Naar het noorden van Duitsland

Greetsiel

Weites Land, zaterdag 26 oktober 2019

William Walton’s ‘Touch her soft lips and part’ is de stemmige muziek waarmee ik vanochtend de zon zag opkomen op weg naar Ostfriesland, het vlakke Noord-Duitse land achter de waddenkust, waarvan men zegt dat het zo vlak is dat men woensdag al kan zien wie er in het weekend op bezoek komt. Mijn komst zal dan ook wel bekend zijn als ik in de Kunsthalle van Emden op zoek ga naar de schilderijen van de Duitse expressionistische schilders die in het plaatsje Dangast aan de Jadebusen samenkwamen om het licht en landschap van Ostfriesland op het doek vast te leggen. Ik loop daar echter tegen een grote tentoonstelling aan over Horst Janssen (1929 – 1995), die ‘kunst uit kunst’ tot zijn credo verhief, waarbij hij een geheel eigen interpretatie gaf van werken van ‘s werelds beroemdste schilders als Rembrandt, Picasso, Goya en Friedrich. Kopiëren als een vorm van esthetisch verantwoord verder denken en ontwikkelen en dat op een meesterlijke manier, en zich zo scharend tussen de meesters. Ik vergaap mij aan de vele tekeningen, etsen en litho’s en vergeet even waarvoor ik gekomen ben, de schilders uit Dangast. Ze zijn er niet, tijdelijk opgeborgen in het depot vermoed ik. In de weinig overgebleven ruimte voor de vaste collectie ontdek ik een aandoenlijk schilderij van Paula Modersohn-Becker voorstellende een staand meisje voor een geitenstal (1902). Hoe ongelukkig kan de kindertijd eruit zien… Een kind uit het Duivelsveen rond Worpswede bij Bremen. Onder dezelfde wolkenhemel als op het fascinerende schilderij ‘Noordduits landschap’ (1980 – 1981) van Heiner Altmeppen.
Dit laatste schilderij doet me besluiten het landschap hier ‘live’ te gaan beleven. Daarvoor kies ik de ‘Grünen Küstenstraße’ die mij voert langs de zo karakteristieke rode bakstenen huizen, schuren en kerktorens. De toren in Suurhusen staat scheef, en niet zo’n klein beetje ook: schever dan die in Pisa, wel 5,19 graden uit het lood, een absoluut wereld record.
Verder nu langs liefdevol verzorgde tuinen onder horizon vervuilende windmolenparken. De weg volgt de dijk die het beeld kaarsrecht verdeeld in blauw en groen. Leeg, boomloos land, te dramatisch om snel op te schieten. Rechts van mij is een kolonie meeuwen neergestreken op een veld vers geploegde aarde, als witte stippen op een zwart laken. Hoog boven mij passeert een vlucht ganzen in V-formatie, richting Wadden, richting warmere oorden. Bij Greetsiel bereik ik de kust en wandel door het autovrije centrum naar het pittoreske haventje. Ik kan het op mijn gemak doen, want mij werd een parkeerbonnetje geschonken voor de hele dag. De tweeling-molens verwelkomen mij en wijzen mij de weg naar de bijzondere waterdoorlaat in de dijk en uiteindelijk naar de meer dan twintig vissersboten aan de kade. Het wappert en het waait, maar de temperatuur is aangenaam. De tijd verstrijkt echter sneller dan gedacht, dus ik moet gaan. De Grünen Küsten Straße laat ik achter mij en zet koers richting Dangast, waar ik morgen het geboortehuis van Franz Radziwill ga bezoeken. Expressionist, magisch realist en symbolist, verfoeid door de nazi’s, maar bovenal een man van de streek. Hoe rijmt zijn werk met het landschap waardoor ik rij? Laat herfstlicht dat lange schaduwen trekt. En een altijd lage horizon. Plassen, venen en stukken bos trekken aan mij voorbij. Bruin tegen goud, dartelende bladeren verlaten en masse de nu snel kalende bomen. Er zit verandering in de lucht, ik zie het morgen wel…
Ik trek de gordijnen dicht en kijk nog even naar het meisje voor de geitenstal. Ik kan haar blik niet vangen, die is te veel naar binnen gekeerd. Misschien voorzag zij groot verdriet: haar schepper, Paula Modersohn-Becker, stierf op 31-jarige leeftijd tijdens bij de geboorte van haar eerste en enige kind…

