Naar Hildesheim en Quedlinburg

 

Quedlinburg, Burgberg

Opnieuw een culturele zwerftocht door Duitsland waarop het accent zal liggen op de middeleeuwse cultuur van de steden Hildesheim en Quedlinburg en de prachtige natuur van het Teutoburger Woud, de Lippe, het Weserbergland, de Harz en het Rothaargebirge.
De onlangs gerestaureerde Mariadom in Hildesheim verdient een uitgesteld bezoek, waar ik ook de duizendjarige rozenstruik zal aanschouwen. Ik verken de historische binnenstad van Quedlinburg met op de Burgberg de beroemde St. Servatius Stiftskirche.
Ik zal de Duitse middelgebergten betreden via de Westfaalse Poort en bij Lemgo en Detmold mijn vertrekpunt vinden. Het landschap zal langzaam gaan kleuren en de gewas gaat van het veld. Eindelijk weer ruimte voor het late licht om lange schaduwen te trekken.
Vanaf de behaaglijke beslotenheid van mijn hotelkamer zal ik weer verslag doen van mijn ervaringen op deze tocht langs dit parelsnoer van Midden-Duitsland…

Lemgo

Maandagmorgen in Lemgo, 25 september 2017

Voor mij ligt het servetje waarop ik wat aantekeningen heb gemaakt op de eerste dag van mijn nieuwe culturele zwerftocht door het noorden van Duitsland. Ik ben neergestreken in het slaperige, maar fraaie Hanzestadje Lemgo, gelegen in de vlakte tussen het Teutoburger Woud en het Weserbergland. Opgebloeid door de handel in laken, linnen en garen kwam na de Dertigjarige oorlog en de heksenvervolgingen de neergang en werd het stadje totaal vergeten. Ondanks de miezerige maandagochtendsfeer staan de middeleeuwse en renaissancepanden schouder aan schouder te wachten op een blik omhoog van een culturele zwerver zoals ik. Sommige staan licht voorovergebogen om nog imposanter over te komen. Het regent in Lemgo en dat is een tegenvaller. Bovendien is de Mittelstraße, de belangrijkste winkelstraat met de mooiste panden opengebroken. De schreeuwerige rood-witte afzettingen vloeken met het zachtgrijs van de vakwerkhuizen met overwegend rode daken. Er zijn weinig mensen op straat, de meeste winkels zijn nog gesloten. In doorzichtig plastic verpakte wandelwagens worden voortgeduwd door moeders, haastig op weg naar God weet waar naartoe. Een blinde man zoekt zijn weg door met zijn stok over de keien te ratelen. Hij weet wel waar hij heen gaat, naar zijn ochtend koffie, met zijn vrienden, zoals elke maandagmorgen. In de Konditorei wordt omstandig plaats voor hem gemaakt en al snel neemt hij fanatiek deel aan de discussie die zonder twijfel gaat over de recente verkiezingen. Er wordt veel met het hoofd geschud, de uitslag is duidelijk niet wat de mannen ervan verwacht hadden. “Angela fuck you” zag ik onderweg geklad over een groot portret van Angela Merkel. “Ach mens, hou er toch mee op” denk ik. “Ga iets leuks doen, cultureel zwerven in eigen land of zo! Regeren is helemaal niet nodig, kijk maar naar de buren. Die doen het zonder en het loopt op rolletjes!” En zo meng ik mij op gepaste afstand vanachter mijn Milchkaffee mit Käsetorte toch in de discussie. Koffie die smaakt naar de maandagmorgen en Käsetorte die zo zwaar is als de loodgrijze wolken die tegen de heuvels hangen.
Na de middag, wanneer ik de Spiegelberg opga, breekt de zon door. De uitkijktoren op het hoogste punt is helaas gesloten, maar tussen de bomen door kan ik toch genieten van het prachtige uitzicht over de stad en reikt mijn blik tot aan de golvende lijnen van het Teutoburger Woud. Overal wordt het gewas van het veld gehaald en wordt het landschap eindelijk weer opener. Eindelijk ruimte voor het namiddaglicht om lange schaduwen te kunnen trekken. Langzaam begint het bos te kleuren en laten de bomen hun vruchten vallen. Krakende eikels onder de schoenen, geplette kastanjes op de keien. Op weg naar Hildesheim toont het heuvelland haar ware gedaante. Dan weer lieflijk in het zachte strijklicht met de prachtigste schilderijwolken erboven, maar ook grimmig wanneer zij een gordijn van slagregens loslaat op alles wat zich beneden kronkelig voortbeweegt of een goed heenkomen zoekt. De verzoening is daar wanneer de zon zich weer kan spiegelen in al die regendruppels en mijn ogen doet toeknijpen tegen het natte asfalt.
Tegen half vijf rij ik Hildesheim binnen, mijn reisdoel voor de komende dagen. Een trendy hotel met een vriendelijke eigenaar, dicht tegen het centrum aan, vlakbij het Hauptbahnhof. Ik richt mijn werkplek in: Tablet met toetsenbord, speaker voor mijn favoriete muziek ter inspiratie, een beker koude koffiedrank voor later op de avond. Ik kijk op het oranje verlichte kruispunt onder mij. De straten zijn nat, weerspiegelen gedaantes die haastig op weg zijn naar het station. Of naar huis gaan met het bungelende plastic tasje van een of andere afhaalgelegenheid. Ik sluit de gordijnen, en sluit de dag. En daarvoor snuit ik eens flink mijn neus. Met het enige aanwezige servetje. Dag aantekeningen!


