All posts by Cees Sleven

Hunsrück, land tussen Rijn en Moezel

 

Piëta, Moni Stein

Alleen de stilte leidt tot zaligheid, woensdag 3 april 2019

Of deze wijsheid ook deel uit maakt van de ‘Regel van Benedictus’ weet ik niet, maar in de Benedictijner abdij van Maria Laach, in het oosten van de Eifel, ervaar ik de stilte die er heerst als een pure weldaad. Het voorjaar is er nog pril, de omliggende heuvels kleuren voorzichtig groen, maar in de plantenkwekerij van de monniken schreeuwen gele forsythia en roze tulpenbomen om aandacht van de nog weinige bezoekers. Prima tijd eigenlijk om eropuit te trekken, het is overal nog heerlijk stil en de natuur is nog vol beloften. Het kloosterforum is nieuw, een tentoonstellingsruimte waar ik een aantal moderne kruisweg staties van Moni Stein bewonder, aandoenlijke plastieken die bij mij het Paasgevoel losmaken. In de filmzaal krijg ik een inkijkje in het kloosterleven van de Benedictijner monniken hier aan de Laacher See. En hoewel het hele complex en entourage is ingesteld op de ontvangst van vele tienduizenden bezoekers per jaar, betreed ik op deze druilige middag in april helemaal in mijn eentje de romaanse basiliek met zijn zes torens. Wanneer ik het voorportaal, het Paradisum, binnenga noteert het gebeeldhouwde duiveltje boven de ingang al mijn zonden op een lijst. Ik vind dat hij er wel heel lang voor nodig heeft. En hoewel ik hier op alle werkdagen zou kunnen biechten besluit ik, uit vrees dat mijn lijst in de schemer van de biechtstoel tevoorschijn zal worden gehaald, dit niet te doen. Het interieur van de basiliek is mooi van soberheid, donker ook, en als ik even later weer buiten sta knipper ik met de ogen tegen een waterig zonnetje. Het bos is tot leven gekomen, waar de vogels elkaar met hun gezang proberen te overstemmen. Wat een heerlijke plek is dit, aan de oever van het grootste kratermeer van Duitsland, 12.000 jaar geleden gevormd als gevolg van een geweldige vulkaanuitbarsting. Vier oude vulkaanbergen, met bossen bedekt, omringen het meer als stille getuigen van deze gebeurtenis.
Ik trek verder, om het meer heen, op zoek naar de Lydiaturm in het dal van de Brohlbach met zijn grillige hellingen en dichte begroeiing. Maar ook hier spruit het voorjaar uit het vulkanisch gesteente. Langzaam maar zeker klimt de weg uit het dal omhoog en waar het landschap opener wordt vind ik de uitkijktoren die een prachtig uitzicht biedt op de omgeving, eens gevormd door gloeiende lavastromen uit tientallen vulkanen. Nu heerst er de stilte en bepalen tinten grijs de contouren. Het miezert en ik huiver. Niet eens zo’n slecht gevoel.
Later op de middag ben ik in Niedermendig op zoek naar de St. Cyriakuskerk die ik gelijk zou moeten vinden want ik ben er eerder geweest. Het plaatsje en omgeving ziet er gehavend uit. Grauwe terreinen te midden van een door basaltwinning gehavende natuur. En overal grijze brokken steen. Als bergen achteloos neergelegd of als gapende gaten achtergelaten in het landschap. Ik doorkruis het stadje meerdere malen, moet zelfs de hulp van een voorbijganger inroepen, maar uiteindelijk sta ik oog in oog met de wonderschone, middeleeuwse wandschilderingen in deze romaanse kerk uit de 12e eeuw. Geen tijdslot, vastgelegd via internet, geen ellenlange wachttijden, nee, helemaal alleen sta ik daar, terwijl de testamenten aan mij voorbij trekken, weergegeven in de mooiste, kleurigste details. Ik zie de lijdenswerktuigen van Jezus, maar ook een ridder ter herinnering aan de kruistochten. Een 6 meter hoge Christoffel, beschermheilige van de reizigers, ik voel mij aangesproken. Het Jongste Gericht toont de zaligen die met gevouwen handen een heuvel oplopen naar de hand van God. De veroordeelden daarentegen worden naar de hel gedreven waar de duivel hen opwacht. Misschien was het toch beter geweest even te biechten vanmiddag… Ook de heilige Nicolaas is aanwezig met een sterk staaltje: hij wekt een vermoorde en vervolgens in een zoutvat gepekelde leerling weer tot leven…
Met een hoofd vol indrukken verlaat ik Niedermendig en voeg ik in een opstuivend regengordijn in op de Autobahn naar mijn eindbestemming van vandaag, Bad Münster am Stein-Ebernburg, schilderachtig gelegen aan het riviertje de Nahe. Een kuuroord, hoge rode rotsen en een burcht op een verheven positie boven het stadje. Voor ik de gordijnen sluit stap ik nog even op het terras. Prachtig uitgelicht staat hij daar, de 11e-eeuwse Ebernburg. Ook die zal over mij waken wanneer ik weg zal zinken in een diepe slaap. En nu maar hopen dat de zwarte kat niet op zijn staart getrapt zal worden…


