Insula Dei

 

Overhaal

Welkom in mijn jeugd. Welkom in mijn gelukkige Amsterdamse jeugd, daar aan de westrand van de stad. Mijn wereld was als achtjarige een kleine wereld, nauwelijks een vierkante kilometer groot. Zij strekte zich uit van de Ambachtsschool in het oosten tot aan de Augustinus kerk in het westen, daar waar de stad eindigde en de polder begon. Noord en zuid werden begrensd door twee grote pleinen, het Suriname- en Mercatorplein. Daarbuiten, achter de pleinen, was onbekend en verboden terrein en ook achter de brug naar de Kinkerbuurt werd mij een andere, boze wereld geschetst. Mijn veilige, overzichtelijke vierkante kilometer is in de loop der jaren nogal eens van naam veranderd: via Amsterdam-West en Oud-West naar Overtoomsche Veld en stadsdeel de Baarsjes. En het zal zeker niet de laatste keer zijn.
Tegenover de Ambachtsschool, nu als “Het Sieraad” één van de parels van de Amsterdamse School architectuur, lag een grote kolencentrale waar ik in de strenge winter van 1963 met mijn sleetje aan mocht sluiten in de lange rij wachtenden voor twee zakjes antraciet. Een expeditie naar de rand van mijn domein waar de papierkleur van de kolenzakken het enige kleuraccent vormde in die wereld van alleen maar zwart en wit. Van daar kon je ook de overhaal zien waar de bootjes met groenten uit de polder naar het hogere waterniveau van de Kostverlorenkade werden getild. Maar die activiteit was helemaal stil gevallen in die onwerkelijk witte, dichtgevroren stadse wereld van ’63.
Aan de andere zijde lag de St.-Augustinus parochie als een Godseiland in deze rode arbeidersstad. Kerk, broeder- en zusterklooster en uiteraard de bijbehorende jongens- en meisjesscholen. Het was daar, op de Augustinus school, dat mijn carrière als misdienaar begon. Netjes met de armen over elkaar en de lippen toegeknepen probeerde ik in mijn schoolbank indruk te maken op de pater die zojuist de klas was binnengekomen op zoek naar een kandidaat misdienaar voor een huwelijks- of uitvaartmis. Onder schooltijd nog wel. Met de armen nog steviger om de borst geklemd en het hoofd nog meer in de nek maakte je grotere kans de les regulier te mogen verlaten, linea recta naar de bruidssuikers van het dankbare bruidspaar.

Augustinus_exterieur

De Augustinus kerk was groot, te groot om de ontkerkelijking te kunnen bijbenen. Ik heb het allemaal meegemaakt. Van de donderpreken voor een uitpuilende kerk tot een handjevol besjes uit het bejaardenhuis dat slechts de voorste kerkbanken bevolkten. Van een hoogmis met 3 heren, 4 acolieten en 12 misdienaars tot meerdere missen op één dag met dezelfde pater en dezelfde misdienaar.
Elke zaterdagmiddag moest ik van mijn moeder, die omwille van mijn vader katholiek geworden was en eigenlijk in haar eentje voor onze katholieke opvoeding opdraaide, naar de kerk om op het lijstje dat daar werd opgehangen te kijken welke missen ik de komende week zou moeten dienen. En ik moest gelijk gaan biechten. Met een schoon kinderzieltje op weg naar de dag des Heren. Op mijn tocht daar naartoe kwam ik langs slager Bontes en daar was wat mee volgens mijn moeder. Hij miste een vinger en zou fout geweest zijn in de oorlog. Ik ben er altijd vanuit gegaan dat die vinger zijn verdiende loon was en het rechtvaardigde mij een kroketje te jatten uit zijn automatiek, waarvan ik wist dat je één vakje kon openen zonder er geld in te hoeven gooien. Met de zekerheid van de biecht in het vooruitzicht kon ik zonder wroeging de gang naar de kerk voortzetten. Anders lag het bij terugkomst wanneer slager Bontes het vakje opnieuw voorzien had van een verleidelijk kroketje. Dat was steeds weer het moment dat mijn tere kinderziel grote-mensen-afwegingen moest maken: verleiding en zonde, straf en boete, flink zijn of toegeven… Meestal eindigde het met een gloeiende, tweede kroket beneden in het trapportaal die te snel verorberd moest worden om er echt van te kunnen genieten. Gelukkig was er altijd weer die biecht in het vooruitzicht en zolang ik mijn missen maar diende werd er in die donkere biechtstoel niet gekeken op een kroketje meer of minder.
De kerk is niet meer, de school zijn appartementen geworden, de huizen hebben inmiddels centrale verwarming. En toch blijft het mijn wereld, wanneer ik een jonge Marokkaanse uit de deur van Bonairestraat 105 zie komen, het huis waar ik geboren ben. Ze laat de deur aan staan. In de gang beneden ruikt het niet langer naar frituur, maar naar koriander en komijn.

Augustinus_interieur

Cees Sleven © april 2016

 

Advertisements