Naar het noorden van Duitsland

Greetsiel

Weites Land, zaterdag 26 oktober 2019

William Walton’s ‘Touch her soft lips and part’ is de stemmige muziek waarmee ik vanochtend de zon zag opkomen op weg naar Ostfriesland, het vlakke Noord-Duitse land achter de waddenkust, waarvan men zegt dat het zo vlak is dat men woensdag al kan zien wie er in het weekend op bezoek komt. Mijn komst zal dan ook wel bekend zijn als ik in de Kunsthalle van Emden op zoek ga naar de schilderijen van de Duitse expressionistische schilders die in het plaatsje Dangast aan de Jadebusen samenkwamen om het licht en landschap van Ostfriesland op het doek vast te leggen. Ik loop daar echter tegen een grote tentoonstelling aan over Horst Janssen (1929 – 1995), die ‘kunst uit kunst’ tot zijn credo verhief, waarbij hij een geheel eigen interpretatie gaf van werken van ‘s werelds beroemdste schilders als Rembrandt, Picasso, Goya en Friedrich. Kopiëren als een vorm van esthetisch verantwoord verder denken en ontwikkelen en dat op een meesterlijke manier, en zich zo scharend tussen de meesters. Ik vergaap mij aan de vele tekeningen, etsen en litho’s en vergeet even waarvoor ik gekomen ben, de schilders uit Dangast. Ze zijn er niet, tijdelijk opgeborgen in het depot vermoed ik. In de weinig overgebleven ruimte voor de vaste collectie ontdek ik een aandoenlijk schilderij van Paula Modersohn-Becker voorstellende een staand meisje voor een geitenstal (1902). Hoe ongelukkig kan de kindertijd eruit zien… Een kind uit het Duivelsveen rond Worpswede bij Bremen. Onder dezelfde wolkenhemel als op het fascinerende schilderij ‘Noordduits landschap’ (1980 – 1981) van Heiner Altmeppen.
Dit laatste schilderij doet me besluiten het landschap hier ‘live’ te gaan beleven. Daarvoor kies ik de ‘Grünen Küstenstraße’ die mij voert langs de zo karakteristieke rode bakstenen huizen, schuren en kerktorens. De toren in Suurhusen staat scheef, en niet zo’n klein beetje ook: schever dan die in Pisa, wel 5,19 graden uit het lood, een absoluut wereld record.
Verder nu langs liefdevol verzorgde tuinen onder horizon vervuilende windmolenparken. De weg volgt de dijk die het beeld kaarsrecht verdeeld in blauw en groen. Leeg, boomloos land, te dramatisch om snel op te schieten. Rechts van mij is een kolonie meeuwen neergestreken op een veld vers geploegde aarde, als witte stippen op een zwart laken. Hoog boven mij passeert een vlucht ganzen in V-formatie, richting Wadden, richting warmere oorden. Bij Greetsiel bereik ik de kust en wandel door het autovrije centrum naar het pittoreske haventje. Ik kan het op mijn gemak doen, want mij werd een parkeerbonnetje geschonken voor de hele dag. De tweeling-molens verwelkomen mij en wijzen mij de weg naar de bijzondere waterdoorlaat in de dijk en uiteindelijk naar de meer dan twintig vissersboten aan de kade. Het wappert en het waait, maar de temperatuur is aangenaam. De tijd verstrijkt echter sneller dan gedacht, dus ik moet gaan. De Grünen Küsten Straße laat ik achter mij en zet koers richting Dangast, waar ik morgen het geboortehuis van Franz Radziwill ga bezoeken. Expressionist, magisch realist en symbolist, verfoeid door de nazi’s, maar bovenal een man van de streek. Hoe rijmt zijn werk met het landschap waardoor ik rij? Laat herfstlicht dat lange schaduwen trekt. En een altijd lage horizon. Plassen, venen en stukken bos trekken aan mij voorbij. Bruin tegen goud, dartelende bladeren verlaten en masse de nu snel kalende bomen. Er zit verandering in de lucht, ik zie het morgen wel…
Ik trek de gordijnen dicht en kijk nog even naar het meisje voor de geitenstal. Ik kan haar blik niet vangen, die is te veel naar binnen gekeerd. Misschien voorzag zij groot verdriet: haar schepper, Paula Modersohn-Becker, stierf op 31-jarige leeftijd tijdens bij de geboorte van haar eerste en enige kind…