Kloosterruïne Disibodenberg

Het Pad der Stilte, donderdag 4 april 2019

Ik loop vanochtend het Pad der Stilte, het laatste stukje van de pelgrimsroute bergop naar de kloosterruïne Disibodenberg waar in 1112 de toen 14-jarige Hildegard (von Bingen) een kluizenarij betrok naast het daar gestichte Benedictijner mannenklooster. De weg omhoog deze Disibodenberg op, gelegen op het punt waar Nahe en Glan samenstromen, is steil en glad. Alles om mij heen is doordrenkt van regen. Natte nevels hangen aan de beboste heuvels, er is geen tekening te bespeuren in de grijze lucht. De nog kale takken dragen naast hun gezwollen knoppen ook nog het gewicht van ontelbare zilveren regendruppels. Alleen de prunus staat onbeschaamd te bloeien tussen het voorzichtige groen. Ook hier ben ik helemaal alleen, alleen in het landschap, alleen met de ruïne waarvan de contouren opdoemen wanneer het pad eindelijk afvlakt. De stilte wordt nog maar eens benadrukt door schreeuwende Vlaamse gaaien die hun territorium bedreigd zien door deze eenzame wandelaar. Wanneer zij zwijgen is het getik van de regen op mijn paraplu het enige geluid dat overblijft. Ik betreed het ruïne-complex en probeer me voor te stellen hoe het leven hier geweest zou kunnen zijn met Hildegard die langzaam maar zeker uit de schaduw trad van het kluizenaars bestaan, haar visioenen ging optekenen en brieven uitwisselde met hooggeplaatste personen. Hildegard was slim, Hildegard was veelzijdig. Zij hield zich bezig met religie en filosofie, was actief op het gebied van de wetenschappen en muziekbeoefening en werd de eerste bij naam genoemde componiste van de klassieke muziek. Zo verklankte zij haar visioenen en schreef meer dan 70 gezangen. Deze vind ik snel op Spotify en met oortjes in glibber ik door de ruïne. Als een gehavend gebit staan daar de overblijfselen van het eens zo glorievolle kloostercomplex. Op 17 september 1179 overlijdt Hildegard op 81-jarige leeftijd. Een lichtstraal uit de hemel valt op haar doodsbed, een lichtstraal die ik verder vandaag bij leven moet ontberen…
In Meisenheim ontmoet ik Hans. Hans studeerde als 20-jarige af in de landbouwtechniek toen ik nog in de luiers liep. We komen aan de praat in Gasthaus “Zur Stadtmauer”, een werkelijk gastvrije gelegenheid waar de locals tussen de middag samenkomen voor een stevige lunch. Ik neem plaats aan de leestafel voor mijn traditionele Goulashsuppe en even ben ik bang dat ik op Hans’ vaste plaats ben gaan zitten, maar hij gebaart dat het goed is en dat hij reeds op zijn eigen stek zit. Hans is kras, neemt het ervan met zijn 88 jaar. Soep van de dag die hij slurpend naar binnen lepelt met daarnaast een groot glas bier. Met een glaasje melk bij mijn goulashsoep voel ik mij opgelaten, zeker wanneer de vraag op tafel komt wat gezonder is voor de mens, melk of bier? ‘Melk is om groot te worden, bier is om groot te blijven’ antwoordt Hans vol overtuiging. Hans is aardig op weg om gelijk te krijgen. Bovendien woont Hans, vindt hij, in het paradijs. Die Pfalz, de fraaie streek die ik vandaag doorkruis, is zijn paradijs. Hij is er geboren en getogen, maar ook kent hij de wereld. Zeker het oosten van Duitsland waar hij als landbouw ingenieur Hollandse boeren hielp grote bedrijven op te zetten, wel tot 1000 ha. groot. Maar zijn hart ligt hier, aan de Nahe en de Glan, in het ommuurde stadje Meisenheim. Het wordt al maar drukker in het Gasthaus, die Susi rent de benen uit haar lijf als hele families op het dagmenu afkomen: een halve haan met frites en sla voor slechts 7 Euro. Ook ik moet inschikken en zie dat er in korte tijd een heel kippenhok doorheen gaat. En kluiven met de handen is hierbij de standaard. Echter niet voor Hans, die houdt het bij frietjes en een braadworst, die niet alleen zijn ogen, maar ook zijn hele mond doet glimmen. Na mijn laatste slok melk vertrek ik en geef Hans een hand ter afscheid en als dank voor het aangenaam verpozen. Hij legt zijn hand op mijn arm en wenst mij een goed verblijf in zijn paradijs en een behouden reis terug naar huis. Even, heel even maar, voel ik mij een figurant in de Tv-serie “Heimat”. De mensen, het landschap in zwart-wit en in alle tinten grijs daar tussenin, ik maakte er heel even deel van uit. Was dat niet waarvoor ik naar hier gekomen ben? Nog 3 dagen te gaan…

