“Nie wieder”

Skeletten, prikkeldraad en kettingen, tot een indrukwekkend geheel samengesmeed, symboliseren de lijdensweg die de gevangen van Dachau hebben moeten gaan. Ik sta voor het unieke gedenkteken van de Joegoslavische beeldhouwer Glid Nandor in het voormalige concentratiekamp. Het staat centraal voor het hoofdgebouw op de uitgestrekte appelplaats. Het gebouw waar eens de nieuw aangekomen gevangenen van hun waardigheid werden ontdaan: Geadministreerd, alle persoonlijke bezittingen ingeleverd, daarna ontkleed en gedesinfecteerd en tenslotte naamloos te werk gesteld. Aan deze lijdensweg kwam voor de “gelukkigen” een einde op de 29e april 1945 toen het kamp werd bevrijd door de Amerikanen. Het was half zes in de middag toen de eerste soldaten, uiterst behoedzaam het kamp binnenkwamen, want nog maar enkele minuten geleden werden zij beschoten vanuit de wachttorens, ondanks de witte vlaggen die de SS daar had uitgestoken. Zij betraden het kamp via de hoofdingang, door het smeedijzeren hek met de tekst “Arbeit macht frei” en ze waren geschokt, onvoorbereid als ze waren bij het zien van al die uitgemergelde doden en halfdoden. In de trein, en later bij het crematorium. De appelplaats stroomde al snel vol met duizenden dolgelukkigen gevangenen. Eindelijk waren zij vrij, na al die jaren van ellende.

Na de oorlog bood het voormalige interneringskamp onderdak aan de vele ontheemden, Duitsers die uit Tsjechisch Sudetenland, Pools Silezië, Pommeren en Oost-Pruisen waren verjaagd, als collectieve straf voor al degenen die met de bezetter hadden gecollaboreerd. Na een verbouwing van 3 miljoen D-mark ontstond er in 1949 een dorp met een kleine 2000 inwoners. Het waren eenvoudige en wat krappe woonruimten, maar voorzien van alles wat een dakloze vluchteling zich maar kon wensen. Maar de grote woningnood in Duitsland bleef waardoor het nog tot 1965 heeft geduurd heeft voordat de laatste bewoner vertrokken was. En de ontruiming ging niet zonder slag of stoot: Keer op keer werd de ontruiming uitgesteld waardoor de bouw van de Gedenkplaats Dachau sterk werd vertraagd.
Maar op 8 september 1968 was het dan zover, de inwijding van het internationale gedenkteken. In drommen waren zij naar Dachau gekomen, de oud-gevangenen, om hiervan getuige te zijn.  Daar stonden zij weer op die verafschuwde appelplaats. Maar zij kwamen niet alleen, ook de jeugd eiste haar stem op. Het waren immers de roerige jaren zestig en de jongeren wisten niet wat zij met het verleden aan moeten. Er was breed protest tegen bestuurders met een naziverleden en men liep te hoop tegen de oorlog in Vietnam en de Zuid-Afrikaanse Apartheid. Er was protest tegen het militaire vertoon en het kwam zelfs tot een handgemeen tussen de demonstranten en oud-gevangenen. Zo werd na 12 jaar van zich voortslepende meningsverschillen over het hoe en waarom betreffende dit gedenkteken, het werk van Glid Nandor ingewijd.

Het is een groot monument geworden; met een grondoppervlak van niet minder dan 48 bij 100 meter. Twee betonnen muren begrenzen een grindplateau; vandaar voert een weg omlaag, naar een pad dat het hele bouwwerk doorkruist. En daar, op twee sokkels, staat Nandor’s bronzen sculptuur. Ik laat de grootsheid ervan op mij inwerken. Ik onderscheid hekpalen, grachten en prikkeldraad, de belemmeringen van het kamp naar de vrijheid. Menselijke skeletten ter nagedachtenis aan degenen die zich in wanhoop in het prikkeldraad hebben gestort. De dood in het concentratiekamp was immers alledaags en alomtegenwoordig. Ook vertellen zij het verhaal van de vele zelfmoorden die op deze wijze in Dachau zijn gepleegd. Op het laagste punt van het pad kom ik aan nog een monument, een reliëf van sterren verbonden door een ketting. Dit gedeelte van het gedenkteken herinnert aan de sterren die de gevangenen van 1937 verplicht waren te dragen op hun gestreepte gevangeniskleding. Op de muur aan de oostzijde van het gedenkteken staat, in vier talen, met grote letters “Nie wieder”. Ervoor ligt een urn begraven met de as van een onbekende kampgevangene, ter herinnering aan het lot van de duizenden mensen die in het crematorium verbrand zijn. Efficiëntie verheven tot waanzin, totale degeneratie. Onder de tekst ligt een boeketje plastic rozen. Een vleugje menselijkheid, een vleugje hoop… Een merel zingt zijn longen uit zijn zwarte lijfje. Zijn lied weerkaatst tussen de betonnen muren. Als een echo uit het verleden…