Hildesheim

Michaela, dinsdag 26 september 2017

Mijn dag in Hildesheim begint anders dan ik gehoopt had: de servetjes bij het ontbijt in dit trendy hotel zijn zwart, geen aantekeningen mogelijk dus, ik mors koffiemelk op mijn broek en -eenmaal onderweg- krijg ik een hoosbui over mij heen. Weer alles uit de rugzak op zoek naar mijn regenjack. Vanonder mijn capuchon zie ik op weg naar het centrum veel te veel moderne gebouwen, een ratjetoe aan naoorlogse bouw, want deze stad is aan het eind van de oorlog hevig gebombardeerd. Als ik de glimmend natte Markt oploop is het weer droog en laat ik mij imponeren door de prachtig gerestaureerde panden om mij heen. Vanaf zekere hoogte, dat wel, want het zicht op de begane grond wordt hevig ontsierd door foeilelijke vrachtwagens die staan te laden en lossen, en graafmachines die klaarstaan om in de zijstraten hun slag te slaan voor een nieuwe voetgangerszone. Toch start ik hier mijn “Rozenroute”, omdat de roos voor de Hildesheimer symbool staat voor de wederopbouw en het voortbestaan; de stad zal floreren zolang de “duizendjarige rozenstruik” van de Mariadom groeit en bloeit. Een vriendelijke dame van de toerist-information legt mij de brochure uit en ga ik snel op zoek naar het eerste rozen-symbool van een route die mij zal voeren langs alle historische hoogtepunten van de stad. Ik moet mijn tijd zorgvuldig indelen, want ik ben uiteindelijk gekomen voor de onlangs geheel gerestaureerde Mariadom die samen met de St. Michaeliskirche op de werelderfgoedlijst van de UNESCO prijkt. Ik was hier eerder een paar jaar geleden en heb toen de Michaelis “gedaan”. De Mariadom was toen dicht, een goede reden om op een later tijdstip hier nog eens terug te keren.
Achter de Markt sta ik gelijk oog in oog met de Huckup, een gedenkteken dat op deze plek het oorlogsbombardement ongeschonden heeft overleefd. De Huckup, het slechte geweten in de gedaante van een sterke dwerg, wijst de dief onherroepelijk terecht met de woorden: “Jongen, laat die appel liggen – anders grijpt de Huckup je!” Jantje heette hij toch? Die zag toch eens pruimen hangen, o als eieren zo groot? En Jantje wilde pruimen plukken, schoon zijn vader het hem verbood? Net op weg en nu al in opperste verwarring…
Ik zoek de stilte op en vind die in de vele kerken die ik op mijn route tegenkom: De Heilige Kruiskerk, de St. Lamberti, de Basilica St. Godehard, de St. Andreaskirche, allemaal zorgvuldig heropgebouwde Godshuizen, getuige de vele aanwezige foto’s van de verwoestingen in de oorlog. Alle fascinerende bouwstijlen zijn aanwezig: Romaans, Gotisch, Barok en Renaissance. Wat trekt mij toch aan in al die kerken? Is het alleen die alles omvattende, gewijde ruimte? Of is het een deel van mijn opvoeding dat ik niet geheel achter mij heb kunnen laten? Zeker is dat ik op mijn levensreis altijd gefascineerd ben geweest door de kunst van het versieren. En dan niet van het andere geslacht, want met ons mensen is het op dat vlak treurig gesteld. Zeker wij mannen zijn van nature niet voorzien van allerlei uiterlijke pracht en praal die bij rituelen rond het voortbestaan op commando te voorschijn komen. Nee, het sinds mensenheugenis versieren van alles wat er door onze handen gaat. De kunst van het versieren kent zijn flamboyante hoogtepunten en zijn perioden van verstilling, maar in alle gevallen opent het de ogen voor de schoonheid in de kunst. Weer sta ik nu voor een ontroerende Madonna met Kind, met vaardige hand uit eerlijk hout gesneden en met vage kleurresten van wat eens een prachtmantel moet zijn geweest. Pure, volkse kunst. Versiering in al zijn eenvoud. Aan haar voeten liggen honderden verzoeken om hulp: “ Heilige Moeder Maria, spreidt uw alles beschermende mantel over ons uit…” Ik wil niet achterblijven en voor ik de kerk verlaat steek ik een kaarsje aan bij het Mariabeeld. Zolang het brandt blijf ik nog even, hoewel ik eigenlijk weer onderweg moet, nog -tig rozen te gaan…