Kurpark, Bad Münster am Stein-Ebernburg

Stil verlangen, vrijdag 5 april 2019

Vandaag, de 5e april 1844, zal ik een heel bijzondere ontmoeting hebben, namelijk met William Turner, de beroemde Engelse romantische schilder van landschappen die hier op de Ebernburg logeert en op doorreis is naar Italië. Ik ben een groot bewonderaar van zijn schilderijen en ik laat de kans om de schepper ervan in levende lijve te ontmoeten dan ook absoluut niet voorbijgaan! Met de spanning voor het onverwachte klim ik door de nauwe, kronkelige straatjes omhoog naar de burcht die, ondanks zijn roerige geschiedenis, nog altijd als een betoverend slot uitkijkt over het omringende landschap. De prachtige uitzichten van boven zullen William zeker niet zijn ontgaan! Mijn wandeltempo daalt verder en verder met elke trede van de eindeloze trap naar boven. Nog een paar treden en jawel daar ontwaar ik de gedrongen gestalte van mijn gast die mij vriendelijk en zonder aarzeling tegemoet treedt. Ter begroeting neemt hij zijn hoge zijden hoed af en inderdaad, hij is kleiner dan ik mij voorgesteld had. Borstelige wenkbrauwen, geprononceerde bakkebaarden en dun wit haar voor deze eveneens 70-jarige. Onze begroeting is allerhartelijkst en al snel roemen wij het uitzicht op het dorp beneden ons en naar de Rotenfels aan de overzijde van de Nahe. William nodigt mij uit om af te dalen naar de brug beneden vanwaar hij bezig is met een ‘en plein air’ van deze steile rotsformatie in het ochtendrood. Wij glibberen zigzaggend de berg af en aangekomen bij de brug is er weinig overtuiging nodig dat hij het juiste plekje gekozen heeft: de zich in het water spiegelende bogen van de brug met daarboven de machtig roodgloeiende Rotenfels. Op deze plek komen zijn favoriete elementen lucht, vuur en aarde op een perfecte manier samen. Ik stel hem voor om, voordat hij zijn werkzaamheden zal hervatten, een verkwikkende ochtendwandeling te maken in het park langs de rivier. William zegt mij niet te kunnen vergezellen omdat de geschiedenis hem dat niet toestaat. En dan, als de eerste zonnestralen door het wolkendek priemen, lost mijn idool op in de tijd en krijg ik een duwtje voorwaarts, waarbij alles in mijn omgeving verandert van kleur en intensiteit. Ik ben er altijd al van overtuigd geweest een eerder leven te hebben geleid, daarom voelt dit plotseling zo vertrouwd en daalt een gevoel van gelukzaligheid op mij neer. Het is voorjaar 1904 en de natuur explodeert. Het park is vol vogelenzang en het opgewonden gekwaak van een laagvliegend eenden paar weerkaatst tegen de kale Rheingrafenstein. Het is druk in het Kurpark, waar jonge vrouwen in hun karakteristieke wespentaille flaneren op de Brunnenpromenade. Zij dragen fleurige jurken met pofmouwen en schoudervullingen, hun gezichten half verborgen onder grote hoeden. De mannen dragen ook hoeden, meest van stro. Zij zitten gevangen in vest en gesteven boorden. Alles draait hier om het gezonde leven sinds de heilzame werking van het zilte bronwater uit de bodem wordt aangewend tegen kwalen als rug- en ademhalingsklachten, hoge bloeddruk en algemene malaise. In het water wordt gebaad, verneveld wordt het ingeademd en als kuur wordt het gedronken. Ik vlei mij neer op een van de vele ligstoelen bij de Saline, een hoge stellage opgevuld met sleedoorntwijgen, waarlangs het omhoog gepompte water sijpelt. Het zout zet zich af op de twijgen en in de directe omgeving van de Saline wordt een frisse en gezonde zeelucht verspreid. Ik adem diep in en ga vol voor een betere doorbloeding van de longen en het zelfreinigende proces van het hele lichaam. Omdat ik vanochtend nogal stevig ontbeten heb solliciteer ik ook nog naar een drinkkuur in de Brunnenhalle, want zo’n kuur zou stimulerend werken op de maag-darm streek. Het is overvol in de grote hal, ik kies een tafeltje achteraf. Eerder beneveld dan opgefrist in het hoofd trommel ik met mijn vingers op het tafelblad om mijzelf bij de les te houden. Op de piano naast mij staat bladmuziek van Schumann, ‘Album für die Jugend’ en porseleinen beeldjes op de klankkast. Het geroezemoes zal Schumann overstemmen…
Het water is zilt en warm, zeker 30 graden. Een tegenvaller, had op koel en verfrissend gerekend. Maar ik had het kunnen weten: zachte heelmeesters maken stinkende wonden… Met een vieze smaak in de mond schrik ik wakker in het anno nu. Ik was even op bed gaan liggen na een toch wel vermoeiende dag. De lucht is weer dichtgetrokken en opnieuw staat het op regenen. Ik kijk naar buiten: de burcht staat er nog, onbewogen. De Nahe stroomt nog steeds, rusteloos. De Rotenfels is niet langer rood zoals in het schilderij van Turner. Een donkergrijze rots waar natte nevels tegenaan hangen.
Nog 2 dagen te gaan…

Rotenfels, Bad Münster am Stein-Ebernburg

Stil genieten, zaterdag 6 april 2019

De ochtend is licht en vol beloften. Ik besluit een verkwikkende ochtendwandeling te maken langs de rivier. Als startpunt kies ik de plek waar twee interesses samenkomen, treinen en bergen. Bij de overweg, met de Rotenfels als achtergrond voel ik dat het een ware fotosafari zal worden. Alle ingrediënten zijn aanwezig: Een ouderwetse overweg met spoorbomen, seinpalen, een stootblok en een prachtige bocht waar ik de trein kan zien aankomen. De bomen zakken al ver van tevoren naar beneden, nu nog de vraag, van welke kant komt de trein? Op het moment dat de trein enigszins schuin hangend in de bocht aan komt zetten, “verkanting” genaamd voor degene die ooit een modelbaan hadden, geeft de Rotenfels haar geheimen prijs en trekt de lucht helemaal blauw open. De steile rotsen tonen zich aan mij in al hun naakte schoonheid en voegen aan hun voeten steeds nieuwe foto-elementen toe. Ik voel dat ik met mijn knieën in het natte gras gedwongen word om knoestige bomen, oplichtende bloesem en nieuw groen op de juiste plek in de compositie te kunnen plaatsen. De machtige Rotenfels kijkt op mij neer, ik bewaar gepaste afstand met de rivier als scheidslijn. Alleen de vogels met hun uitdagend gekwetter vormen het publiek bij deze scène. Een intens geluksgevoel overvalt mij ondanks dat mijn schoenen natter en natter worden. Wat zou het? Hier te mogen en kunnen lopen is een voorrecht, geluk kun je niet afdwingen. Hier past alleen maar dankbaarheid.
Later op de ochtend neem ik opnieuw bus 201 naar Bad Kreuznach, een stad mooi gelegen aan beide zijden van de rivier de Nahe. Het oude centrum ligt op de linker oever en is met een oude brug met karakteristieke brughuizen verbonden met de Nieuwstad, het oudste gedeelte van de stad. Een beetje verwarrend is het wel, gevoelsmatig kies ik dus maar voor de Altstadt met zijn nauwe, schilderachtige straatjes en mooie middeleeuwse huizen. Deze belofte uit de reisgids wordt niet helemaal waargemaakt want ik tref er grote leegstand aan. Gesloten luiken, geblindeerde winkels en een leeg plein. Geen terrassen die de ruimte enige levendigheid zouden kunnen verschaffen. Zelfs de katholieke St. Nicolaus kerk is gesloten, echt een uitzondering in Duitsland. Op een kleine pleintje, met uitzicht op de toren, strijk ik neer op een terrasje voor een Milchkaffee, heerlijk in het zonnetje. Ik tref het: de Nicolaus slaat twaalf en beiert daarna zijn klanken over de hele stad. Verenigt alles, links en rechts, jong en oud, oud en nieuw. Dank je Nicolaus, een oude stad moet men eigenlijk koesteren, want zij bewaart het verleden, de dingen die geweest zijn. Men moet haar niet verwaarlozen, maar wiegen als een kind, voordat ook wij over een paar jaar zelf oude mensen zijn…
‘s Middags voel ik dat mijn tripje ten einde loopt. Nog eenmaal rij ik de hoogvlakte van de Hunsrück op om van de eindeloze verten te kunnen genieten. Ik rij te midden van een blauw, groen en aardenkleurig, geometrisch mozaïek van land en lucht en word langzaam maar zeker zelf deel van het landschap. Mijn auto is mijn koninkrijk omdat ik daar heers over mezelf. Het is een plek zonder ruis, die bepaalt in welk ritme deze dagen door het prille voorjaar worden gedragen. De weg voor mij ligt er als een lint van leegte en daar, op de grens waar het bos begint, ligt het verstilde dorpje Sponheim. De straatjes zijn smal en bochtig en leiden naar een bijzonder bouwwerk, een romaanse kerk van een voormalig benedictijner klooster uit de 12e eeuw. Het grondplan is een Grieks kruis met ronde afsluitingen van de zijbeuken. Ik laat mij imponeren door de afmetingen en het interieur dat mooi van eenvoud is. Ondanks de grote ruimten voelen de kleuren warm aan. Hildegard was hier, onder de hoede van haar lerares en vertrouwenspersoon voor het leven, Jutta von Sponheim. Buiten de kerkmuren spelen kinderen in het pas aangelegde Hildegard labyrint en werkt een tuinman de Hildegard kruidentuin bij. Een Syrische familie maakt zich op voor een groepsfoto, waarbij de fotograaf zich bedient van een ladder om iedereen in het juiste perspectief te krijgen. Er wordt veel gelachten en geroepen voordat ook de kinderen uit het labyrint zich ook bij de groep hebben aangesloten. Deze mensen tonen gelukkig, konden blijven hopen door een onverwachte en duur bevochten menselijke veerkracht. En het vermogen om zich, ook in zware tijden, druk te maken over morele keuzes. En Hildegard? Het zal haar in een bijzonder visioen allemaal nog wel uitgelegd worden…
De avond is gevallen over de Ebernburg waar de lichtjes inmiddels zijn ontstoken. Gehuld in duisternis waakt de Rotenfels over het uitgestorven stadje. Ver weg, in de oude nieuwstad en misschien ook wel in de nieuwe
Altstadt gonst de avond: Cafés, restaurants, verwarmde terrassen. Mensen op weg naar andere mensen. Met lichte weemoed neem ik afscheid van dit bijzonder stukje Duitsland. Ik heb geprobeerd iets te schrijven dat anders morgen weer vergeten zal zijn. Want maar al te gemakkelijk kun je verdwaald raken in je herinneringen. Herinneringen zijn namelijk geen vaststaande feiten, ze zijn plooibaar en onbetrouwbaar.
Rest mij nog jullie allemaal hartelijk te bedanken voor jullie positieve reacties en dan dit bericht de nacht in te sturen. Want de nacht staart niet en stelt geen vragen…

