Hunsrück, land tussen Rijn en Moezel

 

Piëta, Moni Stein

Alleen de stilte leidt tot zaligheid, woensdag 3 april 2019

Of deze wijsheid ook deel uit maakt van de ‘Regel van Benedictus’ weet ik niet, maar in de Benedictijner abdij van Maria Laach, in het oosten van de Eifel, ervaar ik de stilte die er heerst als een pure weldaad. Het voorjaar is er nog pril, de omliggende heuvels kleuren voorzichtig groen, maar in de plantenkwekerij van de monniken schreeuwen gele forsythia en roze tulpenbomen om aandacht van de nog weinige bezoekers. Prima tijd eigenlijk om eropuit te trekken, het is overal nog heerlijk stil en de natuur is nog vol beloften. Het kloosterforum is nieuw, een tentoonstellingsruimte waar ik een aantal moderne kruisweg staties van Moni Stein bewonder, aandoenlijke plastieken die bij mij het Paasgevoel losmaken. In de filmzaal krijg ik een inkijkje in het kloosterleven van de Benedictijner monniken hier aan de Laacher See. En hoewel het hele complex en entourage is ingesteld op de ontvangst van vele tienduizenden bezoekers per jaar, betreed ik op deze druilige middag in april helemaal in mijn eentje de romaanse basiliek met zijn zes torens. Wanneer ik het voorportaal, het Paradisum, binnenga noteert het gebeeldhouwde duiveltje boven de ingang al mijn zonden op een lijst. Ik vind dat hij er wel heel lang voor nodig heeft. En hoewel ik hier op alle werkdagen zou kunnen biechten besluit ik, uit vrees dat mijn lijst in de schemer van de biechtstoel tevoorschijn zal worden gehaald, dit niet te doen. Het interieur van de basiliek is mooi van soberheid, donker ook, en als ik even later weer buiten sta knipper ik met de ogen tegen een waterig zonnetje. Het bos is tot leven gekomen, waar de vogels elkaar met hun gezang proberen te overstemmen. Wat een heerlijke plek is dit, aan de oever van het grootste kratermeer van Duitsland, 12.000 jaar geleden gevormd als gevolg van een geweldige vulkaanuitbarsting. Vier oude vulkaanbergen, met bossen bedekt, omringen het meer als stille getuigen van deze gebeurtenis.
Ik trek verder, om het meer heen, op zoek naar de Lydiaturm in het dal van de Brohlbach met zijn grillige hellingen en dichte begroeiing. Maar ook hier spruit het voorjaar uit het vulkanisch gesteente. Langzaam maar zeker klimt de weg uit het dal omhoog en waar het landschap opener wordt vind ik de uitkijktoren die een prachtig uitzicht biedt op de omgeving, eens gevormd door gloeiende lavastromen uit tientallen vulkanen. Nu heerst er de stilte en bepalen tinten grijs de contouren. Het miezert en ik huiver. Niet eens zo’n slecht gevoel.
Later op de middag ben ik in Niedermendig op zoek naar de St. Cyriakuskerk die ik gelijk zou moeten vinden want ik ben er eerder geweest. Het plaatsje en omgeving ziet er gehavend uit. Grauwe terreinen te midden van een door basaltwinning gehavende natuur. En overal grijze brokken steen. Als bergen achteloos neergelegd of als gapende gaten achtergelaten in het landschap. Ik doorkruis het stadje meerdere malen, moet zelfs de hulp van een voorbijganger inroepen, maar uiteindelijk sta ik oog in oog met de wonderschone, middeleeuwse wandschilderingen in deze romaanse kerk uit de 12e eeuw. Geen tijdslot, vastgelegd via internet, geen ellenlange wachttijden, nee, helemaal alleen sta ik daar, terwijl de testamenten aan mij voorbij trekken, weergegeven in de mooiste, kleurigste details. Ik zie de lijdenswerktuigen van Jezus, maar ook een ridder ter herinnering aan de kruistochten. Een 6 meter hoge Christoffel, beschermheilige van de reizigers, ik voel mij aangesproken. Het Jongste Gericht toont de zaligen die met gevouwen handen een heuvel oplopen naar de hand van God. De veroordeelden daarentegen worden naar de hel gedreven waar de duivel hen opwacht. Misschien was het toch beter geweest even te biechten vanmiddag… Ook de heilige Nicolaas is aanwezig met een sterk staaltje: hij wekt een vermoorde en vervolgens in een zoutvat gepekelde leerling weer tot leven…
Met een hoofd vol indrukken verlaat ik Niedermendig en voeg ik in een opstuivend regengordijn in op de Autobahn naar mijn eindbestemming van vandaag, Bad Münster am Stein-Ebernburg, schilderachtig gelegen aan het riviertje de Nahe. Een kuuroord, hoge rode rotsen en een burcht op een verheven positie boven het stadje. Voor ik de gordijnen sluit stap ik nog even op het terras. Prachtig uitgelicht staat hij daar, de 11e-eeuwse Ebernburg. Ook die zal over mij waken wanneer ik weg zal zinken in een diepe slaap. En nu maar hopen dat de zwarte kat niet op zijn staart getrapt zal worden…