Ostfriesland, land van windmolens

Engel in het veen, zondag 27 oktober 2019

Franz Radziwill (1895 – 1983) woonde 60 jaar van zijn leven in het kunstenaarsstadje Dangast, gelegen aan de Jadebusen, een soort binnenzee van de Duitse Bocht. Daar kocht hij in 1923 een vissershuisje dat hij naar eigen inzicht uitbouwde en vorm gaf. Huis en inrichting zijn in hun oorspronkelijke staat behouden gebleven en op deze zondagmorgen sta ik vol bewondering in dit ‘Gesamtkunstwerk’. Op de bovenverdieping sta ik in het atelier voor zijn schilderijen uit de diverse perioden van zijn kunstenaarschap, expressionisme, neoromantiek, nieuwe zakelijkheid en het magisch realisme. De suppoost, duidelijk een kenner, vertelt en verklaart over perspectief en symbolen, landschapsmotieven en stillevens, en – blijkbaar speciaal voor mij – over Radziwill’s naïeve actie om in de oorlog in Duits legeruniform op bezoek te gaan bij een Joodse vriend in Amsterdam. In de jaren twintig en dertig verblijft de Oost-Friese kunstenaar regelmatig in Nederland waar hij zich laat inspireren door de grote schilders van onze Gouden Eeuw. Er worden kunstboeken opengeslagen, Carel Willink komt ter sprake, alles zo anders dan mijn bezoek aan de Kunsthalle in Emden gisteren. Alles ademt hier de aanwezigheid van de schilder: zijn schildersezels, zijn penselen, zijn meubels en zijn boeken. Ik zit in een cocon waarin het goed toeven is.
Met lichte tegenzin ga ik dan ook in op de uitnodiging om in de tuin mijn eigen glaasje appelsap te komen persen. Met een glaasje troebel sap en een stukje vers gebakken appeltaart zit ik op deze koude en winderige zondagochtend in een wankele partytent in de tuin van de meester. Ik voel mij een culturele zwerver en dat voelt goed. Maar ik moet verder, het Oost-Friese land moet nog verder ontdekt worden. Voor ik de auto ophaal die aan de haven geparkeerd staat, loop ik nog even het Kurhaus binnen dat uitkijkt over een mager strandje met aan de overkant van het water een woud van windmolens. Horizonvervuiling van de ergste soort. Binnen dampt het van de drukte. Alle tafeltjes, en dat zijn er heel veel, zijn bezet. De bediening kan het nauwelijks bijbenen en heeft moeite om vriendelijk te blijven als zij door de menigte heen moet laveren.
Ik doe wat ik moet doen, haal de auto op en meld mij wederom bij de Grüne Küstenstraße die mij naar het plaatsje Jever zal leiden. Dwars door het vlakke land waar knotwilgen en windturbines even talrijk zijn. In het moerassig landschap getuigen de tientallen glinsterende kanalen, meertjes en vennen van de waterrijkheid van dit gebied. Aan de horizon doet een afgevlakte wolkenband denken aan een heuvelrug, maar als ik Jever binnen rij bereik ik echt het hoogste punt van mijn reis, ruim 8 meter boven zeeniveau, werkelijk alpine verhoudingen!
Jever zelf, met zijn historisch stadscentrum en zijn burcht, is uitgestorven op deze zondagmiddag. De zondagsrust wordt hier nog volledig gerespecteerd. Zelfs de draaicarrousel op de Oude Markt is onbemand, maar een vader probeert toch het gevaarte handmatig in beweging te krijgen. Zijn kind zit op een wit paard en kijkt verwachtingsvol toe. Papa faalt, het paard en de molen weigeren elke dienst, op deze zondag wordt er niet bewogen… Mijn voetstappen echoën tussen de oude geveltjes, waarvan de rode bakstenen gloeien in de namiddagzon. Oranjebruine herfstbladeren spelen krijgertje op het kerkplein, de lucht is helemaal opengetrokken. Het zal koud worden vannacht…
Deze avond eet ik weer in Ristorante ‘Osteria’ dat naast mijn hotel is gelegen. De schroom van gisteravond is geheel verdwenen, er wordt mij direct een tafeltje toegewezen. ‘Osteria’ bestaat uit twee diepe huiskamers met de bar en de open keuken in V-vorm aan het eind. Vanaf mijn strategische positie kan ik de bedrijvigheid in de keuken goed gadeslaan. Er wordt veel gelachen en hard geroepen, Italianen eigen. Maar het werk wordt efficiënt uitgevoerd door de zwarte en witte brigade. Dan komt er een te koude spaghetti terug, waarna de schuldige, een vadsige uitvoering van Youp van ‘t Hek met een rood petje op met de klep naar achteren, op zijn Italiaans ter verantwoording wordt geroepen: veel gefoeter en misbaar, koppie buigen en dan schouderklopjes. Het leed is geleden, de show must go on. Ik word bediend door een engel, een Italiaanse engel met donkere ogen. Helemaal in het zwart is zij, maar zij strooit met licht om haar heen. Ik versta haar niet, haar praten is als zingen, op alles zeg ik maar ja… Een Grappa van het huis krijg ik van haar aangeboden met een lieve lach. Ik zeg geen nee… Terug op mijn kamer weet ik zeker dat het duinlandschap op mijn kamer scheef hangt. Ik probeer het recht te hangen, maar het zit onwrikbaar aan de muur bevestigd. Engeltje? Duiveltje…!