En dan ben ik er: precies om 12 uur loop ik het Domplein op onder het slaan van de zware domklok. Ik tel mee tot twaalf en wacht tot de laatste klokslag geheel is weggestorven. Nu daalt er stilte neer vanaf de Mariadom, stilte die zich mengt met de vallende bladeren die zich als gouden munten neerleggen op het gazon. Een korte, heldere bel bouwt de spanning op: het gymnasium aan het Domplein gaat uit en met de eerste kinderen die naar buiten komen breekt ook de zon door. Hoe anders kijk ik hiernaar dan naar de Regidius Basisschool te Duiven waar ik elke maandag mijn kleinkinderen ga ophalen. Hier worden de kinderen vast opgeleid tot engeltjes, al heeft menig kind nu al een zwaardere rugzak te dragen dan ik tijdens mijn hele leven. Maar uiteindelijk zijn kinderen overal hetzelfde, laten elkaar hun mobieltjes zien als eerste teken van een opbloeiende, prille kalverliefde. Zie ze daar zitten in die regen van gouden herfstbladeren die, vallend van tak naar tak, zich bewegen als muzieknoten op een notenbalk in dit jaargetijde van zachte weemoed en zoete najaarsmin. En van het gevoel van vlinders in je buik… Een beetje beschaamd sta ik op en betreed de Dom waar ter verwelkoming orgel klanken door de ruimte gaan. Het laag rollend, de hoge klanken stijgend, kaatsend en weer terugkerend. Een magische introductie van een schitterend geslaagde restauratie. Ik breng er een paar uur vrijwel in mijn eentje door, tot ik bij de duizendjarige rozenstruik op het Annenfriedhof onaangenaam gezelschap krijg van een groep Aziatische toeristen. Weg is de sfeer van rust en bezinning binnen deze romaanse kruisgang wanneer het aankomt op selfies nemen. Geen standje te gek met de beroemde rozenstruik als achtergrond. Na de verwoesting in 1945 van de St. Annenkapel, waartegen deze rozenstruik groeide, overleefden de gezonde wortels de vuurzee en liep de rozenstruik opnieuw uit. Ik trek mij terug in de kruisgang en denk er het mijne van: ik zie de luidruchtigen hier, ik zag ze op de Zaanse Schans, ik weet van ze in de Hermitage van St. Petersburg. Ik zie er een ver weg met zijn hand aan de knop…
In de Magdalenengarten kom ik weer tot rust tussen de nog altijd uitbundig bloeiende rozen, terwijl mijn blik naar de contouren van de St. Michaelis getrokken word. En die heeft nog een verrassing voor mij in petto, ondanks dat ik deze keer dit Godshuis aan mij voorbij laat gaan. Naast een afvalbak bij een bankje voor de kerk vind ik een prachtige pop met onder haar krullende haren een heel lief gezichtje. Weliswaar van porselein, maar toch… Een schitterend kleed heeft ze aan en ze draagt parmantig een tasje en een bijpassend hoedje. Even denk ik slecht, alsof de pop spontaan in mijn handen zal ontploffen, maar dan ebt de paranoia snel weg en kijk ik om mij heen of iemand haar misschien heeft achtergelaten. Het immense kerkplein is leeg, en blijft leeg. De pop werd achtergelaten, om definitief en voor altijd te worden vergeten. En toen kwam het verdriet. Langzaam stroomde er een traan langs haar oog en rolde over haar wang. “Huil niet kind, ik neem je mee. Straks wordt het donker en de nachten zijn al koud. Je past wel niet helemaal in mijn rugtas, maar met je lieve gezichtje er uitstekend, laat ik je deze fantastisch stad zien en ga je mee op reis. En daarna zal je bewonderende blikken oogsten door mensen die van je houden om wie je bent… Mag ik je Michaela noemen?


