen liggen uitgestrooid. Gatver…, let dan toch op, laat je niet zo meeslepen! Vanuit Haibach zocht ik mijn weg door de beboste heuvels van de Spessart naar de noordelijke Romantische Strasse om deze tot Rothenburg ob der Tauber te volgen. Inderdaad een spectaculair landschap langs het dal van de Tauber met links en rechts heuvels in duizend kleuren groen met daarin felle accenten rood en paars van de vele bermbloeiers. Het was wenden en keren en en talloze malen werd de rivier overgestoken. De plaatsjes waar ik doorheen kwam waren uitgestorven, maar mooi door hun eenvoud. Faller-gebouwtjes in grijs, bruin en oker. Ook telde ik de stationnetjes, want al snel werd de weg vergezeld door een spoorlijntje. Even had ik weer het gevoel op mijn eigen modelspoorbaan te rijden: al dit moois op een blad van 1 x 2 meter. Alleen de hemelboog die vandaag veren trek in het blauw ontbrak er nog aan. Rond het middaguur parkeerde ik mijn auto aan de rand van Rothenburg net buiten de stadsmuur die het hele middeleeuwse stadje omringt. Door één van de vijf stadspoorten betrad ik de historische stadskern en inderdaad: het is een juweeltje. Zonder enige structuur begon ik in het wilde weg te fotograferen en in no-time was ik deel van dit reservaat voor 65-plussers. Het juweel wordt opgepoetst en vertroeteld door het massatoerisme en zelfs nu al, in de vroege maand van mei, heb je het stadje niet voor jezelf. Ik was op zoek naar details, plaatjes zonder mensen erop, alsof ik zojuist was uitgestapt uit een tijdscapsule. Karakteristieke huizen die scherpe schaduwen trekken over de keien, gildespreuken op de gevels, toevallige planten die bloeien aan de stadsmuur. Toen ik, met zeker 10 anderen, in de Schmiedgasse een charmante splitsing van straatjes wilde vastleggen, gaf ik er de brui aan en vluchtte ik naar achteraf. Op het koele terras, achter mijn glas Johannesbeeresap, observeerde ik in alle rust mijn mede-terrasgenoten en hun bestellingen. Een wat oudere serveerster met een veel te blote dirndl-jurk was de vriendelijkheid zelve toen zij mij uitnodigde ook wat te eten. “Nein danke”, antwoordde ik, “Ik moet snel weg van hier”, dacht ik er gelijk achteraan. Nog ruim 200 asfalt-kilometers had ik voor de wielen. Langzaam zag ik het landschap afvlakken op weg naar mijn plekje op de Zuidduitse hoogvlakte. ‘n Laatste kronkelweg, het bos in, het bos uit en dan plotseling een dorpsstraat. En daar was het, met uitzicht op de velden waarboven zwaar onweer dreigde. Het welkom was hartverwarmend, hier ga ik mij thuisvoelen. Wanneer ik dit schrijf is de avond reeds gevallen, al het daglicht uitgedoofd. Morgen weer een nieuwe dag met hopelijk dat fascinerende schilderslicht in het Dachauer Moos, niet ver van hier. Ik laat het raam vannacht maar open, zodat dat vroege licht naar binnen kan…

