Pantharella en het houten jongetje

“Neem maar plaats achterin de klas, daar is nog een tafeltje vrij”. Juffrouw Loes probeert met zachte stem geruststellend over te komen naar het schichtig om zich heen kijkende meisje. “Kinderen dit is Pantharella en zij zit met ingang van vandaag in onze groep. Nu nog even aan een tafeltje alleen, maar straks komt er nog een nieuw jongetje bij, die gaat naast haar zitten”. Het meisje begint hevig te blozen nu de juf zo openlijk haar naam heeft genoemd in de klas. Pantharella, een timide, roodharig meisje dat er jonger uitziet dan haar 11 jaren doen vermoeden. Een kind, gepest om haar naam die nergens terug te vinden is en die ook nergens voor staat. Geen “lelie in de morgen” of “zij die het oog verblindt”, nee, alleen maar Pantharella, een naam om de spot mee te drijven en daarmee het kind te pesten. Zij scholden haar uit voor ‘freckles’ omdat haar rode haren een gezicht omlijnden vol met sproeten en omringden haar dan als een troep hongerige wolven. Dan voelde zij zich als een kindertekening die uit haar handen was gewaaid en daarna urenlang boven het schoolplein bleef cirkelen. Het ene moment zeilde het stuk papier langs de klaslokalen, ongenaakbaar en stabiel, dan weer belandde het in een plas, waar het door een voet  werd vertrapt. Pantharella, een kind dat uit veilige handen is gewaaid.
Met een rood hoofd van schaamte neemt zij achter het achterste tafeltje plaats. Haar en Loes’ blik blijven even aan elkaar hangen en geven haar het gevoel dat het uiteindelijk goed zal komen.
Dan wordt er op de deur geklopt en brengt de directeur het nieuwe jongetje binnen. Plotseling is het doodstil in de klas. Die Pantharella is bijzonder, maar dit slaat werkelijk alles. Een jongetje dat op een boompje lijkt. Zoiets hadden zij nog nooit gezien: het jongetje was helemaal van hout! “Neem maar plaats achterin, je kunt naast Pantharella gaan zitten”, nodigt juffrouw Loes hem uit en terwijl hij luid tussen de tafeltjes naar achteren klakt draaien alle kindergezichtjes langzaam met hem mee, zodat iedereen achterstevoren op het stoeltje zit. Alle ogen zijn nu gericht op dat rare stel achterin. Je kunt een speld horen vallen. “Hoe is het dan gekomen dat je zo geworden bent”, verbreekt juf Loes de stilte. Hield je dan zoveel van bomen? “Nee juffrouw, u heeft het helemaal mis. Ik ben heel gewoon gegroeid, ergens tussen het struikgewas, daar waar het stil en donker was. Weet u, zulke dingen komen voor, dat is heus niet zo vreemd. Wel voel ik mij vaak alleen zonder vriendjes om mee te spelen, om na schooltijd mee te ravotten in het bos”. De kinderen luisteren ademloos toe als juf Loes het houten jongetje zijn verhaal laat doen over het donkere woud waar alleen de bomen zijn, bomen die niet staren en die geen vragen stellen. Waar de dieren zich schuilhouden en feeën en dwergen het voor het zeggen hebben. En een meisje met een parmantig rood kapje over haar rode krullen op weg is naar haar grootmoeder…
Zo worden de kinderen het verhaal ingetrokken en hangt ook Pantharella aan zijn houten lippen: over een bekrompen wereld die het niet begrijpt, en blind is voor de wrange ironie dat hout duurzaam is en dat rood de kleur is van de liefde. Een wereld die er voor kiest om op lichtloze, kille dagen een weg af te leggen als een lint van leegte. Er voor kiest om dommer te sterven dan nodig is geweest…
De volgende ochtend blijft het achterste bankje in de klas leeg. Van Pantharella en het houten jongetje is nooit meer iets vernomen. Wel werd er onlangs een wolf in het bos gesignaleerd…

Cees Sleven © augustus 2018
Tekening: Daan Sleven Sr. – 1963

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s