Archie, de man van staal

 

Er was eens…
Er was eens een held, een held uit mijn jeugd.
Archie was zijn naam, Archie de man van staal. Archie was een robot.
Ik verslond zijn avonturen, elke keer weer als de nieuwe Sjors door de postbode bezorgd was.
Archie was ongelofelijk sterk en handig, waardoor hij zich steeds uit de meest onmogelijke situaties wist te redden. Hij beleefde samen met de vrienden Ted en Ken de wildste avonturen en o wat zou ik graag deel uitmaken van die vriendenclub! Reizend over de hele wereld, het ene na het andere avontuur belevend en je altijd beschermd weten door Archie de man van staal!

Bij ons in de buurt was een kleine speelgoedwinkel die gedreven werd door een stokoud mannetje dat ik in de winkel heen en weer zag schuiven wanneer ik, met de neus tegen de winkelruit gedrukt, al het moois in de etalage bewonderde. Met mijn mouw veegde ik dan de condens van de ruit voor een nog helderder blik. En daar stond mijn held: 20 cm metaal te schitteren in het invallende zonlicht. Fier stond hij daar, een beetje achteraan, maar met een open blik naar buiten gericht en met een glimlach op het gezicht.
Op een dag schraapte ik al mijn zakgeld en moed bij elkaar en na een laatste blik in de etalage ging ik het winkeltje van de oude man binnen. Nog maar even en dan zou Archie mijn leven binnenstappen. Hoe anders voelde het daarbinnen. Was het het stof en de muffe geur van het oude speelgoed, of toch iets anders? Ik voelde dat ik daarbinnen werd gadegeslagen, of afgeluisterd, of misschien wel beide. Als ik muisstil midden in de winkel stond, voelde ik dat iemand tegen mij probeerde te praten. Maar er was verder niemand, de oude baas schuifelde wat achter in het magazijn en al het speelgoed stond bewegingsloos op de planken.
Toch was er aan een van de poppen iets bijzonders. Een mannetje, gemaakt van stokjes en stalen veren lag op de grond tussen de etalage en de wandkast. Ik raapte hem op zette hem op de dichtstbijzijnde plank. Maar hij wilde niet blijven staan. Ik bleef proberen hem rechtop te houden tegen de achterwand, maar hij zakte steeds in elkaar. Zijn ogen waren half gesloten waardoor hij er vermoeid uitzag. Zijn veren lichaam wilde niet meer. Half liggend op de plank liet ik hem achter op weg naar Archie, mijn held.
Voorzichtig lichtte de oude man voor mij de blikken pop van de plank en met het zakgeld stevig in mijn vuist geklemd volgde ik hem naar de toonbank. En daar lag hij weer op de grond, de verenman, onderuit gegleden en van zijn plank gevallen. Nu was het de beurt van de man de pop op te rapen en even later stond mijn Archie en lag de verenman gebroederlijk naast elkaar op de toonbank. Plots veerde de verenman op, spande al zijn veren en toverde een brede glimlach op het gezicht. Archie kreeg een twinkeling in de ogen. Ik keek er met opengevallen mond naar. Dit was de oude man niet ontgaan.

“Goed gespaard jongen?”, vroeg de man.
“Precies gepast meneer”, antwoordde ik trots.
“Neem ze allebei maar mee, je krijgt er twee voor de prijs van één. Zorg maar goed voor ze jongen, ik denk dat ze bij jou een spannender leven zullen hebben!”.

Dankbaar en in de blijde verwachting binnenkort definitief opgenomen te zullen worden in de vriendenclub, nam ik afscheid van de oude man en liep met mijn beide helden in de armen geklemd naar de winkeldeur. Daar, op een lage plank, stond stoffen olifant, grijs met wit en kraaloogjes En een lange snuit. Die blies toen ook dit verhaaltje uit…

