“Silent Night”

xmas_pc_ger_l

Het kan niemand ontgaan zijn, maar we herdenken dit jaar het feit dat precies honderd jaar geleden de Eerste Wereldoorlog begon. De oorlog die een eind moest maken aan alle oorlogen, maar die al spoedig vast liep in de Vlaamse modder. En met het front kwam ook de tijd tot stilstand. En de hoop en verwachting dat alles voor de kerst over zou zijn. We weten inmiddels beter: dat we over het onderwerp mogen schrijven in de verleden tijd, maar zeker niet in in voltooid verleden tijd. Want het begrip “tijd” is een subjectieve grootheid. Tijd is waar je uit kunt stappen, tijd kan eeuwig duren, ja kan zelfs op een bepaald moment tot stilstand komen. Intussen schrijdt de absolute tijd onverbiddelijk voort. Het heden opgeslokt door de geschiedenis…

Misschien heb ik de herinneringen aan die periode van de Grote Oorlog van 1914 – 1918, wel zo ervaren bij mijn bezoek aan de voormalige slagvelden in de Westhoek van Vlaanderen, als momenten in de tijd. Doorleefde tijd, waarbij het verleden voortschrijdt en de toekomst verslindt en alles wat voortgaat uitvergroot. Het verleden rust niet en neemt steeds groteskere vormen aan…

De avond voor kerst 1914. Gelegd langs de tijdlijn van de geschiedenis. Te midden van destructie en vuile handen. Degeneratie en bederf. In de Belgische loopgraven  heerst er desondanks een oorverdovende stilte. Plotseling klinkt er gezang vanuit de Franse en Schotse bunkers wanneer de soldaten er hun korte vakantie vieren. Duitse soldaten antwoorden met een kerstlied. Vanuit beide kampen komen aarzelend witte vlaggen tevoorschijn die een broze, maar tijdelijke wapenstilstand aankondigen. Tot uiteindelijk de generaals hun manschappen een halt toeroepen bij deze toenaderingspoging en bevel geven tot ontruiming van het slagveld. Een leeg niemandsland, langzaam toegedekt door de gestaag vallende sneeuw.

De Eerste Wereldoorlog viert dit jaar haar eigen feestje. Honderd jaar geleden begonnen op de Balkan door een laffe moordaanslag op aartshertog Franz Ferdinand, waarna het vuur van de totale oorlog snel om zich heen greep. De gebeurtenissen van toen staan centraal in de media en massa’s oorlogstoeristen zullen naar de voormalige slagvelden trekken. Voor hen is alles in gereedheid gebracht: De toegangswegen naar de monumenten en begraafplaatsen zijn opgeknapt. Faciliteiten werden voor hen ingericht. Het
verleden mag niet rusten, maar neemt steeds groteskere vormen aan…

Ik was er in de kilte van het vroege voorjaar. Bijna winter nog. De stilte was aangrijpend. Zelfs een eenzame roofvogel hing biddend in de lucht. Toen ik het grote grindveld overstak naar het herdenkingsmonument, schaamde ik mij voor mijn luidruchtige
voetstappen. Het “Silent Night” van die kerstavond weerkaatst nog altijd tussen de duizenden witte kruizen, beroert de verweerde muren van het soldatenkerkhof en slaat uiteen tegen het machtige herdenkingsmonument: “verspreid je, verspreid je…!”

Stars were burning, burning bright
And all along the Western Front
Guns were lying still and quiet.
Men lay dozing in the trenches,
In the cold and in the dark,
And far away behind the lines
A village dog began to bark.

Some lay thinking of their families,
Some sang songs while others were quiet
Rolling fags and playing brag
To while away that Christmas night.
But as they watched the German trenches
Something moved in No Man’s Land
And through the dark came a soldier

Carrying a white flag in his hand.

Then from both sides men came running,
Crossing into No Man’s Land,
Through the barbed-wire, mud and shell holes,
Shyly stood there shaking hands.

Fritz brought out cigars and brandy,
Tommy brought corned beef and fags,
Stood there talking, singing, laughing,
As the moon shone on No Man’s Land.
Christmas Day we all played football
In the mud of No Man’s Land;
Tommy brought some Christmas pudding,
Fritz brought out a German band.
When they beat us at football
We shared out all the grub and drink
And Fritz showed me a faded photo
Of a dark-haired girl back in Berlin.