Ostfriesland, land van windmolens

Engel in het veen, zondag 27 oktober 2019

Franz Radziwill (1895 – 1983) woonde 60 jaar van zijn leven in het kunstenaarsstadje Dangast, gelegen aan de Jadebusen, een soort binnenzee van de Duitse Bocht. Daar kocht hij in 1923 een vissershuisje dat hij naar eigen inzicht uitbouwde en vorm gaf. Huis en inrichting zijn in hun oorspronkelijke staat behouden gebleven en op deze zondagmorgen sta ik vol bewondering in dit ‘Gesamtkunstwerk’. Op de bovenverdieping sta ik in het atelier voor zijn schilderijen uit de diverse perioden van zijn kunstenaarschap, expressionisme, neoromantiek, nieuwe zakelijkheid en het magisch realisme. De suppoost, duidelijk een kenner, vertelt en verklaart over perspectief en symbolen, landschapsmotieven en stillevens, en – blijkbaar speciaal voor mij – over Radziwill’s naïeve actie om in de oorlog in Duits legeruniform op bezoek te gaan bij een Joodse vriend in Amsterdam. In de jaren twintig en dertig verblijft de Oost-Friese kunstenaar regelmatig in Nederland waar hij zich laat inspireren door de grote schilders van onze Gouden Eeuw. Er worden kunstboeken opengeslagen, Carel Willink komt ter sprake, alles zo anders dan mijn bezoek aan de Kunsthalle in Emden gisteren. Alles ademt hier de aanwezigheid van de schilder: zijn schildersezels, zijn penselen, zijn meubels en zijn boeken. Ik zit in een cocon waarin het goed toeven is.
Met lichte tegenzin ga ik dan ook in op de uitnodiging om in de tuin mijn eigen glaasje appelsap te komen persen. Met een glaasje troebel sap en een stukje vers gebakken appeltaart zit ik op deze koude en winderige zondagochtend in een wankele partytent in de tuin van de meester. Ik voel mij een culturele zwerver en dat voelt goed. Maar ik moet verder, het Oost-Friese land moet nog verder ontdekt worden. Voor ik de auto ophaal die aan de haven geparkeerd staat, loop ik nog even het Kurhaus binnen dat uitkijkt over een mager strandje met aan de overkant van het water een woud van windmolens. Horizonvervuiling van de ergste soort. Binnen dampt het van de drukte. Alle tafeltjes, en dat zijn er heel veel, zijn bezet. De bediening kan het nauwelijks bijbenen en heeft moeite om vriendelijk te blijven als zij door de menigte heen moet laveren.
Ik doe wat ik moet doen, haal de auto op en meld mij wederom bij de Grüne Küstenstraße die mij naar het plaatsje Jever zal leiden. Dwars door het vlakke land waar knotwilgen en windturbines even talrijk zijn. In het moerassig landschap getuigen de tientallen glinsterende kanalen, meertjes en vennen van de waterrijkheid van dit gebied. Aan de horizon doet een afgevlakte wolkenband denken aan een heuvelrug, maar als ik Jever binnen rij bereik ik echt het hoogste punt van mijn reis, ruim 8 meter boven zeeniveau, werkelijk alpine verhoudingen!
Jever zelf, met zijn historisch stadscentrum en zijn burcht, is uitgestorven op deze zondagmiddag. De zondagsrust wordt hier nog volledig gerespecteerd. Zelfs de draaicarrousel op de Oude Markt is onbemand, maar een vader probeert toch het gevaarte handmatig in beweging te krijgen. Zijn kind zit op een wit paard en kijkt verwachtingsvol toe. Papa faalt, het paard en de molen weigeren elke dienst, op deze zondag wordt er niet bewogen… Mijn voetstappen echoën tussen de oude geveltjes, waarvan de rode bakstenen gloeien in de namiddagzon. Oranjebruine herfstbladeren spelen krijgertje op het kerkplein, de lucht is helemaal opengetrokken. Het zal koud worden vannacht…
Deze avond eet ik weer in Ristorante ‘Osteria’ dat naast mijn hotel is gelegen. De schroom van gisteravond is geheel verdwenen, er wordt mij direct een tafeltje toegewezen. ‘Osteria’ bestaat uit twee diepe huiskamers met de bar en de open keuken in V-vorm aan het eind. Vanaf mijn strategische positie kan ik de bedrijvigheid in de keuken goed gadeslaan. Er wordt veel gelachen en hard geroepen, Italianen eigen. Maar het werk wordt efficiënt uitgevoerd door de zwarte en witte brigade. Dan komt er een te koude spaghetti terug, waarna de schuldige, een vadsige uitvoering van Youp van ‘t Hek met een rood petje op met de klep naar achteren, op zijn Italiaans ter verantwoording wordt geroepen: veel gefoeter en misbaar, koppie buigen en dan schouderklopjes. Het leed is geleden, de show must go on. Ik word bediend door een engel, een Italiaanse engel met donkere ogen. Helemaal in het zwart is zij, maar zij strooit met licht om haar heen. Ik versta haar niet, haar praten is als zingen, op alles zeg ik maar ja… Een Grappa van het huis krijg ik van haar aangeboden met een lieve lach. Ik zeg geen nee… Terug op mijn kamer weet ik zeker dat het duinlandschap op mijn kamer scheef hangt. Ik probeer het recht te hangen, maar het zit onwrikbaar aan de muur bevestigd. Engeltje? Duiveltje…!

Herfsttij (niet te keren…), maandag 28 oktober 2019

Vandaag reis ik verder naar Bad Bevensen op de Lüneburger Heide met een tussenstop in Worpswede, het kunstenaarsdorp in het Duivelsveen ten noordoosten van Bremen. Ik was er eerder, in het vroege voorjaar van 2012, toen nog niet alle musea geopend waren. Nu benut ik de kans een bezoek te brengen aan het Modersohn-Haus, de voormalige woning van Otto Modersohn en zijn tweede vrouw Paula Modersohn-Becker. De twee moderne, aangebouwde vleugels herbergen de collectie van galeriehouder Bernhard Kaufmann, die werken bevat van de eerste generatie schilders uit Worpswede. Schilderijen van Otto Modersohn, Fritz Mackensen en Hans am Ende hangen hier in dit prachtige kleine museum, aangevuld met schilderijen en tekeningen van de later bij de groep aangesloten Heinrich Vogeler. 21 Schilderijen van Paula Modersohn-Becker, die als leerlinge van Mackensen naar Worpswede kwam, sieren het voormalige woonhuis. De sfeer van de landschappen rondom de Weyerberg, waarop Worpswede ligt, en de portretten van de arme boerenbevolking van rond de vorige eeuwwisseling laat zich niet in woorden vangen. Alles wat de afgelopen dagen aan mijn ogen voorbijtrok en ik gepoogd heb te beschrijven, hangt hier aan de wanden en maakt diepe indruk op me. Elke schilder op zijn eigen manier, maar met de natuur, in alle jaargetijden, als bindend element. Het lage, zompige land met zijn kanalen waarop de turf werd afgevoerd. De harde arbeid van de turfstekers en de alom aanwezige berkenbomen, die op vrijwel geen enkel schilderij ontbreken. Ik ben niet weg te slaan uit het Modersohn-Haus, lees alle teksten en beluister de audiotoer tot en met het allerlaatste fragment. Ik zou hier op de berg en in het veen gelopen kunnen hebben, in een vorig leven misschien, zo vertrouwd voelt het. Met moeite maak ik mij los, met een prachtig kunstboek onder de arm. De dame achter de kassa kijkt mij dankbaar na. Gekke Hollander…
Ik rij vandaag enkel nog door schilderijen, van lijst naar lijst, met een doorgetrokken horizon. Witte boekweivelden wisselen af met hei- en bospercelen, grijze berken lichten plotseling helwit op als de zon zich weer even laat zien. Dan tonen mijn schilderijen een fraai reliëf in diep verzadigde kleuren. Oker en groen, oranje en goud. En alles overspannend het hemelblauw met daarin een overtrekkende vlucht kraanvogels.
Zo bereik ik Bad Bevensen, kuuroord op de Lüneburger Heide. Hier ga ik de komende dagen herfst vieren in de mooiste week van het jaar. In de vooravond begint het zachtjes te regenen en zoek ik het centrum op om wat te gaan eten…