Herfsttij (niet te keren…), maandag 28 oktober 2019

Vandaag reis ik verder naar Bad Bevensen op de Lüneburger Heide met een tussenstop in Worpswede, het kunstenaarsdorp in het Duivelsveen ten noordoosten van Bremen. Ik was er eerder, in het vroege voorjaar van 2012, toen nog niet alle musea geopend waren. Nu benut ik de kans een bezoek te brengen aan het Modersohn-Haus, de voormalige woning van Otto Modersohn en zijn tweede vrouw Paula Modersohn-Becker. De twee moderne, aangebouwde vleugels herbergen de collectie van galeriehouder Bernhard Kaufmann, die werken bevat van de eerste generatie schilders uit Worpswede. Schilderijen van Otto Modersohn, Fritz Mackensen en Hans am Ende hangen hier in dit prachtige kleine museum, aangevuld met schilderijen en tekeningen van de later bij de groep aangesloten Heinrich Vogeler. 21 Schilderijen van Paula Modersohn-Becker, die als leerlinge van Mackensen naar Worpswede kwam, sieren het voormalige woonhuis. De sfeer van de landschappen rondom de Weyerberg, waarop Worpswede ligt, en de portretten van de arme boerenbevolking van rond de vorige eeuwwisseling laat zich niet in woorden vangen. Alles wat de afgelopen dagen aan mijn ogen voorbijtrok en ik gepoogd heb te beschrijven, hangt hier aan de wanden en maakt diepe indruk op me. Elke schilder op zijn eigen manier, maar met de natuur, in alle jaargetijden, als bindend element. Het lage, zompige land met zijn kanalen waarop de turf werd afgevoerd. De harde arbeid van de turfstekers en de alom aanwezige berkenbomen, die op vrijwel geen enkel schilderij ontbreken. Ik ben niet weg te slaan uit het Modersohn-Haus, lees alle teksten en beluister de audiotoer tot en met het allerlaatste fragment. Ik zou hier op de berg en in het veen gelopen kunnen hebben, in een vorig leven misschien, zo vertrouwd voelt het. Met moeite maak ik mij los, met een prachtig kunstboek onder de arm. De dame achter de kassa kijkt mij dankbaar na. Gekke Hollander…
Ik rij vandaag enkel nog door schilderijen, van lijst naar lijst, met een doorgetrokken horizon. Witte boekweivelden wisselen af met hei- en bospercelen, grijze berken lichten plotseling helwit op als de zon zich weer even laat zien. Dan tonen mijn schilderijen een fraai reliëf in diep verzadigde kleuren. Oker en groen, oranje en goud. En alles overspannend het hemelblauw met daarin een overtrekkende vlucht kraanvogels.
Zo bereik ik Bad Bevensen, kuuroord op de Lüneburger Heide. Hier ga ik de komende dagen herfst vieren in de mooiste week van het jaar. In de vooravond begint het zachtjes te regenen en zoek ik het centrum op om wat te gaan eten…