For four days after no one fired,
Not one shot disturbed the night,
For old Fritz and Tommy Atkins
Both had lost the will to fight.
So they withdrew us from the trenches,
Sent us far behind the lines,
Sent fresh troops to take our places
And told the guns “Prepare to fire”.

And next night in 1914
Flares were burning, burning bright;
The message came along the trenches
Over the top we’re going tonight.
And the men stood waiting in the trenches,
Looking out across our football park,
And all along the Western Front
The Christian guns began to bark.

Cees Sleven © 2013
Poem “The Christmas Truce of 1914” by Simon Rees

 

Continue reading “Silent Night”

Advertisements

That man from Kenmare

Moeran_pijp
Ernest John Moeran


Ernest John Moeran, Jack voor zijn familie en vrienden, werd in 1894 in het Engelse Norfolk geboren. Zijn moeder was afkomstig uit deze streek -zij zou hem overleven- en hij had een Ierse vader die  Anglicaans priester was. Hij zou voor altijd
beïnvloed blijven door het dorre landschap van zijn geboortestreek en zijn Ierse afkomst. In 1951 werd zijn dode lichaam gevonden in
Kenmare, Ierland, in de rivier waar hij of een fatale hersenbloeding kreeg of zich van het leven benam.
Hij leerde zichzelf piano spelen, ging op jonge leeftijd muziek studeren en trok naar de Royal College of Music, waar hij in aanraking kwam met de muziek van Elgar, en waar hij Delius ontmoette. Hij ging helemaal op in de muziek van zijn tijd. Hij deed dienst in de Eerste Wereldoorlog, waarin hij ernstig gewond werd door een granaatscherf en ten gevolge daarvan moest er een metalen plaat in zijn hoofd gezet worden. Dit soort verwondingen brengen enorme emotionele problemen
met zich mee, evenals overduidelijke lichamelijke belemmeringen. Voor de rest van zijn leven had hij op verschillende manieren te lijden van zijn verwondingen: Er wordt beweerd dat hij stevig alcohol gebruikte, hoewel een aantal van de daarbij behorende verschijnselen ook voorkomen bij hen die lijden aan ernstige verwondingen aan het hoofd, zoals problemen met het lopen en het praten met dubbele tong. Bovendien werd voor dit soort patiënten het drinken van alcohol juist aangeraden, in de wetenschap dat alcohol er voor kon zorgen de pijn en problemen te verzachten.

trince-2
Kenmare’s well-known inhabitants


Na de oorlog, terwijl hij voortdurend leed aan de gevolgen van dit ernstige trauma (wat trouwens voor iedereen gold die dit meegemaakt had, maar zeker voor kunstenaars), ging Moeran toch terug naar de Royal College of Music om zijn muzikale
studie weer op te pakken, zoals dat gebruikelijk was voor vele jongemannen van zijn leeftijd. Hij raakte bevriend met John Ireland, Arnold Bax, maar vooral met Peter Warlock, die zich bij het schrijven van muzikale kritieken van de naam Philip Heseltine bediende. Op het amoureuze pad ging het op en af, maar zijn grote liefde was toch de celliste Peers Coetmore, die hij voor zich wist te winnen met een prachtige Cello Concert, dat hij speciaal voor haar schreef. Dit Cello Concert, dat in haar uitvoering helaas geen recht werd gedaan, kent nu een opname door Raphael Wallfisch die naar boven brengt wat voor schitterend werk dit eigenlijk is. Moeran en Coetmore, de verkering was succesvol, het huwelijk allerminst.

Jack-and-Peers-wide-backgro
Jack and Peers

Op de helft van zijn leven keerde hij terug naar zijn Keltische roots, naar Ierland met zijn verrukkelijke bevolking en landschap. Hij zou er regelmatig terugkeren. Zijn symfonie is een werk dat de tweedeling weerspiegelt tussen zijn Engelse en zijn Ierse achtergrond.

Als hij vandaag de dag al genoemd wordt, dan wordt Moeran het meest vergeleken met Vaughan Williams en hij behoort inderdaad meer tot de Engelse pastorale muzikale school van de 20e eeuw dan tot de stadse, wellevende en gekunstelde stijl van Walton. Moeran echter, heeft zijn eigen stem, kenmerkend en liefelijk, en is niet de ‘lichtgewicht’ zoals sommige componisten, die materiaal uit de volksmuziek als bron van inspiratie gebruiken, maar al te vaak gekarakteriseerd worden.