Cees Sleven © april 2019

Advertisements

Beata solitude, sola beatitudo

Klooster Maria Laach, Eifel

Beata solitudo, sola beatitudo
Alleen de stilte leidt tot zaligheid

Deze Latijnse spreuk hangt in smeedijzeren letters op een scheef hangend houten bordje aan het voeteneind van mijn bed in deze verder sobere kloosterkamer. Ik sta hier wat onwennig, leg mijn meegebrachte boeken op de tafel en trek de fantasieloze gordijnen dicht. Ik draai de verwarming hoog en besluit het bed op te maken. Ik reken uit dat ik nog meer dan anderhalf uur in deze kamer door moet brengen, dan pas beginnen de Vespers. Ik voel me de gevangene van mijn eigen vrijheid terwijl ik mijn linkerhand laat glijden over de boeken op de plank aan de muur tegenover het hoge raam. Bijbelse, godsvruchtige literatuur en poëzie. Mijn aandacht wordt getrokken door ‘het Boek der Wijsheden’ en in één oogopslag concludeer ik dat dit boek het leven verklaart. ‘De eeuwigheid heeft geen benul van jaren, dagen, uren’ appelleert aan mijn fascinatie voor het tijdsbegrip. En, enige hoofdstukken verder, stuit ik op een uitspraak van de Poolse schrijver Stanislav Jerzy Lec: ‘Als het waait, toont zelfs de weerhaan karakter’. Ik sla, hierover nadenkend, het boek dicht en kijk door het raam naar buiten. Ik zie niets, behalve een paar bomen, die de stormwind trotseren, het dak van de kapel en een volle, ronde maan, waarvoor wolken haastig voorbij schuiven. In haar vale schijnsel zie ik de weerhaan als een dolle draaien.

Hoe ben ik hier verzeild geraakt? Ik ben toch geen pastoor uit een landelijke gemeente, of een onaangepaste zonderling op zoek naar zichzelf? Ben ik hier om te breken met wat eens was, een zoeken naar rust na lange omzwervingen? ‘Ach, in feite zijn wij allemaal zoekende’, raadde de broederportier mijn gedachten, toen ik mij aarzelend meldde voor mijn onderdak voor één dag. ‘U naar het onbestemde, ik naar God. Zoals beloofd staat er een bed, een stoel, een tafel en water voor u klaar’. Zijn welkom was zonder emotie en met een klap sloeg hij de zware deur achter mij dicht. Door halfduistere, eindeloze gangen ging hij mij voor naar de gastenkamer. Hij maakte mij duidelijk dat ik gast was en dat er ruimten waren, alleen toegankelijk voor de paters. Ik kon wel, als ik dat op prijs stelde, de plechtigheden in de kapel volgen, deelnemen aan de maaltijden en de rest van de dag in de gastenbibliotheek of op mijn kamer doorbrengen. Even voor half zes hoor ik de klok voor de Vespers luiden. Een horloge is hier overbodig. De klok verdeelt dag en nacht in gelijke stukken: Zes uren in de kapel, zes uren in de bibliotheek, zes uren in het scriptorium, een kleine zes uur slapen, en tussendoor bidden, overwegen en het trainen van de geest. Isolement is het uitgangspunt, stilte het hulpmiddel…