Herfsttij (niet te keren…)

Glimmend plaveisel,
neons vloeien tot mijn voeten uit.
De wind veegt regen in mijn gezicht.
Jagend blad, kringelend naar de overkant.

Ik schurk tegen de einder aan,
risico-bewust over de rand te kunnen vallen
en de glijbaan van de tijd af te moeten dalen.
Eindigend in eeuwig zand, zonder enige verheffing.

Met de horizon ver onder mij…

Zowaar, weer een engel! Dinsdag 29 oktober 2019

Ik zit in de zoutgrot, de zoutgrot van Salzhotel Fortuna. Met zo’n naam, kun je een dergelijke voorziening verwachten. Op vaste tijden mag je er 45 minuten kosteloos gebruik van maken. Ik heb mijn nieuwsgierigheid overwonnen, een kussentje gepakt en plaatsgenomen op de enige losse stoel in de kitscherig ingerichte ruimte met een hoog Flintstone-gehalte. De wandbekleding achter de ruwhouten banken bestaat uit grote brokken zoutkristal, verder staat er een weegschaal en liggen er kussentjes voor de tere billen. Oude, rimpelige billen vrees ik, gezien de overige gasten vanmorgen aan het ontbijt. Ik kan het niet nalaten om met mijn vinger het kristal aan te tippen en te proeven of het werkelijk zout is. Inderdaad, een beetje. Met weemoed denk ik terug aan de Engelse zuidkust waar wij op de pier, in volle wind, elkaar het zout van het gezicht likten, nog maar net twee weken geleden. Het plafond van de zoutgrot, met zijn stalactieten in de meest bizarre vormen, wordt blauw aangelicht en er klinkt relaxte, hemelse muziek. Mijn vriendelijke gastheer komt deze kunstmatige sfeer wreed verstoren met de aankondiging van een zoutverneveling voor twee gasten die in aantocht zijn. Of ik daar ook aan wil deelnemen? Alles op vriendelijke toon hoor, van verjagen is absoluut geen sprake als ik nee wil zeggen. De man doet vreselijk zijn best om het mij naar de zin te maken, maar ik heb het wel gezien…
De ochtend begint helder en knisperend, voor het eerst ligt er vorstaanslag op de daken. Ik maak een rondrit over de Lüneburger Heide, rij via de kleinste weggetjes van dorp naar dorp tot ik in een bosrijke omgeving stuit op een groot militair oefenterrein. De echte heide wordt daardoor aan mijn oog onttrokken, maar de herfstkleuren van het bos maken veel goed. Ik moet plots stevig in de remmen voor een overstekende ree die nauwelijks geschrokken weer in het bos aan de overkant verdwijnt. Dan vouwt het landschap zich weer open en wisselen bos en kale akkers elkaar af. Al het maïs is inmiddels wel van het veld en de bieten liggen her en der hoog opgestapeld langs de weg te wachten op vervoer. Het is draaien en keren in dit licht heuvelende land. Door de eerste nachtvorst regent het nu bladeren van de bomen, in duizend kleuren; dit is de herfst op zijn mooist.
Bij toeval ontdek ik in Ebstorf een middeleeuws klooster waar ik mij om 14.00 uur kan aanmelden voor een rondleiding. In het nabij gelegen kloostercafé geniet ik bij mijn Milchkaffee van oma Fidi’s overheerlijke appeltaart. Klokslag twee word ik ontvangen door Bärbel Schirmer, een vlotte 62-jarige dame, die mij zal rondleiden door dit 850 jaar oude klooster. Ik ben de enige belangstellende en dit wordt de laatste rondleiding van het jaar. Voor € 4,50 overhandigt zij mij een plaatje van de Ebstorfer Engel en als ik vertel dat dit al mijn derde engel is deze reis, zegt zij vol overtuiging dat toeval niet bestaat, dat alles is voorbestemd. “Gott segne und behüte Dich. Gottes Geist beflügle Deine Schritte. Gottes Liebe trage Dich, wenn der Weg zu beschwerlich wird. Gott begleite Dich, heute, morgen und alle Tage’ staat er achterop het kaartje. Ik voel mij een reiziger, een reiziger in de tijd. Samen met Bärbel stap ik de middeleeuwen binnen. Het voormalige Benedictijner klooster voor vrouwen uit de adellijke stand is vrijwel ongeschonden door de tijd gekomen en is nooit meer door de vrouwen verlaten. Bärbel laat mij de mooiste kerkschatten zien, de prachtige glas-in-lood ramen in de kruisgang uit begin 15e eeuw, sluitstenen in de gewelven, eikenhouten kisten uit de 12e eeuw, waar de meisjes uit de gegoede stand mee aan kwamen zetten, met daarin hun bezittingen en sieraden. Want het ging er (nog) frivool aan toe in het begin. De meisjes droegen sieraden, er werd gewandeld en gelachen…
Mijn gids vertelt ook lugubere verhalen: van meisjes die zwanger bleken werd na de geboorte het kind gedood en de moeder ingemetseld. De Madonna met Kind uit 1320 heeft het allemaal zien gebeuren…
Ergens in de kruisgang staat de tekst ‘Heute Roth, Morgen Toth’ vermeld. Gevraagd naar de juiste betekenis, wordt Bärbel plotseling emotioneel. Het onverwachte overlijden van haar moeder (gisteren nog gezond, ineens was zij er niet meer) brengt tranen en een triest verhaal volgt over een begrafenis die niet betaald kon worden, met een familieruzie ten gevolge. In de intimiteit van dat plekje in die kloostergang vertelt zij mij haar levensverhaal: ‘Omdat ik alles wat ik wilde in het leven achter mij heb gelaten, voelde ik een leegte. Hier voelde ik mij vanaf de eerste dag op mijn plaats. Of ik hier altijd al gewoond heb’. Bärbel wil in het klooster, woont er al meer dan een jaar op proef, maar de bevestiging van de Kloosterkamer uit Hannover komt maar niet af. Ze dreigt het slachtoffer te worden van het openlijke conflict tussen de Kloosterkamer en de Abdis over de toelating van novicen. Mijn gids is echter ook een professional en met trots toont zij mij de Ebstorfer Weltkarte die in 1830 in een dichtgemetselde nis ontdekt werd. Met een formaat van 13 vierkante meter was het het grootste en belangrijkste wereldbeeld van toen, in de 13e eeuw liefdevol gemaakt door de kloosterzusters. De wereld als platte schijf met Jeruzalem als middelpunt, omgeven door de toen bekende landen. Bij een bombardement op Hannover in 1943 ging het origineel verloren, nu wordt een natuurgetrouwe kopie aan het publiek getoond op de plaats van herkomst, het Heideklooster van Ebstorf. Met de hand op mijn pols nemen we afscheid, scheiden onze wegen. ‘Heute Roth, Morgen Toth’ dreunt nog na wanneer ik buiten in het late zonlicht in mijn borstzak voel. Ze is er nog, mijn Ebstorfer beschermengel…