Kloosterruïne Disibodenberg

Het Pad der Stilte, donderdag 4 april 2019

Ik loop vanochtend het Pad der Stilte, het laatste stukje van de pelgrimsroute bergop naar de kloosterruïne Disibodenberg waar in 1112 de toen 14-jarige Hildegard (von Bingen) een kluizenarij betrok naast het daar gestichte Benedictijner mannenklooster. De weg omhoog deze Disibodenberg op, gelegen op het punt waar Nahe en Glan samenstromen, is steil en glad. Alles om mij heen is doordrenkt van regen. Natte nevels hangen aan de beboste heuvels, er is geen tekening te bespeuren in de grijze lucht. De nog kale takken dragen naast hun gezwollen knoppen ook nog het gewicht van ontelbare zilveren regendruppels. Alleen de prunus staat onbeschaamd te bloeien tussen het voorzichtige groen. Ook hier ben ik helemaal alleen, alleen in het landschap, alleen met de ruïne waarvan de contouren opdoemen wanneer het pad eindelijk afvlakt. De stilte wordt nog maar eens benadrukt door schreeuwende Vlaamse gaaien die hun territorium bedreigd zien door deze eenzame wandelaar. Wanneer zij zwijgen is het getik van de regen op mijn paraplu het enige geluid dat overblijft. Ik betreed het ruïne-complex en probeer me voor te stellen hoe het leven hier geweest zou kunnen zijn met Hildegard die langzaam maar zeker uit de schaduw trad van het kluizenaars bestaan, haar visioenen ging optekenen en brieven uitwisselde met hooggeplaatste personen. Hildegard was slim, Hildegard was veelzijdig. Zij hield zich bezig met religie en filosofie, was actief op het gebied van de wetenschappen en muziekbeoefening en werd de eerste bij naam genoemde componiste van de klassieke muziek. Zo verklankte zij haar visioenen en schreef meer dan 70 gezangen. Deze vind ik snel op Spotify en met oortjes in glibber ik door de ruïne. Als een gehavend gebit staan daar de overblijfselen van het eens zo glorievolle kloostercomplex. Op 17 september 1179 overlijdt Hildegard op 81-jarige leeftijd. Een lichtstraal uit de hemel valt op haar doodsbed, een lichtstraal die ik verder vandaag bij leven moet ontberen…
In Meisenheim ontmoet ik Hans. Hans studeerde als 20-jarige af in de landbouwtechniek toen ik nog in de luiers liep. We komen aan de praat in Gasthaus “Zur Stadtmauer”, een werkelijk gastvrije gelegenheid waar de locals tussen de middag samenkomen voor een stevige lunch. Ik neem plaats aan de leestafel voor mijn traditionele Goulashsuppe en even ben ik bang dat ik op Hans’ vaste plaats ben gaan zitten, maar hij gebaart dat het goed is en dat hij reeds op zijn eigen stek zit. Hans is kras, neemt het ervan met zijn 88 jaar. Soep van de dag die hij slurpend naar binnen lepelt met daarnaast een groot glas bier. Met een glaasje melk bij mijn goulashsoep voel ik mij opgelaten, zeker wanneer de vraag op tafel komt wat gezonder is voor de mens, melk of bier? ‘Melk is om groot te worden, bier is om groot te blijven’ antwoordt Hans vol overtuiging. Hans is aardig op weg om gelijk te krijgen. Bovendien woont Hans, vindt hij, in het paradijs. Die Pfalz, de fraaie streek die ik vandaag doorkruis, is zijn paradijs. Hij is er geboren en getogen, maar ook kent hij de wereld. Zeker het oosten van Duitsland waar hij als landbouw ingenieur Hollandse boeren hielp grote bedrijven op te zetten, wel tot 1000 ha. groot. Maar zijn hart ligt hier, aan de Nahe en de Glan, in het ommuurde stadje Meisenheim. Het wordt al maar drukker in het Gasthaus, die Susi rent de benen uit haar lijf als hele families op het dagmenu afkomen: een halve haan met frites en sla voor slechts 7 Euro. Ook ik moet inschikken en zie dat er in korte tijd een heel kippenhok doorheen gaat. En kluiven met de handen is hierbij de standaard. Echter niet voor Hans, die houdt het bij frietjes en een braadworst, die niet alleen zijn ogen, maar ook zijn hele mond doet glimmen. Na mijn laatste slok melk vertrek ik en geef Hans een hand ter afscheid en als dank voor het aangenaam verpozen. Hij legt zijn hand op mijn arm en wenst mij een goed verblijf in zijn paradijs en een behouden reis terug naar huis. Even, heel even maar, voel ik mij een figurant in de Tv-serie “Heimat”. De mensen, het landschap in zwart-wit en in alle tinten grijs daar tussenin, ik maakte er heel even deel van uit. Was dat niet waarvoor ik naar hier gekomen ben? Nog 3 dagen te gaan…