Tussen de strak geordende banken sta ik toe te kijken. Een strenge kapel, zonder een spoor van opsmuk. De abt verheft zijn stem, egaal. Geen sentiment, geen emotie. Ik laat mij gewillig meevoeren op het monotone geluid dat omhoog kruipt tegen de muren, opgetrokken uit duizenden zandgele bakstenen. Godsvruchtige woorden, menselijke hulpkreten die onder de spanten van het dak blijven hangen, terwijl buiten de wind zich huilend stuk slaat tegen de muur. Het dak heeft precies de vorm van een omgekeerde ark, een ark, hangend aan de berg Ararat… Beloften voor een nieuw begin?
Na de Vespers word ik uitgenodigd voor het avondeten. Ik word gewezen op een bordje waarop om absolute stilte wordt gevraagd, zowel voor, tijdens als na de maaltijd. Om de stilte nog nadrukkelijker te maken, weerklinkt uit de bibliotheek zachte muziek. Ik groet de andere gasten, maar ik krijg geen groet terug. Ik begrijp dat ik een regel heb overtreden… Ik deel mee in het sobere avondmaal van brood, water, azijn, peper en zout, kastijding van het zingenot van de smaak. Een sobere maaltijd in een sobere zaal met het minste wat een armoedige tafel kan brengen. Versterving en tuchtiging zijn mijn disgenoten. Een diep gevoel van eerbied voor deze kloosterlingen verdringt mijn misplaatste honger en sterkt mij in de wens vol te houden tot de morgen.

En die morgen komt, na een doorwaakte nacht vol tegenstrijdige gedachten. Wanneer de zware kloosterdeur weer achter mij gesloten wordt, is de zon weer terug. Na een reeks grijze dagen die bij geen enkel seizoen schijnen te horen, komt met die zon ook het voorjaar terug. Nu niet alleen maar als een aankondiging door vroege vogels en bloemen, maar het is er echt, neemt bezit van me, is onontkoombaar… Ik geniet van de frisheid van het vroege ochtenduur. Er ligt een zachte vrede over de velden, de hemel erboven is strak blauw. De zon strooit met tintelend, goud licht en ik zal mij spoedig weer aan haar warmte kunnen koesteren. Inderdaad: Is het geen zaligheid weer te kunnen gaan in stille dreven en door schaduwrijke bossen? Mijn gastheren voor één dag kiezen voor de stilte, ik echter voor die zaligheid…

Cees Sleven   ©   mei 2019 (revised version)

Mijn lief (gedicht)

Mijn lief gedicht hoe kan ik je laten rijmen
in een schema door anderen voorgeschreven.
Het opgedrongen keurslijf tot in’t ultieme doorgedreven
levert slechts zinnen die niet makkelijk zijn te lijmen.

Was je maar vrij, ik kende al je hartsgeheimen
zonder die wetmatigheden vrijelijk aan mij blootgegeven.
Geen regels en geen rijm, een duidelijk statement afgegeven,
het is het thema dat telt, niet het kreupelrijmen.

Aldus bevrijd, liggen alle opties ineens weer open,
jouw zoete woorden als vlinders in de zomerzon
op tere vleugels van onder mijn toetsen uit gekropen.

Mijn lief gedicht laat mij nu dan hopen
op een stille plek achter de horizon
waar ik mijn pen in goud kan dopen.

Cees Sleven © maart 2019

Gezicht

Gezicht, in de verste verte geen voltooid van zien,
want zien doe je alleen met beide ogen.
Het gezicht vermag meer, met zintuigen die alles mogen
en soms te ver gaan, over de grens misschien.

Het zijn instrumenten waarvan ik mij bedien
voor een helder beeld, meestal vrolijk, maar ook bewogen.
Dan verstart de blik en moeten tranen drogen.
Prijs die ik betaal voor de gevoelens die ik dien.

Het gezicht verwordt tot een vlekkerig lijnenspel
met diepe rimpels door het leven meegegeven
en trillende mond waarmee ik al het zonnige nog doorvertel.

De oren reeds stil, de reuk al lang weggedreven,
het zijn mijn handen waarmee ik navertel,
en hoop alles te hebben opgeschreven.

Cees Sleven © februari 2019

#Birdbox challenge

Belevingstheater, opdracht:

Ga op klaarlichte dag ergens in de/het stad/dorp zitten op een trap, bankje of rand. Kijk hoe lang je het durft om je ogen te sluiten. Maar let op de geluiden die je hoort. Val niet in slaap, maar stop als je aangesproken wordt. Hoe is dit om te doen en wat gaat er door je heen? Wat hoor je eigenlijk allemaal? Probeer jezelf uit te dagen door een plek te zoeken waar redelijk wat andere mensen langs komen. #Birdbox challenge

Doesburg, zaterdag 19 januari 2019.

“#Birdbox challenge” staat er als samenvatting onder mijn opdracht geschreven. Dat belooft niet veel goeds. Iets met een blinddoek of zo? Het zou toch een onvergetelijke ervaring in POSITIEVE zin worden? Op het ergste voorbereid en goed ingepakt zoek ik het bankje op dat staat op de kruising van de Markt en de Kerkstraat in Doesburg. Als ik ga zitten, geeft het bankje mij een koude begroeting. Op mijn beurt begroet ik de Vietnamese meneer in het loempia tentje, want die staat in mijn zichtlijn richting kerk. Gehoorzaam aan de opdracht sluit ik de ogen, maar niet voor lang uit angst aangesproken te worden in de trant van “is alles wel goed met u meneer, kan ik iets voor u doen?” Mijn leeftijd, de plek en de situatie zouden daartoe te veel uitnodigen, dus ik besluit om mij met open vizier te richten op mijn omgeving en mijn overige zintuigen het werk te laten doen. Als een godsgeschenk slaat de Martinitoren 12 slagen en wanneer het 12e uur langzaam versterft tussen de oude geveltjes, rest mij als bonus orgelspel dat uit de kerk tot mij komt en zich vermengd met de geur van vers gebakken loempia’s. Mijn blik glijdt naar het glazen vredesmonument van Jan Wolkers dat prachtig uitgelicht wordt door zonlicht dat tussen de huizen door valt. “Toen de klok zweeg verschenen de vogels van de vrijheid” luidt de tekst, doelend op de nadering van geallieerde vliegtuigen toen de Duitsers in 1945 op het laatste moment nog even de toren opbliezen. Achter de silhouet van de herbouwde toren trekt een grote V-formatie ganzen richting zuiden. Hun gegak is duidelijk hoorbaar in de ijle winterlucht. Je kunt de naderende kou maar beter voor zijn.
Ik heb de ogen open, dus ik word NIET aangesproken. Gewoon een oudere man op een bankje, genietend van het moment. Op weg terug naar huis zie ik wat oudere mannen druk converserend in een bushokje zitten. Ik ken dat hokje, die mannen zitten er altijd. Oude mannen in een bushokje met altijd weer dezelfde verhalen. Laat mij mijn geluksmomenten nog maar even alleen beleven. Ook al is het met de ogen open…