Bergen-Belsen

Grauwsluier, woensdag 30 oktober 2019

Ondanks dat het herfstland er op deze ochtend prachtig berijpt bij ligt, onder een staalblauwe hemel, voelt het als een grauwsluier als ik op weg ben naar Bergen-Belsen, de schandvlek van de Lüneburger Heide. Hoewel een bezoek aan het voormalige krijgsgevangenen- en concentratiekamp langs het riviertje de Meiße aanvankelijk niet op mijn programma stond, wil ik -nu ik er toch in de buurt ben- antwoorden zoeken op de vraag waarom ik er dan uiteindelijk toch naartoe ga. Misschien om nogmaals bevestigd te krijgen dat alles wat daar gebeurd is niet te bevatten is. Of dat het ieders plicht is het verhaal door te vertellen, zodat het niet vergeten wordt. Of om het gelukkige gevoel te ervaren te kunnen leven in vrijheid, iets dat velen niet gegeven is.
Ik ga niet uit uitweiden wat ik daar allemaal gehoord en gezien heb, maar het waren de meest verschrikkelijke dingen. Om het geloof in de mensheid voor altijd te verliezen en een nieuwe vraag op te werpen: is de mens van nature dan toch gewoon slecht? Ja, er zijn kille cijfers: 70.000 doden tussen 1941 en 1945, nog eens 13.000 mensen na de bevrijding van het kamp door de Engelsen. Niet te bevatten aantallen, maar het zijn de filmbeelden van diezelfde Engelsen uit april 1945, gemaakt vlak na de bevrijding, die terecht om een antwoord op deze vragen schreeuwen. Die beelden neem je voor altijd met je mee, en ook het geluid dat ik nog nooit bij deze beelden had gehoord…
Er zijn zoals gebruikelijk veel scholieren die -verplicht- het documentatiecentrum komen bezoeken. Het meest indrukwekkende beeld was wel dat van een tienermeisje, een kind nog, dat minutenlang roerloos in een vitrine over Anne Frank stond te staren. Daar stond zij, op haar witte sneakers, in zo’n typische jonge meisjeshouding met één been bijna losjes van de vloer, onbeweeglijk, in balans met de wereld en zichzelf. Klaar om kennis te ontvangen om die later, in haar groten-mensen-leven, weer door te kunnen geven…
Later op de middag sta ik op 6 kilometer van het kamp op een laadperron, dat in 1936 gebouwd werd om via het spoor militair materiaal aan te kunnen voeren voor het oefenterrein. Geïsoleerd, op een apart spoor, staat daar een veewagen ter herinnering aan de evacuatietransporten en dodenmarsen van de gevangenen. Op het informatiebord zit een gedicht geprikt. Van de 17-jarige Duitse Helena:

(vertaald)
‘ Ze zeggen, om de sterren te kunnen zien, moet je over het hek kijken.
Maar wat als het hek een muur is, hoger dan je reiken kan?

Ze zeggen dat je moet bewegen om je boeien te kunnen voelen.
Maar wat als die boeien te strak zijn om te bewegen?

Ze zeggen dat het beter is om de vechten en te verliezen, dan om op te geven.
Maar wat als verliezen sterven heet?