Kurpark, Bad Münster am Stein-Ebernburg

Stil verlangen, vrijdag 5 april 2019

Vandaag, de 5e april 1844, zal ik een heel bijzondere ontmoeting hebben, namelijk met William Turner, de beroemde Engelse romantische schilder van landschappen die hier op de Ebernburg logeert en op doorreis is naar Italië. Ik ben een groot bewonderaar van zijn schilderijen en ik laat de kans om de schepper ervan in levende lijve te ontmoeten dan ook absoluut niet voorbijgaan! Met de spanning voor het onverwachte klim ik door de nauwe, kronkelige straatjes omhoog naar de burcht die, ondanks zijn roerige geschiedenis, nog altijd als een betoverend slot uitkijkt over het omringende landschap. De prachtige uitzichten van boven zullen William zeker niet zijn ontgaan! Mijn wandeltempo daalt verder en verder met elke trede van de eindeloze trap naar boven. Nog een paar treden en jawel daar ontwaar ik de gedrongen gestalte van mijn gast die mij vriendelijk en zonder aarzeling tegemoet treedt. Ter begroeting neemt hij zijn hoge zijden hoed af en inderdaad, hij is kleiner dan ik mij voorgesteld had. Borstelige wenkbrauwen, geprononceerde bakkebaarden en dun wit haar voor deze eveneens 70-jarige. Onze begroeting is allerhartelijkst en al snel roemen wij het uitzicht op het dorp beneden ons en naar de Rotenfels aan de overzijde van de Nahe. William nodigt mij uit om af te dalen naar de brug beneden vanwaar hij bezig is met een ‘en plein air’ van deze steile rotsformatie in het ochtendrood. Wij glibberen zigzaggend de berg af en aangekomen bij de brug is er weinig overtuiging nodig dat hij het juiste plekje gekozen heeft: de zich in het water spiegelende bogen van de brug met daarboven de machtig roodgloeiende Rotenfels. Op deze plek komen zijn favoriete elementen lucht, vuur en aarde op een perfecte manier samen. Ik stel hem voor om, voordat hij zijn werkzaamheden zal hervatten, een verkwikkende ochtendwandeling te maken in het park langs de rivier. William zegt mij niet te kunnen vergezellen omdat de geschiedenis hem dat niet toestaat. En dan, als de eerste zonnestralen door het wolkendek priemen, lost mijn idool op in de tijd en krijg ik een duwtje voorwaarts, waarbij alles in mijn omgeving verandert van kleur en intensiteit. Ik ben er altijd al van overtuigd geweest een eerder leven te hebben geleid, daarom voelt dit plotseling zo vertrouwd en daalt een gevoel van gelukzaligheid op mij neer. Het is voorjaar 1904 en de natuur explodeert. Het park is vol vogelenzang en het opgewonden gekwaak van een laagvliegend eenden paar weerkaatst tegen de kale Rheingrafenstein. Het is druk in het Kurpark, waar jonge vrouwen in hun karakteristieke wespentaille flaneren op de Brunnenpromenade. Zij dragen fleurige jurken met pofmouwen en schoudervullingen, hun gezichten half verborgen onder grote hoeden. De mannen dragen ook hoeden, meest van stro. Zij zitten gevangen in vest en gesteven boorden. Alles draait hier om het gezonde leven sinds de heilzame werking van het zilte bronwater uit de bodem wordt aangewend tegen kwalen als rug- en ademhalingsklachten, hoge bloeddruk en algemene malaise. In het water wordt gebaad, verneveld wordt het ingeademd en als kuur wordt het gedronken. Ik vlei mij neer op een van de vele ligstoelen bij de Saline, een hoge stellage opgevuld met sleedoorntwijgen, waarlangs het omhoog gepompte water sijpelt. Het zout zet zich af op de twijgen en in de directe omgeving van de Saline wordt een frisse en gezonde zeelucht verspreid. Ik adem diep in en ga vol voor een betere doorbloeding van de longen en het zelfreinigende proces van het hele lichaam. Omdat ik vanochtend nogal stevig ontbeten heb solliciteer ik ook nog naar een drinkkuur in de Brunnenhalle, want zo’n kuur zou stimulerend werken op de maag-darm streek. Het is overvol in de grote hal, ik kies een tafeltje achteraf. Eerder beneveld dan opgefrist in het hoofd trommel ik met mijn vingers op het tafelblad om mijzelf bij de les te houden. Op de piano naast mij staat bladmuziek van Schumann, ‘Album für die Jugend’ en porseleinen beeldjes op de klankkast. Het geroezemoes zal Schumann overstemmen…
Het water is zilt en warm, zeker 30 graden. Een tegenvaller, had op koel en verfrissend gerekend. Maar ik had het kunnen weten: zachte heelmeesters maken stinkende wonden… Met een vieze smaak in de mond schrik ik wakker in het anno nu. Ik was even op bed gaan liggen na een toch wel vermoeiende dag. De lucht is weer dichtgetrokken en opnieuw staat het op regenen. Ik kijk naar buiten: de burcht staat er nog, onbewogen. De Nahe stroomt nog steeds, rusteloos. De Rotenfels is niet langer rood zoals in het schilderij van Turner. Een donkergrijze rots waar natte nevels tegenaan hangen.
Nog 2 dagen te gaan…