Cees Sleven © januari 2019

Goede voornemens

Boven de altijd wat rommelige boekenkasten bij de kringloopwinkel hangt in een scheef lijstje een opmerkelijke spreuk van de dichter Goethe:

“Het moet een goed voornemen zijn om iedere dag naar een mooi muziekstuk te luisteren, een goed gedicht te lezen of een fraai schilderij te bekijken. En… een paar ware woorden te spreken!”

Als ik dit voornemen tot het mijne zou maken, dan zou ik nu, in de eerste dagen van het nieuwe jaar, al een eind op streek zijn. Zo ontdek via het prachtige orkestwerk ‘Grace’ de muziek van de Nederlandse componist Joep Franssens. Mystiek, spiritueel, klassiek, maar balancerend op de rand van de popmuziek. Ik dompel mij onder in het universele, in de op toon gezette wereld van schrijvers en filosofen. Zware, maar nieuwsgierig makende kost voor de nu nog lange avonden. Deze muziek vormt een passende omlijsting voor de dromerige, melancholische gedichten van Rainer Maria Rilke. Ik lees en herlees zijn prachtige gedicht ‘Herfstdag’ als ode aan het zinnen strelende jaargetijde waar ikzelf ook zo van hou:

Heer, het is tijd. Het was een grootse zomer.
Leg nu uw schaduw op de zonnewijzers
en laat de wind over de velden komen.

Gebied de vruchten vol te zijn,
verleen hun nog twee zuidelijke dagen,
stuw ze naar de voldragenheid
en jaag de laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer,
wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven
en rusteloos de lanen op en neer gaan
als de wind de blaren voort zal drijven.

(vertaling: Peter Verstegen)

Een muziekstuk geluisterd, een gedicht gelezen, rest mij nog een schilderij en wat ware woorden…

In het 1e decennium van de 20e eeuw was Rilke een welgeziene gast bij de ‘Familie’, de schildersgroep in het kunstenaarsdorp Worpswede bij Bremen. In dat landschap van bruin moeras met zijn littekens van de turfwinning, zwart-spiegelende kanalen, fluwelen wolkenluchten en de altijd aanwezige berkenbomen vonden zij hun hemel van machtige stapelwolken en onderdanig, drassig moerasland. Een landschap dat alleen nog een linnen doek zocht. “Weites Land” van Hans am Ende is zo’n schilderij dat op mijn netvlies gebrand staat en altijd weer direct oproepbaar is. Ik zit weer in bus 670 van Bremen terug naar Worpswede. Het landschap trekt aan mij voorbij. Het veenland met zijn witte berkenbosjes en zijn lage horizon En daarboven schildert zich een prachtige wolkenlucht. En weer word ik onweerstaanbaar in am Ende’s schilderij getrokken…

Dit goede voornemen is wel vol te houden denk ik, Goethe is immers niet de eerste de beste. En zo’n kringloopwinkel kan een ware goudmijn zijn. Ik duik dan ook wekelijks tussen de boeken of zoek tussen de platen en cd’s om mijn goede voornemen gestand te doen. Als ik mijn buit binnen heb en voor ik weer huiswaarts keer, hang ik uit dankbaarheid het lijstje met Goethe’s boodschap nog even recht aan de muur…

Cees Sleven © januari 2019

“Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?”

Hazenvenster – Dom, Paderborn

Over bieten, hazen en een oud klooster…
Donderdag 13 december 2018

Onaangekondigd en vast een beetje onverwacht is hier een reisverslag van een kleine zwerftocht door het Duitse Weserbergland. Tussen theater en kasteel kon ik nog 4 aaneengesloten dagen bij elkaar vegen om zo de donkere dagen voor kerstmis misschien wel in hun puurste vorm te kunnen beleven. Daarvoor ben ik naar het gebied ten zuidoosten van de Porta Westfalica getrokken, het heuvelland dat mij altijd al fascineerde wanneer ik dit punt met de trein passeerde. Vanaf de top van de Wittekindsberg kijkt de beeltenis van Kaiser Wilhelm neer op alle drukte onder zijn keizerlijke voeten waar autobahn, spoorlijn en het riviertje de Weser samenkomen om zich daarna onbelemmerd in de Noord-Duitse laagvlakte te verliezen. Ik heb de landelijke rust van dorpje Möllenbeck opgezocht, een verscholen plek tussen de bietenvelden met het reliëf van het bergland rondom. Ik logeer in een tot hotel verbouwde boerderij, pal gelegen naast een oud, middeleeuws klooster. De locatie is werkelijk inspirerend en voldoet helemaal aan het gestelde doel: grote kale bomen waarvan de glimmende takken druipen van de eerste natte sneeuw, de geur van rottend blad en de diepe stilte die slechts af en toe verbroken wordt door de klok van het klooster. Niet als verstoring, maar als accent om die stilte te benadrukken. Ik ben de enige gast hier en mocht de grootste en mooiste kamer uitzoeken. “Buiten het seizoen” zegt mijn gastvrouw, “U mag de familiekamer wel nemen, er zijn weinig families nu die een tussenstop willen maken op de Autobahn A2”. Zij verontschuldigt zich meer dan eens voor de triestigheid buiten en de volkomen rust in het hotel. Maar ik ben de koning te rijk met mijn mooie kamer en met mijn fijne schrijfplek. Alle hoge en lage ramen bieden uitzicht op het klooster dat nu, uitgelicht, zich aftekent tegen de zwarte avond. Het zal ongetwijfeld fluisteren rondom de zware stenen muren van het bouwwerk, over verhalen uit een ver verleden en terwijl ik de kamer helemaal donker maak, laat ik mij, staande voor het grote raam, door de binnenglurende schaduwen omarmen en meevoeren naar het wezen van de kersttijd.