Herfsttij (niet te keren…)

Glimmend plaveisel,
neons vloeien tot mijn voeten uit.
De wind veegt regen in mijn gezicht.
Jagend blad, kringelend naar de overkant.

Ik schurk tegen de einder aan,
risico-bewust over de rand te kunnen vallen
en de glijbaan van de tijd af te moeten dalen.
Eindigend in eeuwig zand, zonder enige verheffing.

Met de horizon ver onder mij…

Zowaar, weer een engel! Dinsdag 29 oktober 2019

Ik zit in de zoutgrot, de zoutgrot van Salzhotel Fortuna. Met zo’n naam, kun je een dergelijke voorziening verwachten. Op vaste tijden mag je er 45 minuten kosteloos gebruik van maken. Ik heb mijn nieuwsgierigheid overwonnen, een kussentje gepakt en plaatsgenomen op de enige losse stoel in de kitscherig ingerichte ruimte met een hoog Flintstone-gehalte. De wandbekleding achter de ruwhouten banken bestaat uit grote brokken zoutkristal, verder staat er een weegschaal en liggen er kussentjes voor de tere billen. Oude, rimpelige billen vrees ik, gezien de overige gasten vanmorgen aan het ontbijt. Ik kan het niet nalaten om met mijn vinger het kristal aan te tippen en te proeven of het werkelijk zout is. Inderdaad, een beetje. Met weemoed denk ik terug aan de Engelse zuidkust waar wij op de pier, in volle wind, elkaar het zout van het gezicht likten, nog maar net twee weken geleden. Het plafond van de zoutgrot, met zijn stalactieten in de meest bizarre vormen, wordt blauw aangelicht en er klinkt relaxte, hemelse muziek. Mijn vriendelijke gastheer komt deze kunstmatige sfeer wreed verstoren met de aankondiging van een zoutverneveling voor twee gasten die in aantocht zijn. Of ik daar ook aan wil deelnemen? Alles op vriendelijke toon hoor, van verjagen is absoluut geen sprake als ik nee wil zeggen. De man doet vreselijk zijn best om het mij naar de zin te maken, maar ik heb het wel gezien…
De ochtend begint helder en knisperend, voor het eerst ligt er vorstaanslag op de daken. Ik maak een rondrit over de Lüneburger Heide, rij via de kleinste weggetjes van dorp naar dorp tot ik in een bosrijke omgeving stuit op een groot militair oefenterrein. De echte heide wordt daardoor aan mijn oog onttrokken, maar de herfstkleuren van het bos maken veel goed. Ik moet plots stevig in de remmen voor een overstekende ree die nauwelijks geschrokken weer in het bos aan de overkant verdwijnt. Dan vouwt het landschap zich weer open en wisselen bos en kale akkers elkaar af. Al het maïs is inmiddels wel van het veld en de bieten liggen her en der hoog opgestapeld langs de weg te wachten op vervoer. Het is draaien en keren in dit licht heuvelende land. Door de eerste nachtvorst regent het nu bladeren van de bomen, in duizend kleuren; dit is de herfst op zijn mooist.