Kenmare
Into Kenmare

Mijn eerste kennismaking met Moeran’s muziek was via het voormalige radioprogramma ‘Vincent na Middernacht’ (eertijds elke werkdag van 00.00 – 01.00 uur, Radio 4). Ik viel midden in het symfonische werk ‘Lonely Waters’ dat door zijn pastorale schildering voor mij model stond voor alles wat puur Engels is. De herkenning hiervan was huiveringwekkend en onontkoombaar…

“So I’ll go down to some lonely waters,
Go down where no one shall me find,
Where the pretty little small birds do change their voices,
And every moment blow blustering wild”

Ik was in Kenmare waar zijn leven eindigde, te midden van zijn ‘Mountain Country’, in eenzaam water… Helaas veel te vroeg, maar wat blijft is zijn kleine, maar prachtige oeuvre. Vincent bedankt!


(Bron voor de biografie: Jane Erb, Classical Net)

 

 

Een niet geheel toevallige ontmoeting

George-Butterworth
George Butterworth

In het “Musée Somme 1916” in Albert, dat zich bevindt in een 250 meter lange gang van een ondergrondse schuilkelder ontmoet ik een van mijn helden, de Engelse componist George Butterworth. In augustus 1914 voegt hij zich bij het Britse leger in antwoord op de oproep van Lord Kitchener om zich massaal vrijwillig aan te melden. Op 5 augustus 1916, tijdens gevechten in de loopgraven tussen Contalmaison en Pozières aan de Somme, krijgt Butterworth een fataal schot in het hoofd. Op 31-jarige leeftijd eindigt een veelbelovende muzikale carrière. Hij was erg kritisch op zijn werk,
want veel van zijn composities heeft hij voor de oorlog al vernietigd. Wat bleef is een klein, maar wonderschoon oeuvre en een filmpje in dit museum waarop ik hem zie volksdansen. Ik verlaat dit bijzondere museum aan de achterzijde, aan de kant van het stadspark, nu volop in de zon gelegen. Butterworth’s compositie “Loviest of Trees” naar de gedichtencyclus “A Shropshire Lad” van A.E Housman klinkt nog na in mijn oren wanneer ik de glanzend groengelakte muziektent passeer. En weer kan ik een geluksmoment aan mijn lange rij toevoegen… Ik rij naar Contalmaison en daar neem ik afscheid van mijn held. Het landschap om mij heen lijkt wel iets op het pastorale Engeland waar hij zo van hield…

George Sainton Kaye Butterworth, de Britse componist, muziekcriticus en verzamelaar van volksmuziek en -dans, diende bij het Britse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog, tot hij sneuvelde door een kogel van een sluipschutter in augustus 1916. Geboren op 12 juli 1885 in Londen uit een welgestelde gestelde familie, werd Butterworth grootgebracht in York voordat hij zijn eerste opleiding ontving in Eton. Daar begon hij zich voor muziek te interesseren en zijn belangstelling groeide gedurende zijn tijd aan Trinity College in Oxford. In deze periode ontmoette hij zowel Ralph Vaughan Williams als Cecil Sharp, ontmoetingen die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van zijn muzikale ambities. Na een jaar les te hebben gegeven aan Radley, ging Butterworth voor een korte periode studeren aan het Royal College of Music. Zijn interesse
voor het verzamelen van volksmuziek (samen met Sharp en Williams) stamt uit deze tijd. Muzikaal gezien staat Butterworth bekend als de componist van ‘The Banks of Green Willow’ (uit 1913) en het op muziek zetten van ‘A Shropshire Lad’ van Alfred Edward Housman in 1912. In deze tijd schreef hij ook kritieken voor de London Times.