Aan de hand van de schilders (Dachau), woensdag 16 mei 2018

Het wil maar niet licht worden vanochtend, een blik naar buiten bevestigt mijn vermoeden: een totale weeromslag. Elkaar najagende wolken en een constant kletterende regen bepalen niet alleen het weerbeeld, maar ook mijn programma voor vandaag. Het is de eerste regen hier sinds 6 weken en meer dan welkom voor boeren en tuinbezitters. De uitgedroogde bodem zuigt het hemelwater op als een spons, er vormen zich nauwelijks plassen. De fraai opgetuigde meiboom voor het huis krijgt nieuw elan nu -aan het begin van de zomer- het wel goed zal komen met alles dat groeit en vrucht zal dragen. Het geloof daarin is groot en zal leiden tot vruchtbaarheid voor vee, akkers en mensen. Ik zal vandaag het magische licht moeten zoeken in de beslotenheid van de Gemäldegalerie in Dachau waar de 19e- en 20e-eeuwse landschapsschilderijen hangen uit de Dachauer Malerschule. Aan de hand van schilders als Christian Morgenstern, Ludwig Dill, Max Liebermann en vele andere word ik meegenomen naar de eenzaamheid van het Dachauer moerasgebied langs het riviertje de Amper. Zij zijn gefascineerd door dit zompige gebied met zijn steeds wisselende lichtomstandigheden. Weidse vergezichten tussen een hoge hemel en spiegelend water. Arm land dat de kinderrijke families niet meer kan voeden en industrialisatie de dagloner langzaam maar zeker doet verdwijnen. Ontvolkt land, eenzaamheid is wat achterblijft. De schilders keren hun academie in München de rug toe en vinden in het Dachauer Moos en aan de oevers van de Amper nieuwe inspiratie en motieven: Het karige moerasgebied, onbedorven en oorspronkelijk landschap met zijn eenvoudige boerenleven. Fritz von Uhde toont mij in “Der schwere Gang” een jong paar op een mistige, natte winterdag dat voort ploegt op een modderige landweg. Het toont het leven in het armzalige milieu van Dachau-Augustenfeld. Maar er zijn ook trotse portretten van Dachauer vrouwen in klederdracht, sommige heel realistisch en rijk aan details, andere weer impressionistisch benaderd, waarbij lichteffecten de ware identiteit van het model verhullen. Ik sta werkelijk in dit weidse landschap met zijn waterpoelen en berkenbosjes. Het druipt er van de regen en van de inspiratie. Dit wilde ik zien, dit lokte me naar hier. Ik sta onder jagende wolken, hoog boven mij ruist de wind in de bomen. Het enige geluid, zo klinkt de stem van de eenzaamheid. Alleen zijn is voor het moment, eenzaamheid is wanneer alleen zijn zich vermengt met herinnering. Deze eenzaamheid voelt bijna prettig aan, wanneer een tikje op de schouder mij doet ontwaken uit mijn diepere gedachten. Mijn aandacht voor de landschappen is niet onopgemerkt gebleven en na het uitwisselen van enige beleefdheden ontvang ik van de receptiedame een speciale uitnodiging voor de nieuwe tentoonstelling “Baumbilder” die morgenavond opent. Als “bomenschilder” op kasteel Doorwerth laat ik deze kans natuurlijk niet voorbijgaan! Na het einde van de eerste Wereldoorlog in 1918 heerst er ontreddering en grote werkloosheid in Duitsland en verloopt de kunstenaarskolonie aan de Amper. De munitiefabriek in Dachau wordt ontmanteld en in 1933 wordt op het vrijgekomen terrein het eerste concentratiekamp van de nazi’s opgericht. Het zal morgen een zware gang worden daarnaar toe, een gang die ik moet gaan. Om ook die herinnering levend te houden …

Die andere eenzaamheid (Dachau), donderdag 17 mei 2018

Veel later dan gebruikelijk begin ik vanavond aan mijn reisverslag. Niet omdat de inspiratie ontbreekt, nee, het zijn de indrukken vandaag die mij naar woorden doen zoeken. Niet elke dag betreed ik een terrein via een smeedijzeren hek waarboven de spreuk “Arbeit macht frei” het ergste doet vermoeden. Vandaag bezoek ik het concentratiekamp Dachau met gemengde gevoelens: Ben ik wel goed voorbereid op alles wat ik te zien krijg? De beelden van al die uitgemergelde doden, de aanblik van de verbrandingsovens, de details over de medische experimenten die daar op grote schaal plaatsvonden. Ik aarzel reeds bij de ingang en besluit mijn opdracht te herformuleren: Blijf in het nu en zoek redenen waarom dit alles nooit meer mag gebeuren. Ook besluit ik vandaag mijn fototoestel niet aan te raken. Ik wil de indrukken rechtstreeks verwerken en de beelden toetsen aan alles wat ik -in het heden- om mij heen zie gebeuren. Opvallend zijn de vele groepen scholieren die ook vandaag dit kamp Dachau bezoeken. Samen met hen betreed ik het hoofdgebouw waar eens de nieuw aangekomen gevangenen van hun waardigheid werden ontdaan: Geadministreerd, alle persoonlijke bezittingen ingeleverd, daarna ontkleed en gedesinfecteerd en tenslotte naamloos te werk gesteld. Veel foto’s, veel verklarende teksten, de jeugd ondergaat het gelaten, maar laten hun mobieltjes overuren maken. Voor thuis, voor later, voor hopelijk een betere wereld. Ik dwaal door het gebouw: halfverlichte ruimtes, vlekkerig beton, zwaar verroeste leidingen, tralies voor de ramen.