Bij toeval ontdek ik in Ebstorf een middeleeuws klooster waar ik mij om 14.00 uur kan aanmelden voor een rondleiding. In het nabij gelegen kloostercafé geniet ik bij mijn Milchkaffee van oma Fidi’s overheerlijke appeltaart. Klokslag twee word ik ontvangen door Bärbel Schirmer, een vlotte 62-jarige dame, die mij zal rondleiden door dit 850 jaar oude klooster. Ik ben de enige belangstellende en dit wordt de laatste rondleiding van het jaar. Voor € 4,50 overhandigt zij mij een plaatje van de Ebstorfer Engel en als ik vertel dat dit al mijn derde engel is deze reis, zegt zij vol overtuiging dat toeval niet bestaat, dat alles is voorbestemd. “Gott segne und behüte Dich. Gottes Geist beflügle Deine Schritte. Gottes Liebe trage Dich, wenn der Weg zu beschwerlich wird. Gott begleite Dich, heute, morgen und alle Tage’ staat er achterop het kaartje. Ik voel mij een reiziger, een reiziger in de tijd. Samen met Bärbel stap ik de middeleeuwen binnen. Het voormalige Benedictijner klooster voor vrouwen uit de adellijke stand is vrijwel ongeschonden door de tijd gekomen en is nooit meer door de vrouwen verlaten. Bärbel laat mij de mooiste kerkschatten zien, de prachtige glas-in-lood ramen in de kruisgang uit begin 15e eeuw, sluitstenen in de gewelven, eikenhouten kisten uit de 12e eeuw, waar de meisjes uit de gegoede stand mee aan kwamen zetten, met daarin hun bezittingen en sieraden. Want het ging er (nog) frivool aan toe in het begin. De meisjes droegen sieraden, er werd gewandeld en gelachen…
Mijn gids vertelt ook lugubere verhalen: van meisjes die zwanger bleken werd na de geboorte het kind gedood en de moeder ingemetseld. De Madonna met Kind uit 1320 heeft het allemaal zien gebeuren…
Ergens in de kruisgang staat de tekst ‘Heute Roth, Morgen Toth’ vermeld. Gevraagd naar de juiste betekenis, wordt Bärbel plotseling emotioneel. Het onverwachte overlijden van haar moeder (gisteren nog gezond, ineens was zij er niet meer) brengt tranen en een triest verhaal volgt over een begrafenis die niet betaald kon worden, met een familieruzie ten gevolge. In de intimiteit van dat plekje in die kloostergang vertelt zij mij haar levensverhaal: ‘Omdat ik alles wat ik wilde in het leven achter mij heb gelaten, voelde ik een leegte. Hier voelde ik mij vanaf de eerste dag op mijn plaats. Of ik hier altijd al gewoond heb’. Bärbel wil in het klooster, woont er al meer dan een jaar op proef, maar de bevestiging van de Kloosterkamer uit Hannover komt maar niet af. Ze dreigt het slachtoffer te worden van het openlijke conflict tussen de Kloosterkamer en de Abdis over de toelating van novicen. Mijn gids is echter ook een professional en met trots toont zij mij de Ebstorfer Weltkarte die in 1830 in een dichtgemetselde nis ontdekt werd. Met een formaat van 13 vierkante meter was het het grootste en belangrijkste wereldbeeld van toen, in de 13e eeuw liefdevol gemaakt door de kloosterzusters. De wereld als platte schijf met Jeruzalem als middelpunt, omgeven door de toen bekende landen. Bij een bombardement op Hannover in 1943 ging het origineel verloren, nu wordt een natuurgetrouwe kopie aan het publiek getoond op de plaats van herkomst, het Heideklooster van Ebstorf. Met de hand op mijn pols nemen we afscheid, scheiden onze wegen. ‘Heute Roth, Morgen Toth’ dreunt nog na wanneer ik buiten in het late zonlicht in mijn borstzak voel. Ze is er nog, mijn Ebstorfer beschermengel…