Het uitbreken van de oorlog in Europa in augustus 1914 deed Butterworth zich aanmelden als luitenant bij het 13e Bataljon van de Durham Light Infantry. Voor zijn inscheping naar Frankrijk heeft Butterworth echter al zijn werk vernietigd dat zijn toets der kritiek niet kon weerstaan. Dat is de reden dat zijn muzikale output wat klein is. Gedurende twee jaar van zijn dienst was hij koerier en verdiende het Military Cross vanwege het succesvol verdedigen van een loopgraaf in Pozières van 17 tot 19 juli 1916. Als man met de reputatie moedig te zijn, werd Butterworth gedood terwijl hij een aanval leidde tijdens het Somme offensief in Pozières op 5 augustus 1916. Het lichaam van Butterworth is nooit gevonden, maar zijn naam staat vermeld onder de 73.357 vermisten op het Thiepval Memorial. Hij werd 31 jaar.

Cees Sleven © 2013

Requiem

Requiem

Pour out your light, O stars, and do not hold
Your loveliest shining from earth’s outworn shell –
Pure and cold your radiance, pure and cold
My dead friend’s face as well.

Ivor Gurney – uit: Severn and Somme (1917)

Ivor gurney
Ivor Gurney

Onder de Engelse oorlogsdichters is Ivor Gumey (1890-1937) één van de meest tragische: hij bracht de jaren vanaf 1917 tot zijn dood bijna onafgebroken door in inrichtingen voor geesteszieken. Ivor Gurney werd geboren in Gloucester, Gloucestershire. Deze streek, waarin ook de Cotswolds liggen, zou hem zijn leven lang als troost en inspiratiebron dienen. Voor de oorlog vielen zijn muzikale talenten al vroeg op en hij kreeg een beurs voor de Royal College of Music in Londen. Bij het uitbreken van de oorlog wilde hij dienst nemen, maar werd afgekeurd wegens slechte ogen. Een jaar later werd hij herkeurd en goedgekeurd. In 1916 ging hij naar Frankrijk, nam deel aan de ‘Somme’, en een jaar later aan ‘Passchendaele’, waarna hij het slachtoffer werd van een gasaanval. Hij herstelde langzaam en zijn geestesgesteldheid, toch al nooit zo sterk, was zodanig dat hij moest worden opgenomen. Hij bleef echter componeren en, in mindere mate, ook dichten.

Hartverscheurend zijn de brieven, vaak niet gepost, die hij aan vrienden en vriendinnen of aan de overheid schreef. De weduwe van collega-dichter Edward Thomas, gesneuveld bij Arras in 1917, kwam op het goede idee om tijdens een bezoek aan Gurney een kaart van Gloucestershire mee te nemen. Zo kon hij nogmaals zijn fan- tasie laten gaan over de herinneringen aan het landschap van zijn jeugd. Tijdens de oorlog werd van soldaat Gumey gepubliceerd ‘Severn and Somme’ (1917). De Severn is een rivier in zijn geboortestreek. Zijn naoorlogse gedichten werden geselecteerd en gepubliceerd door Edmund Blunden, bekend van ‘Undertones of War’, eveneens een dichter die vaak het arcadische van een landschap vergelijkt met het door de oorlog aangetaste landschap.

Vanuit het Memorial Museum Passchendaele 1917 in Zonnebeke, dat de herinnering levend houdt aan de 3e Slag bij Ieper en de verovering van Passendale, volg ik het spoor van Gurney naar Sint-Juliaan, een weggestoken dorpje aan de weg naar Langemark. Er zou onlangs een monumentje voor de dichter/componist zijn opgericht en daarnaar ben ik op zoek. Wat zich in deze streek heeft afgespeeld tussen 9 oktober en 6 november 1917 kende zijn weerga niet in de geschiedenis: meer dan 4 miljoen granaten hebben tijdens de voorbereidende beschietingen de grond omgeploegd en ontdaan van alle bomen en bebouwing. Het regende onophoudelijk. Door de kleigrond kon het water niet weg en vormde het gebied om tot een bedorven moeras, vergiftigd door mosterdgas dat op stilstaande poelen bleef drijven, en door de ontelbare onbegraven en half vergane lijken en kadavers. Door de regen liep het stinkende water over in de ondiepe Engelse loopgraven die veranderden in zompige modderstromen. De instortende muren konden nauwelijks met natte zandzakken overeind gehouden worden. De doorweekte en uitgeputte mannen schuifelden over de plankieren en hurkten in alle vroegte neer in de ondiepe geulen. Soldaten verzopen en het veldgeschut zakte bij iedere terugslag langzaam maar zeker achterover in de modder. De herrie van het bombardement vermengde zich met het gekerm van de gewonden en het gegil van paarden en muilezels die in de kraters verdronken, of zwaargewond vergeefs op het genadeschot wachtten. De verliezen aan beide zijden waren enorm, de terreinwinst slechts 8 km…

