De Achterkant

VLUU L100, M100  / Samsung L100, M100

Op zoek naar details bij mijn eerste bezoek aan het Toscaanse Lucca wordt ik vooral getroffen door de achterkant, de minder mooie zijde van al het fraais van deze middeleeuwse stad. De zijde die zich afkeert van de grote toeristenstromen en een bestaan heeft aan de schaduwkant om maar zo min mogelijk op te vallen. Je moet moeite doen haar te ontdekken en los te zien van de highlights, die zich protserig in het volle zonlicht aan de bezoeker presenteren. Daar, aan de achterkant, ben je eerder ONDERzoeker, een eenling die de vertrouwde groep -rood, groen of blauw- heeft verlaten en zich, bewust van het feit een zeker risico te nemen, de donkerte heeft opgezocht. En die schaduwzijde is verrassend, vaak mooi van lelijkheid. Een monumentaal trappenhuis van een advocatenkantoor onderwerpt zich aan een, door het getraliede venster opgelegde, lijnenspel tussen licht en donker en doet -meer naar boven- de duisterste zaakjes vermoeden. Een geheel leeggehaald wit kerkgebouw, aangemerkt als monument 9206, ligt -te midden van bruinroestig hekwerk-, als een gebleekte schedel in de donkerte. Eens verbrak ook hier het geluid van klokken de stilte en kropen donkere orgelklanken langs de pilaren omhoog naar het houten plafond. Zij ontmoetten op de weg naar beneden de lieflijke omspeling van de hogere registers: “Cantate, Cantate! Zing!” Engelen zingt Gods lof!” Het was een blik in de hemel. En nu, nu de laatste orgeltoon is weggestorven, heerst hier de volkomen stilte…

Verder trek ik het donkere labyrint in, keer om in donkere stegen. Hier dringt het geluid van de lawaaiige piazza’s nauwelijks door. Ik schaam mij haast voor mijn luidruchtige voetstappen. Zij beroeren de oude kerkmuren waaruit verweerde leeuwenkoppen steken die -nog altijd dreigend- de toegang tot het Godshuis bewaken. Zij spatten tenslotte uiteen tegen de  massieve resten van het eeuwenoude amfitheater.

Mijn tijd in Lucca is beperkt. Tijd waar ik uit moet stappen, al zou ik hier eeuwig kunnen blijven. De tijd op z’n minst stil kunnen zetten in de wetenschap dat de absolute tijd onverbiddelijk voortschrijdt. De geschiedenis opgeslokt door het heden.

Om precies half zes ontmoet ik mijn reisgenoten weer op de afgesproken plek in hartje centrum. Voor de Dom San Martino, die zijn krijtwitte uiterlijk heeft afgelegd voor een vriendelijker teint. Om bij mij in de gunst te komen…

Cees Sleven © september 2015

De 4e kamer

FB_IMG_1448229864675

De 4e kamer die naast de keuken, de badkamer en de huiskamer uitkomt op de hal. En de enige kamer met een schuine deur. Een kamer waar je als visite niet zomaar naar binnen zou stappen, omdat je daar zoiets privés als een slaapkamer kon verwachten.
Nou heb ik in mijn leven aardig wat ervaring opgedaan met 4e kamers. Zo was er vroeger bij ons thuis een 4e kamer. Die behoorde helemaal toe aan mijn vader en was -zeker bij diens afwezigheid- verboden terrein. Van beroep was mijn vader reclame-ontwerper, tekenaar zo u wilt, eentje van de oude stempel en nog verre van de snelle graphic-designer achter zijn beeldscherm van tegenwoordig. Die 4e kamer was zijn atelier en alles op die kamer ademde vakmanschap en creativiteit. Zo was daar een zelf gemaakte donkere kamer waar ik in zijn spaarzame vrije uurtjes en onder zijn strenge begeleiding werd ingewijd in de wonderen van de fotografie. Het langzaam opkomen van het fotobeeld in die roodverlichte bak met ontwikkelaar vormde een van de meest magische momenten uit mijn jeugd en was het begin van een levenslange liefde voor het beeld.
Halverwege de zomer werd mijn vaders atelier sperrgebied. Dan arriveerde namelijk het mooiste speelgoed bij ons thuis voor de Sinterklaascampagne van de Galerie Modernes. Speelgoed dat door mijn vader gefotografeerd moest worden om de advertentie van dit Amsterdamse warenhuis te kunnen illustreren. Mecano, een hijskraan met echte rupsbanden, Lego, Schuco-auto’s, het was er allemaal, maar alleen te bespieden als mijn vader de deur van zijn atelier op een kier had laten staan. Maar de drempel zou ik nooit over durven. Mijn vader was een held met zoveel speelgoed in zijn eigen speelgoedwinkel.
De 4e kamer bij ons thuis kende ook geheimen. Zo stond er op de bovenste plank in de donkere kamer een menselijke schedel. Vaalbruin was hij en echt volgens mijn broer, getuige het gat in het schedeldak dat afkomstig moest zijn van een bajonetsteek. Het moest wel een Duitser geweest zijn die mij vanuit zijn holle oogkassen nog altijd aan leek te staren. Naar de herkomst ervan heb ik mijn ouders nooit durven vragen, ook niet naar de dolk die mijn vader in zijn bureau bewaarde. Mijn kinderlijke fantasie legde verbanden die er niet waren, maar ook nooit weerlegd werden. Voor geen goud ging ik alleen die donkere kamer binnen.
Mijn vaders bureau was zijn heiligdom: 12 Laden met al zijn tekenspullen. Krijtjes, pennen, driehoeken en passers, verf en penselen, al die zaken die de schakel vormen tussen idee en uitvoering waren daar aanwezig. Op verzoek werden met veel geduld die laden een voor een opengeschoven en volgde er een liefdevolle uitleg over al die materialen die je als tekenaar nodig had. En af en toe mocht je die ook gebruiken als je geduldig de hele uitleg had uitgezeten. Liefde voor het materiaal werd ons van kindsaf aan bijgebracht, en dat betaalde zich in onze jeugd uit in een overvloed aan papier, kleuren en ideeën.
Nu waak ik zelf over die laden en met trots schuif ik ze geduldig open voor nieuwsgierige kinderogen. Leg uit wat een passer doet en demonstreer de kroontjespen. Laat letters stempelen in mijn vaders schetsblok. Vergeeld door de tijd en de nicotine. Met het straaltje opstijgende sigarettenrook in zijn toegeknepen ogen kwam vaak de inspiratie die hij voor zijn werk nodig had.
Ook de boeken op die kamer roken naar mijn vader. Later toen ik op zijn atelier in alle rust mijn huiswerk mocht maken, onthulden die boeken vele geheimen over het andere geslacht en vormden een spannende aanvulling op het boekje “Wat jongens moeten weten over meisjes” dat ik kreeg uitgereikt als seksuele voorlichting. Boeken over modeltekenen met naakte modellen prikkelden mijn jongensfantasie, maar gaven ook betekenis aan het begrip ‘verboden vruchten’. Mijn doen en laten op die spannende kamer wist ik te verhullen door zijn oude Philips radio zachtjes aan te zetten. Altijd op klassiek, uit angst deze zender niet meer terug te kunnen vinden als ik de radio zou willen verstemmen naar iets populairders.
De 4e kamer, daar bij ons op zolder. Inderdaad, hij had een schuine deur. Een kamer vol met avonturen. Zoals mijn kamer thuis, met MIJN boeken en Mijn muziek. Het is ook een 4e kamer, alleen de deur is recht…