Rotenfels, Bad Münster am Stein-Ebernburg

Stil genieten, zaterdag 6 april 2019

De ochtend is licht en vol beloften. Ik besluit een verkwikkende ochtendwandeling te maken langs de rivier. Als startpunt kies ik de plek waar twee interesses samenkomen, treinen en bergen. Bij de overweg, met de Rotenfels als achtergrond voel ik dat het een ware fotosafari zal worden. Alle ingrediënten zijn aanwezig: Een ouderwetse overweg met spoorbomen, seinpalen, een stootblok en een prachtige bocht waar ik de trein kan zien aankomen. De bomen zakken al ver van tevoren naar beneden, nu nog de vraag, van welke kant komt de trein? Op het moment dat de trein enigszins schuin hangend in de bocht aan komt zetten, “verkanting” genaamd voor degene die ooit een modelbaan hadden, geeft de Rotenfels haar geheimen prijs en trekt de lucht helemaal blauw open. De steile rotsen tonen zich aan mij in al hun naakte schoonheid en voegen aan hun voeten steeds nieuwe foto-elementen toe. Ik voel dat ik met mijn knieën in het natte gras gedwongen word om knoestige bomen, oplichtende bloesem en nieuw groen op de juiste plek in de compositie te kunnen plaatsen. De machtige Rotenfels kijkt op mij neer, ik bewaar gepaste afstand met de rivier als scheidslijn. Alleen de vogels met hun uitdagend gekwetter vormen het publiek bij deze scène. Een intens geluksgevoel overvalt mij ondanks dat mijn schoenen natter en natter worden. Wat zou het? Hier te mogen en kunnen lopen is een voorrecht, geluk kun je niet afdwingen. Hier past alleen maar dankbaarheid.
Later op de ochtend neem ik opnieuw bus 201 naar Bad Kreuznach, een stad mooi gelegen aan beide zijden van de rivier de Nahe. Het oude centrum ligt op de linker oever en is met een oude brug met karakteristieke brughuizen verbonden met de Nieuwstad, het oudste gedeelte van de stad. Een beetje verwarrend is het wel, gevoelsmatig kies ik dus maar voor de Altstadt met zijn nauwe, schilderachtige straatjes en mooie middeleeuwse huizen. Deze belofte uit de reisgids wordt niet helemaal waargemaakt want ik tref er grote leegstand aan. Gesloten luiken, geblindeerde winkels en een leeg plein. Geen terrassen die de ruimte enige levendigheid zouden kunnen verschaffen. Zelfs de katholieke St. Nicolaus kerk is gesloten, echt een uitzondering in Duitsland. Op een kleine pleintje, met uitzicht op de toren, strijk ik neer op een terrasje voor een Milchkaffee, heerlijk in het zonnetje. Ik tref het: de Nicolaus slaat twaalf en beiert daarna zijn klanken over de hele stad. Verenigt alles, links en rechts, jong en oud, oud en nieuw. Dank je Nicolaus, een oude stad moet men eigenlijk koesteren, want zij bewaart het verleden, de dingen die geweest zijn. Men moet haar niet verwaarlozen, maar wiegen als een kind, voordat ook wij over een paar jaar zelf oude mensen zijn…