Battle-of-Passchendaele-november-1917
Slagveld bij Passendale, 1917

Sint-Juliaan ligt er deze regenachtige namiddag verlaten bij. En ik denk altijd, want er is geen levende ziel te bekennen. Laat staan dat iemand hier van Ivor Gurney heeft gehoord. Ik trek de aandacht van een oude man die verschenen is in een deuropening en vraag hem naar het monument dat ergens bij ene ‘Gallipoli Farm’ zou moeten staan. Zijn tandeloze mond antwoordt onverstaanbaar, in ieder geval ontkennend. Eindigt hier reeds mijn spoor? Hij ziet mijn teleurstelling, wijkt van de deur en komt even later terug met in zijn hand een parochieblaadje. Er staat wat in over monumenten in de omgeving, maar Ivor Gurney lijkt hier onbekend. Ik loop al terug naar de auto als hij mij wenkt met alweer een parochieblaadje in zijn handen. En ja, een piepkleine afbeelding van Gurney’s monumentje en bovendien een plaatsaanduiding die blijkt in het buitengebied te liggen. Opgetogen bedank ik de man die mij -opnieuw onverstaanbaar- succes wenst met mijn verdere zoektocht. Ik laat Sint-Juliaan snel achter mij. Het is opgehouden met regenen. Ik rij langs smalle weggetjes, tussen manshoge mais, tot het landschap plotseling openvalt en ik het monumentje links van de weg zie staan bij een boerderij met de naam ‘Gallipoli Farm’, zo genoemd door de Britten vanwege de strategische ligging. Ik zet de auto in de berm, wil dit moment vereeuwigen. Erfhonden slaan aan, ik sla er geen acht op. Met een brok in de keel lees ik zijn gedicht ‘Memory let all slip’ op de sokkel:

‘Herinnering, laat alles varen wat zoet is
Van Iepers vlakte,
Bewaar alleen het herfstzonlicht en de stoet
wolken na de regen,

Blauwe lucht en het zachte blauw van geringe afstand
Hou alleen dat bij
Tenzij ik mijn volgepropte graf met jou moet delen.
Anders dood. Anders koud’.

(geschreven in het ziekenhuis, oktober 1917)
De brok in mijn keel wordt een huivering. Op deze plek, destijds Hill 35 of Gallipoli genoemd, halfweg tussen Ieper en Passendale, halfweg de Derde Slag bij Ieper, eindigde op 12 september 1917, in een gasaanval, de oorlog overzee voor dichter en componist Ivor Gurney. Het zou niet het einde van zijn strijd betekenen. Ik kijk de lege weg af richting Ieper. Waarboven de hemel breekt. Voor het eerst vandaag. Hiervoor ben ik naar hier gekomen…

Weg naar Ieper_web
Gedenkteken Ivor Gurney, Ieper

Cees Sleven © 2010

‘The B’s’

‘THE B’S’

Vandaag moet een lang gekoesterde wens in vervulling gaan: een bezoek aan het Royal College of Music in Londen, een van de grootste conservatoria ter wereld waar begaafde musici hun opleiding kregen en een internationale carrière startte als uitvoerend musicus, dirigent of componist. Daar studeerden  mijn helden, de componisten die in klank die typisch pastorale sfeer van het Engelse landschap en samenleving wisten te treffen. Ik heb daar blijkbaar een gevoelige antenne voor, en daarom ben ik hier. Ik zal dus naar Londen moeten
en teruggaan in de tijd, naar de onbezorgde collegejaren van vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Het miezert als ik op het stationnetje van Braintree sta te wachten op de trein naar Londen, Liverpoolstreet Station. De dame achter het loket is mij behulpzaam bij het uitzoeken van het gunstigste kaartje, inclusief OV in Londen en met nog een half uur wachttijd voor vertrek zuig ik elk detail van het spoor in mij op. Een enkel spoor, eindigend op een stootblok. Daarachter verliest de wereld zich in natte nevels. Het perron wordt geschilderd, de gietijzeren steunen van de overkapping krijgen twee kleuren blauw. Het maatje doet het grove werk, de baas neemt met een bokkenpoot de  fraai gestileerde ornamenten voor zijn rekening. Hun witte overals en de rood-witte afzetlinten om de palen vallen wel heel erg uit de toon. Het wordt gezellig druk op het stationnetje. Er vormt zich een
rij voor het loket van de dame en de wachtkamer vult zich met natte jassen. Op het perron wordt het een geschuifel onder de overkapping om èn niet nat te worden èn geen verfstrepen op de jas te krijgen.