Een traliegat, een dikke muur
Het zonlicht dat, hoe ik ook tuur
De weg door het gat niet kan vinden
Alleen, ik ben alleen.

Drie passen heen, drie passen weer
Terwijl ik strofen declameer
Van verzen uit herinnering
En zachtjes oude liedjes zing
Als uit verweer.

Een cel, een kale grond
O plek waar mijn wieg eens stond
Herinnering van lang geleen
Flits van thuis vliegt door je heen
Alleen, je bent alleen

– Mary Vaders

In de bioscoopzaal zie ik een documentaire over de gruweldaden van de nazi’s. Alleen voor 12 jaar en ouder. Na afloop zie ik tieners van 13 en 14 jaar met rode ogen, steun zoekend bij elkaar. Ik stroom met hen naar buiten, de appelplaats op, die komt als een bevrijding. Aan de overzijde van het immense grindveld begint de beklemming opnieuw wanneer ik de overgebleven barakken bezoek. Het is dringen tussen alle scholieren, ongeloof tekent hun gezichten. Hier lagen de zieken op dezelfde houten britsen als alle anderen en kregen ook hetzelfde eten, soep van water en wortelen. De slechte voeding en onhygiënische omstandigheden veroorzaakten epidemieën als schurft en buiktyfus. Vrijwel alle gevangenen hadden dysenterie, die veel slachtoffers eiste. Moordend was ook de vlektyfus rond de jaarwisseling 1944 – 45. Samen met de scholieren verplaats ik mij naar het crematorium. Plichtmatig en zonder emotie vertelt de begeleider het verhaal: Uitkleden, kleding ontsmetten met zyklon-B, wachten, uitleg over het “douchen”, vergassen met hetzelfde zyklon-B, de lijkenkamer, de verbrandingsovens… Efficiëntie verheven tot waanzin, degeneratie… Op de executieplaats ligt voor de door kogels doorzeefde muur een boeketjes plastic rozen. Een vleugje menselijkheid, een vleugje hoop… Een merel zingt zijn longen uit zijn zwarte lijfje. Ik besluit weg te gaan en nog even langs het bezoekerscentrum te lopen. Voor veel te veel geld zit men hier braadworst druipend van de ketchup te eten. Ik voel een knoop in mijn maag en vlucht naar de boekenwinkel waar werkelijk honderden getuigenissen liggen uitgestald van hen die deze hel overleefden. Gebroken levens zijn het veelal, levens die weer op de rails gezet zijn. Voor de lange reis terug, terug naar een vleugje menselijkheid… Later vanavond schud ik de hand van Dachau’s Oberbürgemeister Florian Hartmann, maar dat verhaal vertel ik morgen…