‘s Middags voel ik dat mijn tripje ten einde loopt. Nog eenmaal rij ik de hoogvlakte van de Hunsrück op om van de eindeloze verten te kunnen genieten. Ik rij te midden van een blauw, groen en aardenkleurig, geometrisch mozaïek van land en lucht en word langzaam maar zeker zelf deel van het landschap. Mijn auto is mijn koninkrijk omdat ik daar heers over mezelf. Het is een plek zonder ruis, die bepaalt in welk ritme deze dagen door het prille voorjaar worden gedragen. De weg voor mij ligt er als een lint van leegte en daar, op de grens waar het bos begint, ligt het verstilde dorpje Sponheim. De straatjes zijn smal en bochtig en leiden naar een bijzonder bouwwerk, een romaanse kerk van een voormalig benedictijner klooster uit de 12e eeuw. Het grondplan is een Grieks kruis met ronde afsluitingen van de zijbeuken. Ik laat mij imponeren door de afmetingen en het interieur dat mooi van eenvoud is. Ondanks de grote ruimten voelen de kleuren warm aan. Hildegard was hier, onder de hoede van haar lerares en vertrouwenspersoon voor het leven, Jutta von Sponheim. Buiten de kerkmuren spelen kinderen in het pas aangelegde Hildegard labyrint en werkt een tuinman de Hildegard kruidentuin bij. Een Syrische familie maakt zich op voor een groepsfoto, waarbij de fotograaf zich bedient van een ladder om iedereen in het juiste perspectief te krijgen. Er wordt veel gelachten en geroepen voordat ook de kinderen uit het labyrint zich ook bij de groep hebben aangesloten. Deze mensen tonen gelukkig, konden blijven hopen door een onverwachte en duur bevochten menselijke veerkracht. En het vermogen om zich, ook in zware tijden, druk te maken over morele keuzes. En Hildegard? Het zal haar in een bijzonder visioen allemaal nog wel uitgelegd worden…
De avond is gevallen over de Ebernburg waar de lichtjes inmiddels zijn ontstoken. Gehuld in duisternis waakt de Rotenfels over het uitgestorven stadje. Ver weg, in de oude nieuwstad en misschien ook wel in de nieuwe
Altstadt gonst de avond: Cafés, restaurants, verwarmde terrassen. Mensen op weg naar andere mensen. Met lichte weemoed neem ik afscheid van dit bijzonder stukje Duitsland. Ik heb geprobeerd iets te schrijven dat anders morgen weer vergeten zal zijn. Want maar al te gemakkelijk kun je verdwaald raken in je herinneringen. Herinneringen zijn namelijk geen vaststaande feiten, ze zijn plooibaar en onbetrouwbaar.
Rest mij nog jullie allemaal hartelijk te bedanken voor jullie positieve reacties en dan dit bericht de nacht in te sturen. Want de nacht staart niet en stelt geen vragen…