Michaela

Harzreise, woensdag 27 september 2017

“Auf die Berge will ich steigen,
Wo die frommen Hütten stehen,
Wo die Brust sich frei erschlieszet,
Und die freien Lüfte wehen.
Auf die Berge will ich steigen,
Wo die dunklen Tannen ragen,
Bäche rauschen, Vögel singen’
Und die stolzen Wolken jagen.”

Heinrich Heine (Aus der Harzreise, 1824)

Langzaam maar onherroepelijk trekt de invallende duisternis alle kleur en contrast uit de mij omringende natuur, al wat overblijft zijn inktzwarte silhouetten tegen de laatste oplichtende strepen in de avondlucht. Ik staar ernaar vanuit mijn nieuwe onderkomen in de Harz waar ik vandaag ben neergestreken op weg naar de stad Quedlinburg die ik morgen ga bezoeken. Deze woensdag dus een verplaatsing van zo’n 90 km naar het oosten, niet opnieuw gelijk naar de grote stad, maar gekozen voor een onderkomen halverwege, midden in de natuur, omringd door de heuvels van de Hochharz die donkere dennenbossen op hun toppen dragen. Vanaf mijn balkon kijk ik naar dit wegstervend beeld en voel een huivering. Wanneer ik de deur sluit omarmt mij een gevoel van geborgenheid en tevredenheid over mijn keuze. De rit hiernaar toe was grijs en mistig waardoor de contouren van het middelgebergte zich nog schuil konden houden, maar na de middag, wanneer de zon resoluut afrekent met de laatste nevelflarden, ontvouwt zich het fraaist denkbare herfstlandschap. En toch kies ervoor ondergronds te gaan om een lang vervlogen wereld te betreden die zo’n stempel heeft gedrukt op deze streek: ik bezoek het Oberharzer Bergwerkmuseum in Clausthal-Zellerfeld dat dit jaar precies 125 jaar bestaat. Ik maak een reis in de tijd van honderden jaren mijnbouw, de zoektocht naar het zilverhoudend erts die zo van invloed is geweest op de levens- en arbeidsomstandigheden van de Oberharzer bevolking en die zulke diepe sporen heeft nagelaten in de steden en in het landschap.
Het museum is fantastisch. Ik zie armoede, ziekte, kinderarbeid, maar ook vooruitgang, het gebruik van nieuwe, baanbrekende technieken en hoe dit alles toentertijd is vastgelegd. Ik smul van het zeldzame foto- en filmmateriaal uit het begin van de vorige eeuw en de prachtige schaalmodellen die het werken onder de grond duidelijk verklaren. Ik loop door de rijk ingerichte vertrekken van de toenmalige hoge heren, langs hun geschilderde hautaine portretten. En dit alles in een karakteristiek houten pand dat zo kenmerkend is voor deze streek. En ik ben hier wederom de enige bezoeker, reden voor de dame van de kaartjes om achter haar balie vandaan te komen om mij persoonlijk naar het begin van de museumroute te brengen. Ze vraagt waar ik vandaan kom. “Aus Holland? O, dat land zonder bergen, maar wel met heel veel water”, vult ze aan en vertelt mij omstandig over de meer dan 70 “Teichen” in deze omgeving, kunstmatige meren en meertjes, die door hun verschillende hoogteligging zorgden voor de benodigde waterkracht om de mijnbouwmachines in beweging te zetten: Liften om af te dalen, machines om het erts te verbrijzelen, om water te verplaatsen en om elektriciteit op te wekken voor de ondergrondse treintjes. Nu liggen die “Teichen” er meestal werkeloos bij en wanneer ik later op de middag aan de oever van de Hasenbacher Teich sta verbaas ik mij over de natuurlijke schoonheid van het spiegelende water in dit herfstig decor van kleurende heuvels en opbollende regenwolken.
Eenmaal geïnstalleerd op mijn kamer (Gästehaus “Tannenhof”, heeft veel weg van een Oostenrijks chalet) val ik op de bank spontaan in slaap om wakker te schrikken ver voorbij etenstijd. Het kleine restaurant is een waar schnitzelparadijs en als ik, na het betalen van de rekening het wisselgeld in mijn zak wil steken, voel ik daar twee steentjes: kwartsiet met een laagje kopererts, helder wit met groen-bruin. Zelf gedolven of beter gezegd: zelf opgeraapt in de bovenwereld, in dat fraaie landschap dat nu die bewogen mijnbouwgeschiedenis bedekt…

