Narcissus



Narcissus

Naakt, slechts een wit kleed dat de spruit bedekt
tot –door voorjaarswarmte afgelegd-
nieuwe trots het hemels blauw omlijnt
en de knop zich naar het leven strekt.

Neerbuigend in winters laatste ademtocht
groepen zij samen, schouder aan schouder,
wachtend op lentes strelende warmte
die in tijdloos ritme sneeuw en ijs bevocht.

Zij, de gouden narcissen uit mijn jonge jaren,
door Wordworth reeds zo fraai bezongen,
ik zag er duizend wiegend in de wind
met steeds weer dat intens verlangen in al dat goud te staren.

O prille lentebode, onkwetsbaar voor voorbije winterkou,
gooi af je veilige knop, laat schallen je trompet!
Laten we fladderen en dansen in de lentebries
voor ik dankbaar de handen samenvouw.

Cees Sleven © maart 2018

Advertisements

A rainy day in the parc (revisited)

 

Plaats van handeling: het Vondelpark in Amsterdam, speelplaats van mijn jeugd. Een plek waar uitersten elkaar ontmoeten onder het toeziend oog van vaderlands grootste dichter. Ik tuur over het water van de vijver en zie ze gaan hand in hand. Leidende en vooral veilige handen. De leegte tussen het groen vult zich met dankbaarheid: “You out of me, me out of you… we go like lovers, to replace the empty space…”

Gedrieën spoelen wij letterlijk het theehuis binnen. Zij en ik, de buitenstaander. De regen slaat tegen de terrasramen, wanneer zij achterin een tafeltje opzoeken en –uitdruipend- hun warme consumpties omklemmen. Ik hou gepaste afstand, maar kan hun conversatie duidelijk volgen.
“Heb je het niet koud en waarom ben je altijd naakt?” Er volgde een lange stilte die bij mij de spanning deed oplopen. “Omdat ik de waarheid ben, de naakte waarheid, wars van alle opsmuk en tierelantijnen. Ik ben helder als glas en daardoor confronteer ik. Ik breng de essentie naar boven en mijn lot is dat onbegrip en ontkenning mijn deel is”. De ander ging er eens goed voor zitten en antwoordde opverend en met enthousiasme in de stem: “Ja, ik herken dat. Ook ik word niet op mijn woord geloofd. Sterker nog, men keert mij meestal kwaad de rug toe en wil niets meer met mij te maken hebben”. De grove leugen zakte met terneergeslagen blik terug in zijn stoel, wachtend op een meelijdende reactie van de andere kant van de tafel. En die kwam al snel: “We hebben meer gemeen dan je zo op het eerste gezicht zou zeggen. We worden beiden niet geloofd en komen overal buiten te staan”. Misschien zijn we wel tot elkaar veroordeeld en moeten wij onze eigen ongeplaveide weg gaan, ver weg van hen die op ons zouden willen bouwen. Plots vraag ik mij af wie hier nou de buitenstaander is. Dit vreemde koppel of ik? Ik kijk in hun moegestreden ogen en vang hun blik. Ik zie angst en daardoor heen zie ik, heel even maar, een glimp van een leven van zonnedagen toen alles nog zo veelbelovend was. Toen ze dachten ermee weg te komen. Ik voel hun verdriet over de herinnering aan alles wat geweest is, en gebeurd is, het licht en donker van een leven als naakte waarheid en grove leugen. Ik ben hier de buitenstaander, voel me ongemakkelijk en weet me geen raad met de situatie. Ik ga voor het raam staan en kijk het park in. Door het uitlopend groen kan ik nog net het beeld van Vondel zien. Zal ik er tussenuit piepen of de confrontatie aangaan en mijn hulp aanbieden? Door glas en regen heen vraag ik Vondel om raad. Ondanks de kletterende regen buiten is de stemming binnen aangenaam. De meeste tafeltjes zijn bezet, het publiek is divers. En dan plots is daar de zon die haar stralen werpt over het werk van Herman Brood aan de wand. Het theehuis is één en al licht, een uitverkoren plek. Ik raap alle moed bijeen wanneer ik het koppel durf aan te spreken: “Neemt u mij niet kwalijk iets van uw conversatie te hebben opgevangen, maar ik weet misschien een oplossing voor u beider probleem”. Geschrokken, maar ook met een lichte verbazing in de stem antwoorden naakte waarheid en grove leugen in koor: “En wie mag u dan wel wezen?” Ik laat een stilte vallen. Zonder stoel kniel ik tussen hen in en zeg op zachte toon: “Een leugentje om bestwil is mijn naam, aangenaam!”
Uren later stromen wij gedrieën met het licht naar buiten en zien het beeld van Vondel in de sombere schaduw liggen. Gepast op afstand. Terzijde. Met een glimlach om de mond…
In het theehuis blijft op ons tafeltje een vierde kopje koffie onaangeroerd achter…

Cees Sleven © februari 2018