Cees Sleven © april 2019

Advertisements

Beata solitude, sola beatitudo

Klooster Maria Laach, Eifel

Beata solitudo, sola beatitudo
Alleen de stilte leidt tot zaligheid

Deze Latijnse spreuk hangt in smeedijzeren letters op een scheef hangend houten bordje aan het voeteneind van mijn bed in deze verder sobere kloosterkamer. Ik sta hier wat onwennig, leg mijn meegebrachte boeken op de tafel en trek de fantasieloze gordijnen dicht. Ik draai de verwarming hoog en besluit het bed op te maken. Ik reken uit dat ik nog meer dan anderhalf uur in deze kamer door moet brengen, dan pas beginnen de Vespers. Ik voel me de gevangene van mijn eigen vrijheid terwijl ik mijn linkerhand laat glijden over de boeken op de plank aan de muur tegenover het hoge raam. Bijbelse, godsvruchtige literatuur en poëzie. Mijn aandacht wordt getrokken door ‘het Boek der Wijsheden’ en in één oogopslag concludeer ik dat dit boek het leven verklaart. ‘De eeuwigheid heeft geen benul van jaren, dagen, uren’ appelleert aan mijn fascinatie voor het tijdsbegrip. En, enige hoofdstukken verder, stuit ik op een uitspraak van de Poolse schrijver Stanislav Jerzy Lec: ‘Als het waait, toont zelfs de weerhaan karakter’. Ik sla, hierover nadenkend, het boek dicht en kijk door het raam naar buiten. Ik zie niets, behalve een paar bomen, die de stormwind trotseren, het dak van de kapel en een volle, ronde maan, waarvoor wolken haastig voorbij schuiven. In haar vale schijnsel zie ik de weerhaan als een dolle draaien.