Bewegen betekent verstikken,
en betekent ‘reiken naar’ dan naar beneden vallen?

De parachute die is gebroken,
het vangnet gescheurd,
het harnas is verdwenen.

Naakt, hulpeloos, bang om dood te gaan, te verstikken en te vallen,
men probeert te overleven zonder zijn ziel te verkopen,
zonder zijn waardigheid te verliezen,
maar zeker om zijn geloof niet te verliezen…’

Het late zonlicht strooit goud door de bosrand, brengt rust en vrede op deze plek. Ik ben hier helemaal alleen. Op het andere spoor trekt een rode locomotief bijna geruisloos een trein in beweging met tanks en ander wapentuig. Oorlog en vrede, gescheiden door slechts één perron. En ik heb nog steeds mijn vragen…

Cees Sleven © oktober 2019

* Alle foto’s bij dit reisverslag zijn te vinden onder deze link.
De foto’s zijn gemaakt met een Samsung L100 digitale camera.

 

Lyme Regis, uitwaaien aan de Engelse zuidkust

Zaterdag 12 oktober 2019, de heenreis

Het wil maar niet licht worden, op weg naar de triestigheid van het noord Franse Duinkerken. Ook hier passeren wij meer dan manshoog prikkeldraad, de strenge scheidslijn tussen vlucht en een gedroomd beter leven aan de overkant van Het Kanaal. Engeland zo dichtbij, maar voor menigeen tevens zo onbereikbaar, omdat hier voor hen de lange reis naar de vrijheid zal eindigen in een overvol opvangkamp. Ik ben in gezelschap van het gezin van onze jongste dochter op weg naar Lyme Regis, een plaatsje aan de zuidkust van Engeland. Na wat vluchtige douanecontroles zijn we beland in de sfeerloze wachtruimte van de ferrymaatschappij, samen met opvallend veel Duitse vakantiegangers die ook de overtocht gaan wagen in deze pre-Brexitdagen. De enige kleurtjes in deze ongezelligheid komen van een flipperkast waarop de kleindochters zich, zonder ook maar een cent te hoeven betalen, kunnen uitleven. Bijna onzichtbaar komt de veerboot aanschuiven en al snel kan het boarden beginnen. Met ruim een half uur vertraging verlaten wij de haven en trekt de ferry witte strepen in het grijs, richting Engeland. Net op het moment dat de overtocht eindeloos lijkt te gaan duren doemen zij plotseling op uit de regen: de White Cliffs of Dover. We zijn aan de overkant. Een zware rit in de regen volgt, links rijden in deze omstandigheden is geen pretje. De verantwoordelijkheid voor mijn medepassagiers drukt zwaar op mij, als ik invoeg in het opstuivend regengordijn van de motorway. We “nemen” Stonehenge al rijdend vanuit auto, wanneer de afremmende file langs het mythische monument trekt. Fotoserie vanuit het neergedraaide raampje. Het mysterie vastgelegd op een mobieltje. Na het verlaten van de motorway wordt het landschap heuvelachtiger en begint het draaien en keren. De wielen snijden door diepe plassen, regenslierten vallen van de hellingen omlaag en belemmeren ons bijna het zicht. Dan voelen wij dat wij klimmen en klimmen en plotseling valt het landschap open: een eerste blik op de zee met een van regen zwangere lucht erboven. Lyme Regis, bestemming bereikt. Wij nestelen ons in Stones Throw, een Edwardiaans rood-bakstenen huis uit 1908. De straat waaraan het ligt is steil en daalt af naar het centrum. Het riviertje de Lym zal ons verder de weg wijzen naar zee…
Het was een lange dag, we gaan allemaal vroeg slapen. Ik lig aan de stille achterkant. Het geluid van de gestaag vallende regen wiegt mij snel in slaap…