Dan loopt de trein van Greater Anglia binnen. Die is opvallend lang voor de toch wel betrekkelijk weinig reizigers. Ik heb de hele wagon voor mijzelf, maar comfortabel is anders. De trein is smerig, overal ligt vuil en de banken zijn bezaaid met oude kranten. Met enige vertraging vertrekken we dan eindelijk vanaf Braintree
Station. Mijn trein trekt een vieze streep door het landschap.

En er is lawaai. Mededelingen en aankondigingen van stations zijn nauwelijks te verstaan. Hoe dichter wij bij de grote stad komen hoe harder gaat de trein rijden. Alsof we de stad worden ingezogen. Nu is goed is te zien welke schade de storm heeft aangericht in bossen en parken. Bomen geknakt als luciferhoutjes, scheve bomen en heel veel verse kluiten. We snellen langs industrie en over uitgestrekte emplacementen. Langs overwoekerde sporen waarin het onkruid versterft. Alles is vaalbruin en grijs en roept beelden op die ik onlangs zag op de tentoonstelling  ‘de melancholieke metropool’. Foto’s en filmbeelden uit de donkere jaren 30 van industrieterreinen, spooremplacementen, de periferie van de grote stad. We bonken en stoten over wissels en razen langs druk bevolkte perrons die nu om de kilometer aan de spoorlijn liggen. Dit gaat echt te hard, dit vraagt om ongelukken. Voor het eerst twijfel ik of dit wel de veiligste manier van vervoer is. Elke passerende trein doet de deuren met een geweldige klap enkele centimeters uit hun sponningen komen. Op het moment dat een ontsporing onvermijdelijk lijkt, wordt er sterk vaart verminderd, duiken we onder de grond en rijden we op platform 13 van Liverpoolstreet Station binnen.

De underground en bus brengen mij naar de wijk Kensington met zijn witte, statige huizen. Het is nog even zoeken, maar uiteindelijk sta ik dan voor het imposante gebouw van de Royal College of Music. Ik meld mij bij de receptie en mij wordt de weg gewezen naar het museum. Al gauw verdwaal ik in het labyrint van gangen en trappenhuizen van waaruit van alle kanten muziek klinkt.
Hier wordt duidelijk gestudeerd. Op viool, op piano en ook de menselijke stem ontbreekt niet op het repertoire. Muziekstudenten schieten haastig langs mij heen, trap op trap af, behendig manoeuvrerend met een vaak zware instrumentkoffer op hun rug. Ik vind het museum ergens weggestopt in de kelder. De hooggespannen verwachtingen worden niet helemaal waargemaakt. Veel -vaak bijzondere – muziekinstrumenten liggen uitgestald in de glazen vitrines. Veel bladmuziek ook en oude foto’s van strenge
bestuursleden uit de begintijd van dit instituut. Geen foto’s of portretten van mijn helden, geen eregalerij van de oude glorie. De vitrine met strijkinstrumenten krijgt mijn bijzondere aandacht, want voor strijkers heb ik altijd al een voorkeur gehad.