Hoe ben ik hier verzeild geraakt? Ik ben toch geen pastoor uit een landelijke gemeente, of een onaangepaste zonderling op zoek naar zichzelf? Ben ik hier om te breken met wat eens was, een zoeken naar rust na lange omzwervingen? ‘Ach, in feite zijn wij allemaal zoekende’, raadde de broederportier mijn gedachten, toen ik mij aarzelend meldde voor mijn onderdak voor één dag. ‘U naar het onbestemde, ik naar God. Zoals beloofd staat er een bed, een stoel, een tafel en water voor u klaar’. Zijn welkom was zonder emotie en met een klap sloeg hij de zware deur achter mij dicht. Door halfduistere, eindeloze gangen ging hij mij voor naar de gastenkamer. Hij maakte mij duidelijk dat ik gast was en dat er ruimten waren, alleen toegankelijk voor de paters. Ik kon wel, als ik dat op prijs stelde, de plechtigheden in de kapel volgen, deelnemen aan de maaltijden en de rest van de dag in de gastenbibliotheek of op mijn kamer doorbrengen. Even voor half zes hoor ik de klok voor de Vespers luiden. Een horloge is hier overbodig. De klok verdeelt dag en nacht in gelijke stukken: Zes uren in de kapel, zes uren in de bibliotheek, zes uren in het scriptorium, een kleine zes uur slapen, en tussendoor bidden, overwegen en het trainen van de geest. Isolement is het uitgangspunt, stilte het hulpmiddel…

Tussen de strak geordende banken sta ik toe te kijken. Een strenge kapel, zonder een spoor van opsmuk. De abt verheft zijn stem, egaal. Geen sentiment, geen emotie. Ik laat mij gewillig meevoeren op het monotone geluid dat omhoog kruipt tegen de muren, opgetrokken uit duizenden zandgele bakstenen. Godsvruchtige woorden, menselijke hulpkreten die onder de spanten van het dak blijven hangen, terwijl buiten de wind zich huilend stuk slaat tegen de muur. Het dak heeft precies de vorm van een omgekeerde ark, een ark, hangend aan de berg Ararat… Beloften voor een nieuw begin?
Na de Vespers word ik uitgenodigd voor het avondeten. Ik word gewezen op een bordje waarop om absolute stilte wordt gevraagd, zowel voor, tijdens als na de maaltijd. Om de stilte nog nadrukkelijker te maken, weerklinkt uit de bibliotheek zachte muziek. Ik groet de andere gasten, maar ik krijg geen groet terug. Ik begrijp dat ik een regel heb overtreden… Ik deel mee in het sobere avondmaal van brood, water, azijn, peper en zout, kastijding van het zingenot van de smaak. Een sobere maaltijd in een sobere zaal met het minste wat een armoedige tafel kan brengen. Versterving en tuchtiging zijn mijn disgenoten. Een diep gevoel van eerbied voor deze kloosterlingen verdringt mijn misplaatste honger en sterkt mij in de wens vol te houden tot de morgen.

En die morgen komt, na een doorwaakte nacht vol tegenstrijdige gedachten. Wanneer de zware kloosterdeur weer achter mij gesloten wordt, is de zon weer terug. Na een reeks grijze dagen die bij geen enkel seizoen schijnen te horen, komt met die zon ook het voorjaar terug. Nu niet alleen maar als een aankondiging door vroege vogels en bloemen, maar het is er echt, neemt bezit van me, is onontkoombaar… Ik geniet van de frisheid van het vroege ochtenduur. Er ligt een zachte vrede over de velden, de hemel erboven is strak blauw. De zon strooit met tintelend, goud licht en ik zal mij spoedig weer aan haar warmte kunnen koesteren. Inderdaad: Is het geen zaligheid weer te kunnen gaan in stille dreven en door schaduwrijke bossen? Mijn gastheren voor één dag kiezen voor de stilte, ik echter voor die zaligheid…

Cees Sleven   ©   mei 2019 (revised version)