Nog even langs het paradijs (Gutenacker), vrijdag 18 mei 2018

Een kip in het Duits is gewoon das Huhn, maar een “Kipp” blijft toch wel heel bijzonder: Een verhoging in het landschap, waarop op het bovenste puntje de naakte rots uit de grond steekt. Het dorpje Gutenacker in het Westwald ligt op zo’n verhoging en het laatste logeeradres van mijn voorjaarszwerftocht, “Haus am Kipp”, is gebouwd bovenop de rotspunt. Vandaar heb je een prachtig uitzicht op de groene heuvels rondom en het beboste dal van de rivier de Lahn. Zes jaar geleden was ik als eens hier, in de herfst, maar nu toont het voorjaarslandschap zich op zijn mooist: Witte bermen van het fluitenkruid, met accenten van paarse lupine en het fel rood van de klaproos, tegen steeds weer wisselende tinten groen van het heuvelland. Het laatste stukje klim in vanuit het Lahndal omhoog en elke bocht in de stille landweg biedt steeds nieuwe vergezichten. De middag is zonovergoten, dit stukje natuur voelt als van mij. Vergeet straks maar dat je dit gelezen hebt, ik mocht je maar eens op een idee brengen! Het weerzien was allerhartelijkst en werd beklonken met een glaasje Sekt. De “Boargjungs” is mijn huisje, beneden wonen, boven slapen. Het zal mij aan niets ontbreken. Een heerlijk plekje om mijn belevenissen van de afgelopen week nog eens te overdenken. Gisteravond werd mijn bezoek aan de kunstenaarskolonie Dachau op een bijzondere wijze afgesloten, omdat ik een uitnodiging had ontvangen om aanwezig te zijn op de opening van een nieuwe tentoonstelling in de Gemäldegalerie met de titel “Baumbilder”, de boom als stilistisch middel in de landschapsschilderkunst, veelvuldig toegepast door de schilders van het Dachauer Moos. Om het beeldvlak in te delen, of om diepte te suggereren, maar ook vanwege hun functie als beschutting tegen zon, wind en regen, of als sier- en fruitbomen. En niet te vergeten de belangrijke rol die de boom vervult in onze cultuur Als middelpunt van ons dagelijkse leven. We dansten onder de lindeboom, onder de eik werd recht gesproken, populieren markeren de centrale weg tussen de barakken van Dachau… De levensboom als symbool voor zich hernieuwend leven, een dode boomstronk die staat voor de vergankelijkheid van het leven… Over al deze aspecten van de boom en hun toepassingen in de schilderkunst gaat het openingswoord van Herr Oberbürgemeister Florian Hartman. Maar niet nadat alles zorgvuldig is gecontroleerd: Het spreekgestoelte, de microfoon, nog eens de microfoon, de gereserveerde stoelen voor de gasten, instructies voor de aanwezige pers, het gebeurt allemaal met Duitse precisie. De conservator van het museum doet er nog een schepje bovenop wanneer zij uitlegt waarom de panelen mosgroen zijn, waarom de schilderijen op seizoen hangen en wat de reden is dat op elke beschrijving, bij elk schilderij, de soort boom vermeld staat. Duitsers houden blijkbaar niet van risico’s nemen, gaan voor de perfecte oplossing. Daar heb ik eerder op de dag een aantal weerzinwekkende voorbeelden van gezien… Dit feestje is echter onschuldig, met een drankje, een hapje en veel vriendelijke woorden. Ik word door mevrouw de conservator voorgesteld aan de burgemeester als “unser Freund aus Holland” en als ik mijn alter ego Théophile de Bock, de bomenschilder, opvoer, blijkt hij werkelijk geïnteresseerd. Hij kent kasteel Doorwerth en de Oosterbeekse School schilders. Museum Veluwezoom en de Gemäldegalerie in Dachau zijn immers via EuroArt aan elkaar verbonden. Ik kies “Birken im Moos” van Arthur Langhammer als mijn favoriete schilderij, neem nog een slokje, prik nog een blokje kaas, maar verlaat dan ongezien het museum. De uientoren van de St. Jacob kerk staat nog in het licht, het dak glinstert in de avondzon. Een waardiger afsluiting van mijn bezoek aan Dachau kan ik mij niet wensen. Morgen keer ik huiswaarts, vele en onverwachte indrukken rijker. Ik doorleefde de Feldeinsamkeit in het Dachauer moeras, maar de intens beleefde eenzaamheid van de gevangenen van het kamp bleef voor mij verborgen en onpeilbaar. Gemeenschappelijk is het groot verlangen, het verlangen om te herscheppen. Hoe iets was, of hoe het misschien beter zou kunnen. Misschien ligt daar wel een volgende opdracht voor mij…

Cees Sleven © mei 2018

Met dank aan alle lezers voor hun inspirerende reacties op mijn reisblog!
Alle foto’s werden gemaakt met een Samsung L100 digitale camera
en zijn te bekijken via mijn website > Foto-albums.