Cees Sleven © juni 2017
Tekening: Petra Heezen

NOOIT

Het zal u niet ontgaan zijn: Paus Franciscus heeft deze dagen een bezoek gebracht aan Portugal en aan het plaatsje Fatima in het bijzonder om daar een tweetal herdersjongens heilig te verklaren die in 1917 een aantal verschijningen van Maria hebben beleefd. Een niet alledaags jongensavontuur toch? Twee herdersjongens toegevoegd aan de grote schare heiligen die inmiddels de hemel bevolken. En die heiligen fascineren mij. Vanaf het moment dat ik als kleine misdienaar samen met hun aardse afbeelding vanaf het altaar over de kerkgangers uitkeek, tot op heden wanneer ik mij op mijn culture zwerftochten laat imponeren door hun gestrenge blik, altijd iets van bovenaf en zodanig dat ik mijn hoofd wel omhoog MOET richten. Sommige ontmoetingen zijn geheel toevallig, andere het resultaat van een intensieve speurtocht, maar altijd eindigend met een gevoel van ontzag voor het veel betere leven dat zij geleid hebben en de imposante kennissenkring waartoe zij nu behoren.
Zo was er die ontmoeting met de heilige Sint Edern, ergens op een typisch Bretonse begraafplaats, waar zijn blik vanonder het Calvaire-kruis op mij rustte. Sint Edern, eens een krijger in het gezelschap van koning Arthur, overgekomen uit Groot-Brittannië leefde daar in het land Argoat, het bosland, als kluizenaar. Hij stond daar inderdaad wat teruggetrokken in het gezelschap van het hert, symbool van hoop en wederopstanding, zinnebeeld voor Christus… Het hert Cernunnos… Heidense en christelijke symboliek gingen daar in het warme oktoberlicht hand in hand. Zoals dood en leven.
In het Franse Amiens ben ik op zoek. Op zoek naar de schedel van de heilige Johannes de Doper, althans een gedeelte ervan. Voor deze bijzondere relikwie, in 1206 meegenomen van een kruistocht, was het uiteraard nodig om een met niets te vergelijken relikwieschrijn te bouwen, waaraan in de eeuwen daarna vele pelgrims voorbij zouden trekken ter bedevaart. In spitsboogvormige nissen wordt, als voorloper van ons huidig stripverhaal, door veelkleurige beeldengroepen het leven van
Johannes de Doper verteld, tot aan het in ontvangst nemen van zijn hoofd in Amiens.
Ik zit volop in het drama: Het geweld is zo realistisch dat Salomé, de dochter van Herodes, flauw valt in de armen van een dienaar…
Laatst nog liep ik in het Duitse Fulda de barokke kerk van de heilige Sint Blasius binnen. Want voor die heilige was een bedankje wel op zijn plaats. Als jongetje ontving ik meermalen de Blasiuszegen middels twee gekruiste kaarsen rond mijn keel plus een onverstaanbaar prevelement, maar wel met de garantie dat je een leven lang gevrijwaard zou zijn van visgraatjes in je keel. En toch… altijd weer dat wantrouwen als er zo’n prachtige, goudgele makreel op het menu stond. Maar ik maakte het goed met Sint Blasius, ik brandde een kaarsje. Voor meer dan 60 jaar ongeloof…
Zo is de ene heilige toegankelijker dan de andere, de heilige Maria is daarbij misschien wel het meest geliefd, zelfs zo dat zij in de meeste kerken een eigen altaar verdient. In een niet nader te noemen kerk, het valt me namelijk zwaar om hierover te beginnen, ben ik de enige bezoeker. Alleen de koster rommelt wat met de overgebleven kaarsstompjes voor het Maria-altaar. De Madonna op de maansikkel uit het begin van de 15e eeuw kijkt wat meewarig op hem neer. Altijd maar die kaarsjes, die vragen, die smeekbeden aan haar adres. Wat zou zij toch graag eens haar maansikkel verlaten en zich mengen tussen de bezoekers en met hen mee naar buiten gaan, de markt op. Maar nee, zij heeft nu eenmaal de zorg voor het Kind op haar arm. En die geniet duidelijk van al die lichtjes beneden Hem. Waren alle heiligen maar zo gewoon, zo benaderbaar. Sommigen zijn zelfs, ook na een gedegen speurtocht, niet te ontdekken. Zelfs helemaal niet te vinden. Ik raap al mijn moed bij elkaar en spreek de koster aan. Waar ik de heilige Sint Juttemis misschien zou kunnen vinden? Zijn blik verandert van eerst ongeloof naar ernstig doordringend. “Sint Juttemis?” Ik voel dat ik een flater sla, want de koster kent zijn pappenheimers. “U bedoelt de heilige Sint-Judith, de sint-juttemis? “Ja. Ja” beaam ik misschien iets te vlug in het vooruitzicht een aanknopingspunt aangereikt te krijgen naar Sint Juttemis. “Op 17 augustus wordt er ter ere van haar een kerkdienst, een mis, gehouden, de sint-juttemis”. Ik knik instemmend, allang blij dat de aandacht verschoven is van de niet bestaande Sint-Juttemis naar de heilige Sint-Judith van 17 augustus. “17 augustus, met sint-juttemis als de kalveren op het ijs dansen” wrijft de koster mij nog even fijntjes in. Kalveren die op het ijs dansen? Op 17 augustus? Ik wil hier weg en wel zo snel mogelijk. Ik bedank de koster onhandig en vlucht langs het Maria-altaar snel de kerk uit. In het voorbijgaan maak ik even oogcontact met haar en zie een lieve glimlach om haar mond. Om haar zal ik terugkomen, voor de koster misschien ook. Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen…

Cees Sleven © mei 2017