Eerder deze dag breng ik een bezoek aan de Hoher Dom in Paderborn, een godshuis uit de 13e eeuw dat nadrukkelijk de contouren van de stad bepaalt. Ik tref het niet: de fraaie toren staat helemaal in z’n winterjas en met de kerstmarkt aan zijn voet voldoet hij helemaal aan het winterse plaatje. Ik bewonder het paradijsportaal met de patroonheiligen van de dom en de heilige martelares Katharine van Alexandrië die de heidense keizer Maxentius onder haar voeten vermorzelt als symbool van de overwinning van het geloof op het heidendom. We hebben het hier over de 4e eeuw. Sinds die tijd is er dus maar bitter weinig veranderd als het om het geloof gaat…
De kerststal is bijzonder: allemaal figuren die weglopen van de stal met gulle gaven in hun handen. De stal die geen stal is maar een kerkje. Ja, de schaapjes zijn gebleven, maar daartussen staan moeders met boodschappen, mannen met pakketten en kinderen met kleinigheidjes. Een soldaat ziet erop toe dat alles ordelijk verloopt. Als deze houten figuren echt zouden kunnen bewegen dan liepen zij naar de bezoekers toe om hen voor te doen hoe je spullen kunt inzamelen voor de daklozen van de stad: een pak koffie voor een warme dronk, een slaapzak voor enige beschutting in de koude winternacht en kaartje met daarop wat troostende woorden die de daklozen zelf zullen voorlezen op hun kerstviering. Mijn ogen gingen over de opgeprikte kaartjes: heel veel geloof, hoop en liefde. En goed bedoelde suggesties voor een beter leven. Een kaartje in het Nederlands zal waarschijnlijk niet voorgelezen worden: “Ik heb niets te wensen, ik heb alles al. En daar ben ik dankbaar voor!”…
In de kruisgang bewonder ik het fascinerende “Hasenfenster”, een kunstig ontworpen maasvenster waarin drie hazen ieder twee oren hebben, maar het totaal toch maar drie oren telt. De Heilige Drie-eenheid op kunstige wijze gesymboliseerd in een cirkel van hazen. De cirkel als symbool ook voor de kringloop van het leven: groeien, afnemen, onzichtbaar zijn en weer opkomen. Van het wordende en het vergankelijke, maar ook van nieuw leven. Ik maak een foto van de hazen in hun venster en besluit deze kerst geen wild te eten…
Voor ik de gordijnen sluit zie ik dat de lucht is opengetrokken en hoe de kale takken nevelflarden vangen. Ik vermoed een heldere sterrenhemel. Misschien komt in deze koude winternacht het klooster wel tot leven, verschijnt er licht achter de hoge ramen. En wordt er door een zwanger stel met een ezeltje aangeklopt voor onderdak. En worden zij doorverwezen naar dit hotel. Plaats genoeg in deze herberg… En langzaam zal ik wegzinken in een diepe slaap en er geen weet van hebben…


Klooster Möllenbeck

“Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?”
Vrijdag 14 december 2018

De ochtend is helder en koud, maar de paar wolkjes die voorbij zeilen laten toch wat vlokjes los. De ochtendzon zet het klooster van Möllenbeck in een oranjegouden gloed die mij uitnodigt voor een vroege ontdekkingstocht in de omgeving. Het grote boerderijcomplex, de hoge bomen, zij vormen slechts de omlijsting van het 1111 jaar oude klooster. Ik maak een omtrekkende beweging en leg het geweldige kloostergebouw van alle kanten vast met mijn camera. Van de hooggotische kloosterkerk tot de romaanse torens uit de 10e eeuw. Dit staat hier zomaar in de oorverdovende stilte van de morgen, geen mens te zien, alleen de vogels vliegen hun rondjes, van de met klimop overwoekerde bomen, hoog om de torens en dan weer terug.

Om klokslag 10 uur sta ik op het station van Rinteln te wachten op de trein naar Hameln, twee haltes verderop, een dieseltje van de NordWestBahn via enkelspoor. Heuvelrijen links en rechts en in het brede dal van de Weser zie ik overal de met zeilen bedekte bergen met bieten. Ook trekken duizenden ganzen in grote zwermen door dit dat dal naar het westen, op de vlucht voor de kou die ongetwijfeld komen zal.
Hameln is een prachtig stadje, economisch, cultureel en toeristisch centrum van het Weserbergland en wereldberoemd door de sage van de rattenvanger. Dankzij de gunstige ligging aan de Weser verwierf de stad grote rijkdom met de graanhandel en staat vol met prachtig versierde koopmanshuizen, juweeltjes van de Weserrenaissance. Ik maak in dit openluchtmuseum een stadswandeling langs al dit fraais, waarbij de kerstmarkt ook nog eens sfeerverhogend werkt. De hele dag door wordt er gegeten en gedronken, door jong en oud. Gesuikerde noren, champignons met knoflooksaus, halve meters (!) worst op een te klein broodje, met de uitpuilende delen als symbool van overvloed. Dat alles wordt weggespoeld met bier en glühwein. Leerkrachten loodsen als ware rattenvangers rijen met schoolkinderen behendig tussen de kramen door. Veel kramen met houtsnijwerk, sieraden en ratten, opvallend veel ratten, als snoep en als speeltje. Zelfs rattenpies en -bloed is verkrijgbaar… Ik hou het bij mijn Milchkaffee mit Käsetorte, de koffie feestelijk versierd met een kerstboom in het schuim. Ik vervolg mijn route en mijn blik speurt langs de fraaie gevels hoog boven het kerstgedruis. In de Bungelosenstraße word ik met mijn neus op de feiten gedrukt: een inscriptie aan de muur vertelt iets over de ontvoering van de kinderen, 130 in getal trokken zij door deze straat. Sindsdien zwijgt die Bunge, de trom die niet meer geslagen wordt. De straat blijft Bungeloos. Slechts twee kinderen keerden terug. Het ene was blind, waardoor het de plaats waar de kinderen waren verdwenen niet kon aanwijzen, het andere was stom, zodat het niet kon vertellen wat er was gebeurd. Eén jongetje ontsnapte de dans, omdat hij zijn jasje nog moest ophalen…
En liep ik de rattenvanger nog tegen het lijf? Ja inderdaad, op elke straathoek wel één! De mooiste echter vond ik in de Marktkirche, in een gebrandschilderd raam. Als jager met de vreemde, rode hoed. En terwijl hij de fluit beroert, begint het orgel te spelen ter begeleiding van een saxofoonspeler die de karakteristieke klanken van zijn instrument de kerkruimte in blaast. Wat een machtige combinatie is dit! Het rollende laag van het orgel dat omspeelt wordt door de enigszins weemoedige geluid van de saxofoon. Zie ik het goed, die wat verbaasde blik van de rattenvanger van onder zijn rode hoed? Zou hij misschien willen ruilen van instrument? En heel even maar…
In de trein terug zie ik de grijze contouren van de heuvels aan de horizon. Hoge wolken vangen nog het laatste zonlicht. De eerste lichtjes prikken in mijn blikveld wanneer ik weer uitstap in Rinteln. “Ausstieg links” met een grote stap op het perron. Ik voel mijn zere voeten en mijn volle hoofd. Gelukkig nog de hele avond te gaan om te herstellen…