Na een half uurtje heb ik het museum wel gehad en besluit ik om in het restaurant te lunchen en mijn verdere plannen te heroverwegen. Het restaurant is rond dit tijdstip de place to be voor studenten en professoren, want het RCM van de 21e eeuw is een levendige gemeenschap van 750 leergierige, talentvolle leerlingen uit meer dan 60 landen.  Die krijgen les van musici van internationale naam en
faam, gewend om het maximale te halen uit de meest talentvolle onder hen. Onwennig schuif ik bij hen aan en bezie het studentenleven van een afstandje: Er wordt gezond geluncht uit zelf meegebrachte bakjes, prakjes opgewarmd in een batterij van magnetrons. Vaak eenhandig, want ook dit is de smartphone-generatie. En er wordt druk over muziek gepraat, discussies die zich hier en daar laten leiden door opengeslagen bladmuziek. Dit is ongetwijfeld van alle tijden, al sinds de oprichting in 1882. Ralph Vaughan Williams studeerde hier en ook Ernest John Moeran.
En in gedachte zie ik een nog jonge Herbert Howells zitten met zijn vrienden. Het is 1913 en hij is de meest veelbelovende van de toch al zeer talentvolle groep leerlingen van Sir Charles Villiers Stanford. Hij werkt aan een compositie die hij ‘The B’s’ gaat noemen, een orkestsuite waarin hij een muzikale eer wil brengen aan zijn vrienden-
groep hier aan het RCM, aan Arthur Benjamin, Arthus Bliss, Ivor Gurney, Francis Warren en aan zichzelf. Ieder deel uit deze suite zal worden opgedragen aan één van de leden,
genoemd naar hun bijnamen (respectievelijk ‘Benjee’, ‘Blissy’, ‘Bartholomew’, ‘Bunny’ en ‘Bublum’). De muziek is krachtig en zelfbewust, en klinkt als een gelukkige herinnering aan een zorgeloze wereld die spoedig opgeschrikt zal worden door het uitbreken van de
Eerste Wereldoorlog. Veel van zijn vrienden zullen hiervan niet terugkeren of blijvende fysieke of geestelijke littekens dragen. Ik denk hierbij aan dichter/componist Ivor Gurney wiens spoor ik volgde vanuit de Vlaamse modder van Passchendaele 1917…

Na de lunch meld ik mij bij de bibliotheek. ’n Jongen van ongeveer Howells’ leeftijd maakt mij wegwijs in de eindeloze rijen muziekboeken, bladmuziek en cd’s. Ik vind de enige opname van Howells’ ‘The B’s’ en neem plaats achter één van de vele afluisterplekken in de audio-afdeling. Even wachten nog… Eerst van dezelfde cd het langzame deel van zijn ‘Three Dances for Violin and Orchestra’ uit begin 1915. Een Howells, nog niet geraakt door de tragedie van de oorlog: serene vioolmuziek met een glorieus brede melodie die me in het hart raakt. Ik overdenk de plek waar ik ben, de bijzondere sfeer die ik hier mag delen als ik begin met de Suite ‘The B’s’. Bij Howells’ portret van zijn grote vriend Ivor Gurney ‘Bartholomew’ breek ik… Gurney’s creatieve leven was slechts kort. Hij overleefde ternauwernood een gasaanval en verbleef de laatste 15 jaar van zijn leven in een tehuis voor geesteszieken. Toen Howells dit liefdevolle portret voor zijn vriend schreef was dit alles nog verborgen in de toekomst… Maar met de kennis van nu… Ik onderdruk mijn opkomende tranen, zet de cd terug op het juiste nummer en ontvlucht Londen. In Braintree, waar ik laat in de middag aankom, zijn de schilders op het station nog steeds aan het werk. Een nieuwe laag verf over een oude historie…

Cees Sleven © 2014

De tranen van Dresden

De tranen van Dresden

“Wer das Weinen verlernt hat, der lernt es beim Untergang Dresdens wieder” – Gerhart Hauptmann

In het Dresdener Stadtmuseum op zoek naar de wonderbaarlijke herrijzenis van het Florence aan de Elbe na het verwoestende bombardement in de februaridagen van 1945 en hoe de geschiedenis met deze wedergeboorte omgaat.

GERMANY-HISTORY-2WW-DRESDEN
Verwoesting van Dresden, gezien vanaf de Kreuzkirche

Hoewel het fraaie nazomerweer uitnodigt om heerlijk ontspannen langs de Elbe-oever te  flaneren, staat mijn opdracht van vanmiddag hiermee in schril contrast: een bezoek aan het Stadtmuseum Dresden, waar ik meer te weten wil komen over die afschuwelijke februaridagen in 1945, toen na de verwoestingen van het bombardement van Dresden van de pracht en praal van deze barokstad slechts één grote ruïne over bleef. Hoe men de schuldvraag heeft verwerkt en het herstel heeft opgevat van deze stad aan de Elbe die als een feniks uit de as zou herrijzen.