Cees Sleven   ©   juni 2018

Met dank aan:
Pim Reijntjes – “Dachau; verhalen uit een concentratiekamp” (2005)

Advertisements

Pantharella en het houten jongetje

“Neem maar plaats achterin de klas, daar is nog een tafeltje vrij”. Juffrouw Loes probeert met zachte stem geruststellend over te komen naar het schichtig om zich heen kijkende meisje. “Kinderen dit is Pantharella en zij zit met ingang van vandaag in onze groep. Nu nog even aan een tafeltje alleen, maar straks komt er nog een nieuw jongetje bij, die gaat naast haar zitten”. Het meisje begint hevig te blozen nu de juf zo openlijk haar naam heeft genoemd in de klas. Pantharella, een timide, roodharig meisje dat er jonger uitziet dan haar 11 jaren doen vermoeden. Een kind, gepest om haar naam die nergens terug te vinden is en die ook nergens voor staat. Geen “lelie in de morgen” of “zij die het oog verblindt”, nee, alleen maar Pantharella, een naam om de spot mee te drijven en daarmee het kind te pesten. Zij scholden haar uit voor ‘freckles’ omdat haar rode haren een gezicht omlijnden vol met sproeten en omringden haar dan als een troep hongerige wolven. Dan voelde zij zich als een kindertekening die uit haar handen was gewaaid en daarna urenlang boven het schoolplein bleef cirkelen. Het ene moment zeilde het stuk papier langs de klaslokalen, ongenaakbaar en stabiel, dan weer belandde het in een plas, waar het door een voet  werd vertrapt. Pantharella, een kind dat uit veilige handen is gewaaid.
Met een rood hoofd van schaamte neemt zij achter het achterste tafeltje plaats. Haar en Loes’ blik blijven even aan elkaar hangen en geven haar het gevoel dat het uiteindelijk goed zal komen.
Dan wordt er op de deur geklopt en brengt de directeur het nieuwe jongetje binnen. Plotseling is het doodstil in de klas. Die Pantharella is bijzonder, maar dit slaat werkelijk alles. Een jongetje dat op een boompje lijkt. Zoiets hadden zij nog nooit gezien: het jongetje was helemaal van hout! “Neem maar plaats achterin, je kunt naast Pantharella gaan zitten”, nodigt juffrouw Loes hem uit en terwijl hij luid tussen de tafeltjes naar achteren klakt draaien alle kindergezichtjes langzaam met hem mee, zodat iedereen achterstevoren op het stoeltje zit. Alle ogen zijn nu gericht op dat rare stel achterin. Je kunt een speld horen vallen. “Hoe is het dan gekomen dat je zo geworden bent”, verbreekt juf Loes de stilte. Hield je dan zoveel van bomen? “Nee juffrouw, u heeft het helemaal mis. Ik ben heel gewoon gegroeid, ergens tussen het struikgewas, daar waar het stil en donker was. Weet u, zulke dingen komen voor, dat is heus niet zo vreemd. Wel voel ik mij vaak alleen zonder vriendjes om mee te spelen, om na schooltijd mee te ravotten in het bos”. De kinderen luisteren ademloos toe als juf Loes het houten jongetje zijn verhaal laat doen over het donkere woud waar alleen de bomen zijn, bomen die niet staren en die geen vragen stellen. Waar de dieren zich schuilhouden en feeën en dwergen het voor het zeggen hebben. En een meisje met een parmantig rood kapje over haar rode krullen op weg is naar haar grootmoeder…
Zo worden de kinderen het verhaal ingetrokken en hangt ook Pantharella aan zijn houten lippen: over een bekrompen wereld die het niet begrijpt, en blind is voor de wrange ironie dat hout duurzaam is en dat rood de kleur is van de liefde. Een wereld die er voor kiest om op lichtloze, kille dagen een weg af te leggen als een lint van leegte. Er voor kiest om dommer te sterven dan nodig is geweest…
De volgende ochtend blijft het achterste bankje in de klas leeg. Van Pantharella en het houten jongetje is nooit meer iets vernomen. Wel werd er onlangs een wolf in het bos gesignaleerd…

Cees Sleven © augustus 2018
Tekening: Daan Sleven Sr. – 1963