Hasenbacher Teich, Clausthal-Zellerfeld

Quedlinburg, donderdag 28 september 2017

Om vier uur geef ik er de brui aan. De spons neemt niets meer op, begint kennis te lekken. Teveel kerken, teveel vakwerkhuizen, te veel straatjes met keien. En de dag begon toch zo veelbelovend: Mijn batterijen helemaal opgeladen na een goede nachtrust en een heerlijk ontbijt met de persoonlijke touch van mijn gastheer. Zoals een goede gastheer hoort te zijn: Afgewogen aandacht voor zijn gasten, vooral luisteren en niet te hard praten als hij dan toch een persoonlijk woord tot je richt. Bovendien enthousiast en altijd vriendelijk, hoe praatziek sommige gasten ook zijn. Mijn gastheer heeft dit allemaal wanneer hij informeert naar hoe ik denk mijn dag te besteden. “Naar de bergburcht en de naastgelegen Stiftskirche St. Servatius in Quedlinburg” laat ik hem weten, waarna hij mij -geheel vrijblijvend- een plekje wijst vanwaar je het mooiste uitzicht op de oude stad hebt. “Als een modelbaan met modelhuisjes. Zeg me morgenochtend maar of ik gelijk had!” voegt hij er nog aan toe. Een schot in de roos, dit herken ik! En hij zet zijn enthousiasme kracht bij door mij een kortingskaartje mee te geven voor de toegang van de burcht en kerk.
Het is nog ruim een uur rijden naar Quedlinburg, dwars door de Harz, maar dat heb ik mijzelf aangedaan. Ik duik de nevelflarden in voor een rit van onbeschrijfelijke schoonheid. Hoger en hoger klim en draai ik. Door donkere mastbossen en langs natte granietwanden waarop brutaal feloranje struiken wortelen. Dan weer wordt mij het zicht ontnomen door slierten mist die hardnekkig in de dalen blijven hangen tot plotseling het alom aanwezige grijs verandert in melkwit en vervolgens het knalgeel de zon aankondigt. Ik verlaat de heuvels en rij de open vlakte in naar de middeleeuwse stad Quedlinburg, parel aan het snoer van de Duitse Werelderfgoederen.
In de basilica St. Servatius krijg ik een les geschiedenis die zijn weerga niet kent en die tot diep in de middag zal duren. Ik onderga de meer dan 1000-jarige historie van dit romaanse bouwwerk en de personages die daarin een belangrijke rol hebben gespeeld met grote aandacht, als een reis door de tijd waar geen ontsnappen aan is. Van Ottonen en Kanonissen, van Heinrich I, de eerste Saxenkoning en zijn vrouw Mathilde tot aan Heinrich Himmler die in 1936 de kerk onteerde omdat deze in de Middeleeuwen een periode zag van Germaans-duitse cultuur zonder beïnvloeding van buitenaf, met Heinrich I als exponent van het “Eerste Duitse Rijk”. Een venster met een adelaar in de crypte is nog een stille getuige van dit waanbeeld. Het wordt mij vertelt door een enthousiaste en goedlachse suppoost ter compensatie van het feit dat ik niet mag fotograferen. Hij legt mij de schilderingen op de gewelven uit en dat we daar te maken hebben met niemand anders dan de mooie Susanna uit het boek Daniel. Ik vergaap mij aan de Domschatten van zuiver goud en edelstenen, kistjes waarin de relikwieën van heiligen bewaard worden. Door de eeuwen heen werden zo de pelgrims naar de kerk gelokt en de middelen vergaard voor de zoveelste uitbreiding of verfraaiing van het Godshuis.
Ik zet mijn tijdreis voort in het burchtmuseum, gehuisvest in de voormalige burcht, maar na een duidelijke uiteenzetting van de vroegste geschiedenis van de bergburcht en zijn Stiftskirche en de propagandamachine van de nazi’s rondom koning Heinrich I begint de aandacht te verslappen en besluit ik de berg te verlaten en op te trekken naar de Markt. Onderweg verlies in mij nog in een grote antiekwinkel op zoek naar familieleden van Michaela om te kijken wat ze waard is. Maar vrouwen vraag je niet naar de leeftijd en zeker niet naar wat ze waard zijn. Als ik oogcontact maak met de verkoopster, voel ik dat ik bloos van schaamte. Ik vlucht naar het trein- en speelgoedmuseum, maar daar bekijk ik alleen de etalage. De St. Blasiuskerk raffel ik af en aangekomen op de Markt is het over en uit. Ik moet snel aan de lader, want morgen wacht er een nieuw reisdoel. In de Stube van Gästehaus “Tannenhof” bestel ik opnieuw een schnitzel, een Wiener. Maar een kleintje dit keer…

