Voor Marjolijn

Ik schrijf: 4 november 1997, nu bijna 20 jaar geleden. De late herfst spiegelt zich in de natte kasseien van Ieper ’s Grote Markt. Mijn oudste dochter en ik zijn hier neergestreken in hotel ’t Zweerd op doorreis de volgende dag naar het Engelse Leeds Castle. Daar zal ter gelegenheid van Guy Fawkes Day een spectaculair vuurwerk worden afgestoken en via een arrangementje in de Flair zijn vader en dochter er een paar daagjes tussenuit. En dat is hoog nodig ook, want een gezin met een anorexia-dochter staat voortdurend op springen. Voor een paar dagen misschien even iets anders aan ons hoofd dan de eeuwigdurende, dwangmatige jacht naar de minste calorieën. De invulling van ons avondeten eindigt in de supermarkt, nog net voor sluitingstijd, waar elk etiket zorgvuldig wordt bestudeerd op het aantal calorieën en andere vetmakers. De oogst is mager, slechts wat droge biscuits vormen ons avondmaal. Ik zie dat zij lijdt en ik lijd met haar mee. We delen een kamer en kruipen vroeg onder de wol. Ik zie haar knokkelige lichaam, haar smalle beentjes, haar meisjesachtige gestalte. Maar wat mij vooral treft is die gekwelde, in het niets starende blik. Bij het schaarse oogcontact zie ik wanhoop in haar ogen, maar ook de vastberadenheid om mij het plezier van dit uitje te gunnen. Het is dezelfde vastberadenheid waarmee zij besloten heeft af te vallen, om te tonen dat zij daar tenminste goed in is. Maar ze toont het ons vanuit een andere, irreële wereld die op gespannen voet staat met de onze. De wankele brug die deze twee werelden nog verbindt is die van onbegrip en wantrouwen, maar die ook gebouwd is op pijlers van onvoorwaardelijke liefde tussen ouders en kind. “Of ik wel genoeg gegeten heb?” vraagt ze bezorgd. Ik zou geen hap meer door mijn keel kunnen krijgen…

5 november: Om een goed plekje te bemachtigen aan de vijver die Leeds Castle omringt, maken wij –veel te vroeg- de lange wandeling door het drassige gazon tot aan het water. Voor ons spugen vuurkorven hun vonken in de heldere avondlucht. Daarachter het kasteel in silhouet waaruit alle kleur langzaam verdwijnt. We genieten van de muziek die het wachten moet veraangenamen: Sting, U2… Ik bewonder haar om haar uithoudingsvermogen, voor de tocht hiernaar toe en voor het lange wachten. Haar ingeteerde lichaam geeft geen krimp, want de geest is sterk. Zij zal dit tot een goed einde brengen. Dan barst het spektakel los: geknal en vurige fonteinen, uiteenspattende bloemen in allerlei kleuren, met het kasteel als een bleke schedel op de achtergrond. Periodiek licht haar gezicht op en ontwaar ik een blik van verwondering bij haar. Zij lijkt even bevrijd van het monster in zich. Meer geknal, harder en in een steeds grotere frequentie. “Ga door!” denk ik. “Drijf uit die demonen, jaag ze weg tot ver achter de horizon”. En dan ineens is er die oorverdovende stilte. De laatste rook trekt zich als kwaadaardige nevelslierten terug in de nacht. Ook zij voelt dat zij hier iets achterlaat, terwijl zij mijn hand vastgrijpt en niet meer loslaat tot we aan de auto zijn.

De volgende dagen zijn lichter, hoopvoller en in wederzijds vertrouwen dat het uiteindelijk goed zal komen…

AFSCHEID

Wanneer appels goudgerijpt aan vermoeide bomen hangen,
en het late licht lange schaduwen trekt,
roept de herfst van je jeugd
ter afscheid van vervlogen zomergeuren,
einde van beschermde kindertijd.

Ontluikend in het najaar ben jij de bloem,
die afgooit haar veilige knop.
Onkwetsbaar voor de komende winterkou,
trotser dan narcissen in het prille lentelicht,
…en uiteindelijk sterker dan alle seizoenen.

Cees Sleven © maart 2017

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s