Loflied

Loflied

Op het zwart-wit plaatje dat ik krijg uitgereikt staat een kraampje. Eigenlijk is het geen kraampje gezien de permanente opstelling op een vlonder en de mogelijk het geheel af te kunnen sluiten bij afwezigheid. Maar de luifel staat open en in het huisje wacht de uitbater duidelijk op klandizie. Het is hoogzomer, want de omringende bomen staan zwaar in het blad. Er komt een jongeman aangelopen in kleren die wijzen op een tijd die misschien wel zo’n 80 jaar achter ons ligt: Jasje, dasje en no jeans at all. Het huisje voert de opschriften “De Hoop Onnen”, “IJs” en “Choco’s” en het is me al snel duidelijk dat het hier gaat om een verkooppunt van de stoomzuivelfabriek “De Hoop” uit het Groningse Onnen, die later zou uitgroeien tot de vermaarde roomijsfabriek.
Ik maak stappen terug in de tijd, terug naar mijn eigen jeugd, de jaren 60. Het was de tijd van de immens wijde broekspijpen en in de zomer kleurige bloemenhemden. We voelden ons, zelfs op bescheiden schaal, allemaal bloemenkinderen. En het was het tijdperk van de opkomende ruimtevaart. Toen, geheel aan mijn waarneming onttrokken, geschiedde in Onnen, daar in die ijsfabriek, het wonder: In 1962 werd daar de Raket geboren, het nog altijd populaire waterijsje met de smaken framboos, sinaasappel en ananas. Het was een groot succes vanaf de introductie en heeft sindsdien niet aan populariteit ingeboet. Wat is het geheim van dit simpele, puur Hollandse waterijsje? Heel eenvoudig: de Raket is altijd hetzelfde gebleven. De markt veranderde, de smaak van de consument veranderde, ijsjes kwamen en gingen, maar de Raket bleef. En werd met recht een “klassieker”. Vrijwel iedereen heeft wel eens een Raket gegeten. De fruitige drietraps-combinatie valt goed in de smaak. Zo goed zelfs dat, toen de receptuur iets werd aangepast, consumenten een actie ondernamen om de oude, vertrouwde smaak weer terug te krijgen. En dat lukte: de Raket bleef zoals-ie was. Een Raket is opgebouwd uit laagjes. Om dat voor elkaar te krijgen is er een machine ontwikkeld waarin de verschillende smaken siroop na elkaar worden ingevroren, eerst framboos, dan sinaasappel en als laatste ananas. De Raket wordt vervolgens aan het stokje opgetild en verpakt.
En dan had je hem in de hand. Het papiertje werd er afgestroopt, wat niet lukte zonder stroperige vingers te krijgen. Wanneer het kleurige ijsje aan de buitenlucht werd blootgesteld vormde zich een wazig condens laagje als rijp op de velden op een wintermorgen. De eerste beet was het lekkerst: geen gelik, maar de voortanden gelijk in de eerste trap gezet. Het fruitig zoet streelde de tong tot de smaak van ananas, helemaal aan het eind, zich vermengde met die van het houten stokje. Omdat het smeltproces inmiddels al ver gevorderd was, werd het laatste brok waterijs geheel in de mond genomen dat een vlammende pijn achter de ogen en in het hoofd veroorzaakte. Langzaam steeg de raket ten hemel en verdween in euforische smaakgevoelens uit zicht. Wat bleef was het houtje en twee plakkerige mondhoeken.
De jongeman op het plaatje weet hier alles nog niets van. Ligt voor hem allemaal nog verborgen in de schoot van de toekomst. De uitbater uit Onnen houdt hoop, hoop op klandizie. Ik heb de neiging om hem vanuit het heden toe te vertrouwen dat het allemaal wel goed komt. Hem zachtjes in te fluisteren: “Raket… Cornetto… Calippo… Twister… Solero… Magnum…”

Cees Sleven © april 2018

Narcissus



Narcissus

Naakt, slechts een wit kleed dat de spruit bedekt
tot –door voorjaarswarmte afgelegd-
nieuwe trots het hemels blauw omlijnt
en de knop zich naar het leven strekt.

Neerbuigend in winters laatste ademtocht
groepen zij samen, schouder aan schouder,
wachtend op lentes strelende warmte
die in tijdloos ritme sneeuw en ijs bevocht.

Zij, de gouden narcissen uit mijn jonge jaren,
door Wordworth reeds zo fraai bezongen,
ik zag er duizend wiegend in de wind
met steeds weer dat intens verlangen in al dat goud te staren.

O prille lentebode, onkwetsbaar voor voorbije winterkou,
gooi af je veilige knop, laat schallen je trompet!
Laten we fladderen en dansen in de lentebries
voor ik dankbaar de handen samenvouw.

Cees Sleven © maart 2018