Zondag 13 oktober 2019, een zondag aan zee in Lyme Regis

De zondagmorgen brengt nog altijd regen. Een fijne, alles doordringende motregen die alle contouren doet vervagen. Een hele kustlijn in waternevels gehuld. We zijn aan de Jurassic Coast, een waar paradijs voor de fossielenzoeker. Langzaam maar zeker schuift hier het land langs de tijdlijn van haar ontstaansgeschiedenis terug in zee. Die geschiedenis laat zich lezen in miljoenen jaren oude afdrukken van schelp- en schaaldieren die hier voor het oprapen liggen. Fossil hunting is hier dan ook de favoriete sport en overal klinkt het getik van de hamertjes die ammonieten en belemnieten moeten blootleggen. Mijn aandacht gaat vooral uit naar de afbrekende stukken rots die met de modderstromen mee naar beneden komen. In de wanorde onder aan de voet van de rotsen heeft alles zich verzameld wat het land schatplichtig terug moet geven aan de zee. Boomstronken, bakstenen, roestige blikken liggen her en der verspreid tussen grote en kleine keien in allerlei kleuren en stadia van verwering. De afkalving van de kust heeft een mogelijke Victoriaanse afvalplaats bereikt die nu haar inhoud heeft uitgekotst over de rand. De plek heeft dan ook de bijzondere aandacht van een professional die in hoge lieslaarzen en met modder tot in het gezicht de omgeving inspecteert. Ik stel mij een begraafplaats voor die langzaam in zee zal zakken. Grafstenen, beenderen, de zee neemt als een brullend, nietsontziend monster. Het houdt zich rustig nu, maar zal snel terugkomen bij opkomend tij. Als het water hoog staat, is het gevaarlijk bij de rotsen. Voor je het weet kun je niet meer wegkomen en word je opgeslokt.
Er hangen zware buien boven zee, maar er komt voorzichtig tekening in de lucht. De kustlijn tekent zich nu bijna zwart maar wel scherp af tegen het donkergrijs van de regenlucht. In een voorzichtig zonnetje lopen we terug naar Lyme Regis aan Zee. De zuurstokkleurige huisjes tonen zowaar wat van hun vrolijkheid en met het opklaren van de lucht staan wij snel midden in een ansichtkaart. Het wordt druk met wandelaars, de sfeer is geanimeerd. Op het strand bij de waterlijn groepen mensen samen. Met dichtgeknepen ogen zie ik een schaatstafereel van Hendrick Avercamp voor mij, inclusief koek en zopie tentje. Er zijn wel opvallend veel honden, Pugwel, oftewel mopshondjes. Ze zijn er in allerlei kleuren en uitdossingen: met jasjes aan, zondagse pakjes, en hier en daar een hoedje. Het deert de hondjes allemaal niet, zonder enige wanklank of opgetrokken lippen wordt er gerend en gespeeld, terwijl de eigenaren zich verzamelen rondom het wervingstentje. Ongetwijfeld om lid te worden van de betreffende hondenvereniging of om een nieuw soort hondenvoer uit te kunnen proberen.
Ik bekijk dit alles vanuit havenrestaurant “Swim” waar ik nip aan mijn lauwe sweet cider en mee-eet van een bord nacho’s overgoten met veelkleurige sausjes. Het leven is goed. Ik heb zicht op het drooggevallen haventje, zie de wandelaars op het havenhoofd, genietend van de najaarszon. De lucht is helemaal open getrokken, de temperatuur is meer dan aangenaam. Zondagmiddag aan zee. Het gezelschap met de hondjes wordt kleiner en kleiner, het tentje wordt opgebroken. Spoedig zal de zee die plek weer opeisen en alle voetsporen, van mens en dier, uitwissen. De zee geeft en neemt in het eeuwige ritme van eb en vloed. In de verte gloeit de Golden Cap, het hoogste punt aan Engeland’s zuidkust, in het namiddaglicht en doet zijn naam méér dan eer aan…

 Maandag 14 oktober 2019, Exeter Cathedral

Wij ontmoeten Allan, onze stadsgids, bij het standbeeld van Richard Hooker, een van de eerste bisschoppen van Exeter. Vanaf dit punt hebben wij een fraai perspectief over de open ruimte rond de kathedraal, de Cathedral Close. Alleen jammer dat het pijpenstelen zal regenen op onze anderhalf uur durende stadswandeling door middeleeuws Exeter. Allan, als vrijwilliger herkenbaar aan zijn rode kledij, is goed voorbereid: regenpak met capuchon en waterdichte schoenen, en een boek met keurig geplastificeerde plaatjes. Wij zijn de enige belangstellenden voor de tour en aan Allan’s gezicht te zien had hij eerder gehoopt dat er niemand op zou komen dagen, zodat hij linea recta naar de koffie kon vertrekken. Het duurt even voordat dingen zich gezet hebben, zoals het vertalen en belangstelling en aandacht binnen ons gezelschap. Maar Allan is een professional en voelt deze zaken goed aan. Hij neemt ons mee terug in de geschiedenis van deze oude bisschopsstad, groot en belangrijk geworden door de handel in textiel. Langs middeleeuwse panden, Romeinse bruggen en straatjes, het eerste verplaatsbare huis en, ook een record, het smalste steegje ter wereld, nog geen 65 centimeter. De kleinkinderen ondergaan het allemaal gelaten, hebben honger en zere voeten en vragen constant hoeveel minuten nog tot het einde van de 90 die Allan in het vooruitzicht heeft gesteld. De rondwandeling eindigt in het havenkwartier op de natte keitjes voor het 17e-eeuwse Quay House, waar we afscheid nemen van onze gids. ‘Goed gedaan Allan, je hebt je koffie méér dan verdiend, die krijg je van ons!’
Na de lunch scheiden onze wegen: ik kies voor de kathedraal van Saint Peter waar ik snel kan aansluiten bij een rondleiding door dit fascinerende godshuis. De les bouwkunde door de deskundige gids neem ik gretig in mij op, zeker ook omdat de voorbeelden alom aanwezig en te bewonderen zijn. Green Men, heidense bouwkundige ornamenten, versieren de dakconstructie die rust op machtige, marmeren steunpilaren, alles in perfecte symmetrie. Ooit was het kerkgebouw in tweeën gedeeld door een overdwarse muur die het religieuze gedeelte scheidde van de grote ontmoetingsruimte zonder stoelen, alleen maar met zitbanken langs de wanden. Dit was het domein van de ‘dog whipper’, een beambte van de kerk die als taak had om honden en schreeuwende kinderen tijdens de dienst uit het kerkgebouw te verwijderen (te slaan). De werking van de 15e-eeuwse astronomische klok wordt mij uitgelegd en de gids wijst mij de graftombe van Sint Bonifatius. Te Dokkum vermoord en in Fulda, Duitsland begraven. Begraven op twee plaatsen, dat kan alleen een heilige voor elkaar krijgen. Voor ik de kathedraal verlaat, sta ik oog in oog met de vlag die Robert Falcon Scott in 1912 meenam naar de Zuidpool, op die dramatisch verlopen expeditie die eindigde in een grote desillusie toen bleek dat er bij aankomst al een vlag geplant stond, namelijk die van Scotts Noorse concurrent Roald Amundsen.
Eenmaal weer buiten kijken vanaf de westgevel 50 beelden op mij neer: Engelen, koningen en heiligen. De engelen op de onderste rij hebben de beeldenstorm niet overleeft, getuige de verminkte gezichten op manshoogte. Ik stap de regen in en voeg mij bij mijn reisgenoten die mij -bepakt en gezakt van het winkelen- weer met beide benen in het heden plaatsen…

Dinsdag, 15 oktober 2019, een avondwandeling langs het strand

Vandaag goeddeels doorgebracht met schrijven. Thuis gebleven in ons vakantiehuis. Niet vanwege het weer, dat ziet er eindelijk beter uit, al zit de wind nog steeds in de verkeerde hoek. Nee, een zieke kleindochter en haar solidaire zus hielden mij hier gezelschap, zodat vader en moeder er even zonder kinderen op uit konden trekken. De solidariteit van de oudste werd beloond met een strandwandeling bij zonsondergang. En die wandeling vat ik als volgt samen met het beeld voor ogen van mijn kleindochter, ineengedoken zittend, in haar veel te grote jas, aan de waterlijn.