Bergen-Belsen

Grauwsluier, woensdag 30 oktober 2019

Ondanks dat het herfstland er op deze ochtend prachtig berijpt bij ligt, onder een staalblauwe hemel, voelt het als een grauwsluier als ik op weg ben naar Bergen-Belsen, de schandvlek van de Lüneburger Heide. Hoewel een bezoek aan het voormalige krijgsgevangenen- en concentratiekamp langs het riviertje de Meiße aanvankelijk niet op mijn programma stond, wil ik -nu ik er toch in de buurt ben- antwoorden zoeken op de vraag waarom ik er dan uiteindelijk toch naartoe ga. Misschien om nogmaals bevestigd te krijgen dat alles wat daar gebeurd is niet te bevatten is. Of dat het ieders plicht is het verhaal door te vertellen, zodat het niet vergeten wordt. Of om het gelukkige gevoel te ervaren te kunnen leven in vrijheid, iets dat velen niet gegeven is.
Ik ga niet uit uitweiden wat ik daar allemaal gehoord en gezien heb, maar het waren de meest verschrikkelijke dingen. Om het geloof in de mensheid voor altijd te verliezen en een nieuwe vraag op te werpen: is de mens van nature dan toch gewoon slecht? Ja, er zijn kille cijfers: 70.000 doden tussen 1941 en 1945, nog eens 13.000 mensen na de bevrijding van het kamp door de Engelsen. Niet te bevatten aantallen, maar het zijn de filmbeelden van diezelfde Engelsen uit april 1945, gemaakt vlak na de bevrijding, die terecht om een antwoord op deze vragen schreeuwen. Die beelden neem je voor altijd met je mee, en ook het geluid dat ik nog nooit bij deze beelden had gehoord…
Er zijn zoals gebruikelijk veel scholieren die -verplicht- het documentatiecentrum komen bezoeken. Het meest indrukwekkende beeld was wel dat van een tienermeisje, een kind nog, dat minutenlang roerloos in een vitrine over Anne Frank stond te staren. Daar stond zij, op haar witte sneakers, in zo’n typische jonge meisjeshouding met één been bijna losjes van de vloer, onbeweeglijk, in balans met de wereld en zichzelf. Klaar om kennis te ontvangen om die later, in haar groten-mensen-leven, weer door te kunnen geven…
Later op de middag sta ik op 6 kilometer van het kamp op een laadperron, dat in 1936 gebouwd werd om via het spoor militair materiaal aan te kunnen voeren voor het oefenterrein. Geïsoleerd, op een apart spoor, staat daar een veewagen ter herinnering aan de evacuatietransporten en dodenmarsen van de gevangenen. Op het informatiebord zit een gedicht geprikt. Van de 17-jarige Duitse Helena:

(vertaald)
‘ Ze zeggen, om de sterren te kunnen zien, moet je over het hek kijken.
Maar wat als het hek een muur is, hoger dan je reiken kan?

Ze zeggen dat je moet bewegen om je boeien te kunnen voelen.
Maar wat als die boeien te strak zijn om te bewegen?

Ze zeggen dat het beter is om de vechten en te verliezen, dan om op te geven.
Maar wat als verliezen sterven heet?

Bewegen betekent verstikken,
en betekent ‘reiken naar’ dan naar beneden vallen?

De parachute die is gebroken,
het vangnet gescheurd,
het harnas is verdwenen.

Naakt, hulpeloos, bang om dood te gaan, te verstikken en te vallen,
men probeert te overleven zonder zijn ziel te verkopen,
zonder zijn waardigheid te verliezen,
maar zeker om zijn geloof niet te verliezen…’

Het late zonlicht strooit goud door de bosrand, brengt rust en vrede op deze plek. Ik ben hier helemaal alleen. Op het andere spoor trekt een rode locomotief bijna geruisloos een trein in beweging met tanks en ander wapentuig. Oorlog en vrede, gescheiden door slechts één perron. En ik heb nog steeds mijn vragen…

Cees Sleven © oktober 2019

* Alle foto’s bij dit reisverslag zijn te vinden onder deze link.
De foto’s zijn gemaakt met een Samsung L100 digitale camera.

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s