Hamelen

“Christkind”
Zaterdag 15 december 2018

Vandaag maak ik een ritje door het Weserbergland in de warme beslotenheid van mijn auto, met mijn favoriete Spotify-playlist uit de speakers. Schubert’s “Winterreise” bepaalt mede de sfeer van het landschap rondom mij: somber en kleurloos tekenen de kale bomen zich af tegen de grijze heuvels, hun wortels bedekt door een vaalbruin bladerdek. De voorbije herfst wacht nog op de winter, de natuur staat stil in een ademloze pauze. Hier en daar liggen op de daken van de huizen langs de weg restjes sneeuw op de pannen en dringt de geur van kachelhout door tot in de auto. Kringelende rook uit schoorstenen verraadt warmte en gezelligheid binnenskamers. De weg volgt het riviertje in het dal, met beboste heuvels links en rechts. Dan weer hoog en dan weer laag, maar altijd bochtig, het vereist zeker wat stuurmanskunst. Best wel een mooi gebied dat Lipper Land met de vakwerkpareltjes Lemgo en Detmold. Omzoomd door de bossen van het Teutoburger Woud bepalen hun intieme kerstmarkten de juiste sfeer voor deze tijd van het jaar. De lichtjes zijn er, de geluiden en het gezang, alleen de sneeuw ontbreekt. Als ik uitzoom kijk ik recht in het kerstpanorama van Intratuin. Maar vandaag mijd ik de kerstmarkt en ben ik een beetje vakwerkmoe, zelfs de camera blijft in de tas.
In de Marktkirche kom ik bij de kerststal aan de praat met een vriendelijk dame over het “Christkind”, waarvan ik aannam dat zij de pasgeborene, het Jezuskind in de kribbe bedoelde. Maar niets is minder waar! Ja, het gaat wel om een hemels wezen waarmee Luther tijdens de reformatie St. Nicolaas bestreed, waarmee de nazi’s het misbruikte voor hun propaganda en het vandaag de dag juist in katholieke kring weer helemaal op handen gedragen wordt. St. Nicolaas werd door Luther afgedaan als “kinderlijk”, alleen Christus kon op 25 december goede gaven onder de, uiteraard protestante, kinderen uitdelen. En zo ontwikkelde zich het “Christkind”, een engelachtig wezentje dat nog wel heel veel gelijkenis vertoonde met het Jezuskind. Schattig ziet het meisje eruit met haar lange, blonde lokken, haar tere vleugels en haar witte gewaad. En toch heeft niemand haar ooit gezien. In de kerstnacht legt zij cadeautjes voor de ramen en deuren en slechts het geluid van belletjes verraadt haar aanwezigheid. Zij weet zich vergezeld door knecht Ruprecht, haar norse en angstaanjagende helper. Altijd in het zwart gekleed, draagt deze bebaarde figuur een roe aan zijn gordel en een korf met geschenken op zijn rug. Kinderen die hun cathachismus niet goed kenden konden een afstraffing met de roe verwachten of een enkele reis in de mand tegemoet zien…
Hier geen zwartepieten discussie, denk ik. Die Ruprecht daar valt niet mee te spotten! Ademloos luister ik naar het verhaal van de dame die in mij een gewillig oor vindt, waar anderen reeds zijn afgehaakt. In de 19e eeuw verbreidt Luthers idee van het “Christkind” zich ook in katholieke regionen en vandaag de dag bezoekt het engeltje nog bijna uitsluitend kinderen in katholieke streken. De protestanten hebben zich verbonden met de kerstman, vrolijk, gezet en een beetje oud. Als het mag kies ik voor het Christkind, al past het in de beschreven outfit, lang gewaad en en tere engelenvleugels, zeker niet in een kribbe. Ik dank de dame voor haar boeiende verhaal en werp een laatste blik in de kerststal. Daar ligt het Jezuskind, bijna naakt, tussen os en ezel…
Thuis gekomen doe ik een dutje, maar val ik in een diepe slaap waaruit ik ontwaak door het geluid van belletjes… Voor mijn deur zijn twee flesjes water neergezet… De klok van het klooster heeft zojuist 10 uur geslagen…

De aanbidding van het Kind –   Dom, Paderborn

Huiswaarts
Zondag 16 december 2018

Op de vroege zondagmorgen verlaat ik weer het Weserberland. Op de weg naar huis passeer ik het eerste sneeuwfront van deze winter. In korte tijd verandert het landschap in de zo gewenste kerstkaart. Helaas is het slechts van korte duur. Als de heuvels wijken en ik weer de vlakte inrij, laat ik dit sprookjesachtige stukje Duitsland in alle eenzaamheid achter. De magie is verbroken, De autobahn is weer kaarsrecht, Opstuivende regengordijnen reizen met mij mee huiswaarts…

Cees Sleven © december 2018