Voor Ilse

Lyme Regis, onder aan de heuvel geplakt aan zee,
ik wil bij je zijn in het schemerlicht.
Laat de zon met okergele strepen nog getuigen
van aanwezigheid, ver weg achter de horizon.

Je warme kleuren van overdag, geschilderd in pastellen,
verbleken met de tijd, als het eeuwig tij dat gaat,
bij het vallen van de kille avond,
als de eerste lichtjes worden aangestoken.

Het is het tussenuur, niet langer dag,
en de nacht laat nog op zich wachten.
Het schemerland zal weldra komen
en je zachtjes wiegen bij het ruisen van de zee.

Kom maar zitten kind, en hoor het fluisteren
tussen de keien op het strand
laat je omarmen door de branding,
golven die zich naast je te rusten  leggen.

Het wordt stil nu, de wind die is gaan liggen.
Mensen zijn verdwenen, het zijn alleen nog wij.
De zee, het strand en de verhalen van verlangen
om te mogen dromen als een kind…

Woensdag 16 oktober 2019,
Sidmouth, van oude chique en levensgenieters

Het verhaal van Sidmouth, aan de westelijke punt van de Jurassic Coast is dat van oude mensen en de zee. Je proeft hier nog de oude glorie van weleer, net niet helemaal verdwenen, gezien het nog altijd bloeiende hotelleven dat ten dienste staat van de senioren, die nu op deze fraaie herfstdag de vele bankjes aan de boulevard bevolken. Ook wij genieten van de ochtendzon wanneer wij met eerbied tussen de oudere echtparen door laveren, terwijl wij onze blikken nauwelijks af kunnen houden van de constant aanrollende golven, die zich in schuimende cirkels verliezen in de onmetelijke hoeveel kiezels aan het strand. Dit geliefde kustplaatsje, ingeklemd tussen roodbruine rotsen, heeft nog veel van wat het leven veraangenaamd. Maar niet alles, getuige de altijd aanwezige file bij de parkeerautomaat. Het apparaat belooft veel, maar geeft weinig: papiergeld wordt niet geaccepteerd, contactloos betalen werkt niet, sowieso het betalen met een kaart kan men vergeten, zodat het uiteindelijk aankomt op muntgeld, dat op zijn beurt weer onvoldoende in de portemonnee aanwezig is. Het gevolg: een levendige wisselhandel bij de automaat, waarbij de overzeese bezoeker zelfs geheel vrijgehouden wordt. ‘Wie goed doet, wie goed ontmoet’ is hierbij het motto en overstijgt alle negatieve Brexit-gevoelens. Met een handjevol ingezamelde muntjes is het ons uiteindelijk toch gelukt de auto kwijt te raken.
De waaghalzen verblijven buitengaats. Surfers met hun techniek om op een aanrollende golf te klimmen en dat steeds maar weer blijven proberen omdat de golf sterker blijkt. Zwemmers die zo laat in het seizoen het koude water trotseren en jongelui die rennend van strandopgang naar strandafgang de zee uitdagen, terwijl de golven zich gevaarlijk uitrollen over het laatste stukje strand voor de boulevard.
De sfeer in de winkelstraatjes is van een geheel andere orde. Op het pleintje waarop alle straatjes uitkomen is de sfeer gemoedelijk. Veel schuifelende senioren, keurig in de kleren op weg naar hun afternoon tea. Geduldig wachtende mannen in het middagzonnetje bevolken de bankjes tot vrouwlief uiteindelijk klaar is met winkelen. Ik neem plaats naast een heer die mij ruimte gunt op zijn bankje. Ik raak aan de praat met hem, ook zijn vrouw is shoppen, maar hij ondergaat zijn lot gelaten. Ziet bovendien de zonnige kant van het leven, zijn verblijf aan zee, de mooie herfstkleuren en het feit dat hij daar samen met zijn vrouw nog van mag genieten. Het moeten wachten op het bankje neemt hij dan ook maar op de koop toe.
Wij slenteren door het stadje, bezoeken de oude kerk van St. Giles en St. Nicholas met zijn prachtige glas-in-lood ramen om de eindigen in de tearoom ‘Someday – Something’ waar wij de verleiding van echte scones op dit tijdstip van de dag niet kunnen weerstaan. De jam en cream zijn overvloedig, de scones verser dan vers en overheerlijk. De tearoom zit vol ouderen die meegenieten met het plezier dat wij aan deze lekkernij beleven. Minzaam knikkend achter hun kopje soep en gezonde salade. Het vasthouden van de mooie theekopjes met de pink omhoog door de kinderen veroorzaakt dan ook enige hilariteit. De jonge meiden van de bediening zijn misschien iets te bloot voor de gelegenheid en het aanwezige publiek in de tearoom, maar iedereen is uiterst voorkomend en vriendelijk. Met het schuldige gevoel toch weer in de fout te zijn gegaan staan wij even later weer buiten op de stoep en verlaten wij het aardige Sidmouth, dat traditie hoog in het vaandel heeft staan. Op weg naar de ezels-opvang, over de relatie tussen mens en dier. Ook daar weten de Engelsen alles van, dus doe ik er maar het zwijgen toe…

Vrijdag 18 oktober 2019, Golden Cap

Ik maak een sprong naar de vrijdag waarop gepoogd zal worden de Golden Cap te beklimmen, met zijn 191 meter het hoogste punt aan de Engelse zuidkust. Het voltallige expeditieteam gaat proberen de top te bereiken, want gezien de tijd en de weersomstandigheden is dit de laatste mogelijkheid voordat najaarsstormen en de invallende winter een beklimming onmogelijk maken. Maar eerst wat gegevens over deze heuvel/rotsklif die al tientallen kilometers langs de kustlijn zichtbaar is.