Het museum is een openbaring voor mij, een reis door de tijd vanaf de eerste handelaars aan de oevers van de Elbe tot het einde van de DDR en de eenwording van Duitsland. Met Duitse precisie in de vitrines neergelegd. En altijd met Dresden in de hoofdrol. Ik ben de enige bezoeker en waan mij in een tijdcapsule die mij afzet daar waar donkere wolken van de Tweede Wereldoorlog zich samenpakken boven de stad. De opkomst van het Derde Rijk laat ook Dresden niet onberoerd: pogroms, Joden- vervolging en deportaties, niets blijft de bevolking van Dresden bespaard. Alle verzet wordt in de kiem gesmoord en genadeloos afgestraft. Intelligentsia wordt verbannen, onwelgevallige kunst in de ban gedaan. Ik turf een lijst met deze “entartete Kunst”, de nazi term voor deze onwelgevallige kunstuitingen, en mijn ogen glijden langs werken van Otto Dix, waaronder zijn universele aanklacht tegen de oorlog “de Kreupelen”, een stoet slachtoffers zonder armen, zonder benen. Maar als de oorlog ten einde loopt moet het ergste voor Dresden nog komen…

Kreupelen
Otto Dix – “De Kreupelen”

Ik zoek naar beelden van dat verschrikkelijke bombardement van februari 1945 toen Engelse en Amerikaanse bommenwerpers het hart uit deze prachtige stad wegsloegen in een storm van vuur die tussen de 35.000 en 250.000 slachtoffers maakte en 15 km2 van de binnenstad met de grond gelijkmaakte. Het beroemde Florence aan de Elbe bestond niet meer. Ik zie zwart-wit foto’s van haastig gedolven massagraven die ontoereikend waren om alle doden te begraven; om epidemieën te voorkomen werden de lijken op de Altmarkt verbrand op stalen roosters, gemaakt van tramrails… Ik onderga de beelden van de stervende stad met toenemende gelatenheid. Waar vind ik een motief voor deze slachting? Was het een vergelding voor het Duitse bombardement op Coventry? Het tonen van de slagkracht van de R.A.F.? Solidariteit met de oprukkende Sovjettroepen? Feit blijft dat geen fabriek, kazerne of vliegveld geraakt werd…

De gebeurtenissen van die februaridagen hebben een bescheiden, maar indrukwekkende plek gekregen in het museum: een lange, smalle gang leidt naar een projectiescherm aan het eind. Klein van afmeting, maar de beelden van de verwoestingen zijn overweldigend. Coventry, Hiroshima, Dresden… de totale zinloosheid van de oorlog, zonder de nadruk te leggen op wat “ons” is aangedaan. De beelden hebben een enorme impact op mij tot reiken tot ver buiten het scherm. Dan krijg ik plotseling gezelschap van een aantal rolstoelers die door de donkere gang als een treintje komen aanrijden. Onwillekeurig dringt zich een vergelijking op met “de kreupelen” van Otto Dix. Ik probeer mijn schaamte hierover te verbergen onder een koptelefoon terwijl ik kies voor het muziekstuk “Wie liegt die Stadt so wüst” van kantor Rudolf Mauersberger (1889 – 1971), gecomponeerd voor het Dresdner Kreuzchor, onder de indrukken van de verwoesting van Dresden. Ik krijg een dikke keel en voel tranen achter mijn ogen. De spastische vrouw in de voorste rolstoel ziet mijn onbeholpenheid en tovert een glimlach om haar mond, om vervolgens naar de donkerte terug te keren. Ik blijf alleen achter. Alleen met de altijd aanwezige suppoost die streng meldt dat ik mijn lege waterflesje niet op de vitrine mag zetten. Met mijn mouw veeg ik mijn tranen van het tafelblad…

Eenmaal weer buiten het museum voelt het als een bevrijding: een bezoek aan dit Dresdener Stadtmuseum als excuus om te kunnen en mogen genieten van deze prachtig herbouwde stad. Het warme namiddaglicht nodigt uit voor een wandeling. Over de promenade langs de Elbe. Met zicht op het nieuwe Florence…

Het Stadtmuseum Dresden
Adres: Wilsdruffer Straße 2 in Dresden
Openingstijden: Di – Zo 10 – 18 uur
Vr 10 – 19 uur
Ma gesloten
Toegang: € 5,00 / met korting € 4,00 / kinderen onder 7 jaar gratis
Cees Sleven © oktober 2014.