Cees Sleven © juni 2016

Oude liefde roest niet

Bello_Bergen

Bestaat er zoiets als liefde van een ding voor de mens? Of werkt dit gevoel van opperste genegenheid alleen maar in één richting? Met een foto uit mijn jeugd probeer ik de eerste vraag positieve te beantwoorden.

Liefde op het eerste gezicht dat was het. Zover er natuurlijk sprake kon zijn van liefde tussen een stoomlocomotief en een jongetje van 6. Van mijn naam moest je het niet hebben, Bello, maar misschien was het mijn voorkomen, mijn werklust, of misschien wel mijn rechtlijnigheid die je aansprak. Zonder omhaal van A naar B, van Alkmaar naar Bergen aan Zee.

Langs de baan
In 1955 kwam je in mijn leven als een klein stipje dat, voorovergebogen met één oor op de rails gelegen, gespannen mijn komst afwachtte. Groter en groter groeide je tot ik meer details kon onderscheiden: korte broek, zwart jasje en een verwachtingsvolle, maar ook angstige blik in de ogen toen je ruim op tijd door je vader opzij werd getrokken. Ik hield in en op het moment dat de angst in je ogen plaatsmaakte voor een brede glimlach, siste ik dankbaar en verwelkomde ik je met wat korte stoten op mijn stoomfluit. Langzaam verdween je weer uit zicht, ik zag je mij nog heel lang nastaren. Daarmee was een liefdesband voor het leven gesmeed, daar in die duinen bij Bergen aan Zee.

Familie
Snel daarna kwamen wij elkaar weer tegen en stelde ik je voor aan mijn familie. Eén grote familie die woonde in het Centraal Station van Amsterdam. Van daar maakten wij ritjes waarbij wij je lieten kennismaken met de wereld die wij als een panorama aan je voorbij lieten trekken. O, wat kon je genieten van al die lichtjes die langzaam maar zeker in het zwart van de nacht verdwenen. De voorste bewogen naar achteren, de achtersten schenen met je mee te bewegen om uiteindelijk toch de moed op te geven om verder met je te reizen.

Venster op de wereld
Ik creëerde een stukje veiligheid aan het raam voor je, jij nam een stukje thuis mee in je koffer, met zaken die je koesterde en je rustig maakten. Een knuffel, die je met zijn neus tegen mijn raam drukte, om je enthousiasme voor die wonderlijke wereld om je heen met iemand te kunnen delen. En later werden dat boeken en je eigen muziek. Het heerlijke gevoel om alles te kunnen doen wanneer je er maar zin had! Ook kon je uren alleen maar naar buiten staren, het maakte je hoofd leeg, zij je, en het bracht je op creatieve ideeën. Zeker wanneer de bewolking brak en de zon tevoorschijn kwam! Een lage horizon waarboven zich een prachtige wolkenlucht schilderde. Mijn raam als schilderijlijst, waar jij onweerstaanbaar in werd getrokken. Maar ik maakte je ook tot een verslaafde voyeur en de wereld die ik jou toonde was niet altijd even fraai. En toch koos ik jou, want ik weet: oude liefde roest niet.

Heel af en toe mag ik het daglicht nog even aanschouwen wanneer de treinendoos van zolder wordt gehaald en ik te midden van jouw familie mijn rondjes mag draaien voor de kleintjes. En daarmee blijkt onze liefde nog altijd wederzijds.

Cees Sleven © mei 2016

Bij de foto: “Bello” in het station van Bergen aan Zee, 1955.