Geografie:
Hoogte 191 meter boven zeeniveau, gelegen tussen Bridport en Charmouth aan de Jurassic Coast. Kijkt uit van het Engelse kanaal.

Geologie:
Gevormd in de Jura- en Krijtperiode. Top van goudgekleurd zandsteen, genaamd ‘Upper Greensand’.

Weersomstandigheden:
Onstabiel met buien. 13 graden. Vlagerige wind uit het zuidwesten, windkracht 5 – 7.

Basiskamp:
Langdon Hill Carpark

Bij het basiskamp het gebruikelijke gedoe met de parkeerautomaat. Bij gebrek aan voldoende muntgeld is de tijd om de top te bereiken en ook nog veilig terug te keren beperkt, maar vol goede moed gaan wij op weg. Het eerste stuk is redelijk vlak en voert ons door zeiknat herfstbos tot aan de boomgrens. Onze paraplu’s doen hierbij goede dienst, maar krijgen het bij de eerste traverse, van schapenhek tot schapenhek, op de open klim heel erg moeilijk. In een zware regenbui die als een watergordijn over ons heen trekt, bereiken wij het tussenkamp. De regen ontneemt ons het zicht op de omgeving en schuilend onder een appelboom die van armoe al haar vruchten heeft laten vallen wordt overlegd, en hoor ik de eerste geluiden van teruggaan en opgeven. Met de jongste uit het team ontloop ik de discussie en begin ik aan een steil gedeelte wanneer de regen iets minder wordt. Om de bocht waait de wind mij volop in het gezicht en kan ik voor het eerst de kale top zien. Op dit punt keert mijn klimgenote om en daalt af naar de betrekkelijke veiligheid van het appelbomenbosje. Nu sta ik er alleen voor. Terwijl mijn paraplu klappert in de wind en ik mij nauwelijks staande kan houden, overleg ik een moment met mijzelf: wachten op mijn teamgenoten of gaan voor een egoïstische toppoging? Ik kies voor het laatste en vecht mij tegen de wind en regen in naar boven. Het laatste stuk naar de top is met touwen gezekerd en plotseling vlakt de helling af en sta ik op de top! Als eerste tik ik daar de steen aan die het hoogste punt markeert. Na een overwinningroes van 5 minuten komen ook de anderen naar boven en genieten wij gezamenlijk van het uitzicht naar alle kanten. Overal om ons heen hangen loodgrijze regenbuien, slecht hier en daar een streepje licht van de zon dat door het wolkendek probeert te prikken. In het westen ligt Lyme Regis in de zon en spant zich achter mij een prachtige regenboog. Een kwartier blijven wij op de top voor wij aan de afdaling beginnen. En die, zo weten wij, is minstens zo gevaarlijk als de beklimming…

Zondag 20 oktober 2019, de epiloog

Zondagavond, alweer bij 24 uur terug van mijn bezoek aan de zuidkust van Engeland, buig ik mij over de epiloog van dit reisverhaal. Dat het verre van compleet is, besef ik mij terdege. Het verhaal laat genoeg open om die vergeten beelden en situaties, elders en op een ander tijdstip op te halen en nader te beschrijven. Vluchtig waren zij soms en moeilijk in woorden te vangen. Zoals toen ik mij liet overvallen door de avondzon die na een regenachtige dag roze-oranje op het dak van ‘Stones Throw’, onze Edwardiaanse vakantiewoning, scheen. Een huivering van onbestemdheid die lekker aanvoelde, maar ook een beetje schuurde. Dat toch te kunnen benoemen, ook al is dat later, zal troost geven als het gevangen wordt in woorden.
Of het even zonder woorden kunnen genieten van de ruige, kale rotsen die uitkijken naar oneindige horizonten, terwijl de golven tegen hun voeten beuken. En bespot worden door krijsende meeuwen om hun onbeweeglijkheid.
Eind oktober in een Engels havenplaatsje, winderig, regenachtig, waar de zomergasten al lang zijn vertrokken, en alleen de ijssalon nog open is. Een verblijf van hooguit een paar dagen, ingeklemd tussen dingen die moeten. Waar het het lawaai van de aanrollende golven oorverdovend is en mij aangeeft dat ik hier niet thuis hoor. Het land dat mij niet wil hebben, maar mij telkens weer lokt met het mooiste licht over de mooiste landschappen. Waar mijn paraplu de strijd met de wind verliest en in de haven wordt geblazen…
Vaarwel mijn Engeland, met of zonder Brexit, ik vergeef je jouw lichtloze, kille dagen, jouw klapperende vlaggen in de natte stormwind. Je hebt bewezen je te kunnen harnassen als je door de buitenwereld wordt beoordeeld. Ik ben de buitenstaander. Ik verleg mijn blik, herschik mijn kaarten en schuif een stukje op. Maar toch stap ik vanavond met een onbestemd verlangen in bed…

Cees Sleven © oktober 2019

* Alle foto’s bij dit reisverslag zijn te vinden onder deze link.
De foto’s zijn gemaakt met een Samsung L100 digitale camera.