Quedlinburg, St. Servati Stiftskirche

Terug naar school, vrijdag 29 september 2017

Vandaag trek ik door de Duitse middelgebergten zoals ik die vroeger op school geleerd heb: Harz, Taunus, Sauerland… En zal ik weer afscheid moeten nemen van dit prachtige herfstland waar natuur en cultuur zoo innig hand in hand gaan. Een definitief afscheid ook van de zomer die juist vandaag nog even aan het langste eind trekt met temperaturen van boven de 20 graden. Ze strijkt nog eenmaal uitdagend haar gouden licht langs de kleurende hellingen en verwarmt aangenaam de vollopende terrassen. Vanaf morgen zal het anders zijn. Kille regen uit het westen die gevangen wordt in het wuivend spinrag en zwarte vogels die cirkelen boven de kale velden. Moddersporen op de wegen laten weten dat het werk gedaan is, “Dank Heer voor al dat wij dit jaar mochten oogsten!” Ik zie het uitgestald op het altaar van de St. Blasiuskerk in Hannover Münden, de manden en kisten met de gewassen en de vruchten van het land. Ik maak een korte stop in dit vakwerkstadje, waar de riviertjes Werra en Fulda samenstromen en als Weser verder gaan. Twee worden samen één, al gauw niet meer van elkaar te onderscheiden. Vanachter mijn Milchkaffee sla ik de overwegend oudere echtparen op het terras gade en realiseer mij ineens dat sommige, misschien wel de meeste ouderen, er over een jaar of 10 niet meer zullen zijn, of hooguit alleen verder zullen moeten. Nieuwe grijze koppies, maar wel 10 jaar jonger zullen dan het terras bevolken en zal de cyclus zich herhalen. Dat ik zelf… Het klokkenspel van het raadhuis slaat 12 uur haalt mij uit mijn gedachten wanneer een bonte stoet patiënten en hulpnarren onder leiding van de 17-eeuwse chirurgijn Dokter Eisenbart aan de gevel tevoorschijn komt. Blijkbaar een geliefde inwoner van dit stadje die dokter, met zijn 17-eeuwse dokterspost…
In Brilon, aan het noordelijk uiteinde van het Rothaargebergte, de ruggengraat van het Sauerland, maak ik nog een tussenstop op weg naar mijn eindbestemming van vandaag, Bad Berleburg in het Hoogsauerland. De rit ernaar toe was prachtig, maar inspannend door het vele klimmen en dalen en het constante bochtenwerk. Ik koester mij in het zonnetje bij de Petrusbron, het fototoestel blijft nu vaker en vaker in de tas. Ik voel dat mijn zwerftocht ten einde loopt en wil nog even volop genieten van deze laatste zomerdag.



Achter in de middag kom ik aan op mijn laatste logeeradres, Hotel Fliegendes Klassenzimmer in Bad Berleburg, genoemd naar de bekende Duitse jeugdfilm van regisseur Werner Jacobs uit 1973. Alles in dit hotel staat in het teken van het “vliegende klaslokaal” en de vakken die daar onderricht werden. Mijn kamer draagt als titel “Natuurkunde” en ik slaap vannacht onder een wandgroot portret van Albert Einstein zelf, met uitzicht op de spreuk: “Seit die Mathematiker über die Relativitätstheorie hergefallen sind, verstehe ich sie selbst nicht mehr!” Douchen morgenochtend gaat onder de bekende formule E=mc2…
Dan wordt het tijd om zelf te relativeren: Dat dit een heerlijk weekje was, maar toch maar één van de 52. Dat de mooiste herfstkleuren uiteindelijk ook verdwijnen en dat ik toch het liefst met de voeten onder mijn eigen tafel zit!
Ik dank jullie voor het lezen van mijn reisverslagen en de inspirerende reacties daarop. Ze gaven mij ogen en oren en het plezier steeds weer de dagen voor jullie samen te vatten. Voor nou… en nog eens zullen we maar zeggen!


Harz

Cees Sleven © september 2017

 

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s