Loflied

Loflied

Op het zwart-wit plaatje dat ik krijg uitgereikt staat een kraampje. Eigenlijk is het geen kraampje gezien de permanente opstelling op een vlonder en de mogelijk het geheel af te kunnen sluiten bij afwezigheid. Maar de luifel staat open en in het huisje wacht de uitbater duidelijk op klandizie. Het is hoogzomer, want de omringende bomen staan zwaar in het blad. Er komt een jongeman aangelopen in kleren die wijzen op een tijd die misschien wel zo’n 80 jaar achter ons ligt: Jasje, dasje en no jeans at all. Het huisje voert de opschriften “De Hoop Onnen”, “IJs” en “Choco’s” en het is me al snel duidelijk dat het hier gaat om een verkooppunt van de stoomzuivelfabriek “De Hoop” uit het Groningse Onnen, die later zou uitgroeien tot de vermaarde roomijsfabriek.
Ik maak stappen terug in de tijd, terug naar mijn eigen jeugd, de jaren 60. Het was de tijd van de immens wijde broekspijpen en in de zomer kleurige bloemenhemden. We voelden ons, zelfs op bescheiden schaal, allemaal bloemenkinderen. En het was het tijdperk van de opkomende ruimtevaart. Toen, geheel aan mijn waarneming onttrokken, geschiedde in Onnen, daar in die ijsfabriek, het wonder: In 1962 werd daar de Raket geboren, het nog altijd populaire waterijsje met de smaken framboos, sinaasappel en ananas. Het was een groot succes vanaf de introductie en heeft sindsdien niet aan populariteit ingeboet. Wat is het geheim van dit simpele, puur Hollandse waterijsje? Heel eenvoudig: de Raket is altijd hetzelfde gebleven. De markt veranderde, de smaak van de consument veranderde, ijsjes kwamen en gingen, maar de Raket bleef. En werd met recht een “klassieker”. Vrijwel iedereen heeft wel eens een Raket gegeten. De fruitige drietraps-combinatie valt goed in de smaak. Zo goed zelfs dat, toen de receptuur iets werd aangepast, consumenten een actie ondernamen om de oude, vertrouwde smaak weer terug te krijgen. En dat lukte: de Raket bleef zoals-ie was. Een Raket is opgebouwd uit laagjes. Om dat voor elkaar te krijgen is er een machine ontwikkeld waarin de verschillende smaken siroop na elkaar worden ingevroren, eerst framboos, dan sinaasappel en als laatste ananas. De Raket wordt vervolgens aan het stokje opgetild en verpakt.
En dan had je hem in de hand. Het papiertje werd er afgestroopt, wat niet lukte zonder stroperige vingers te krijgen. Wanneer het kleurige ijsje aan de buitenlucht werd blootgesteld vormde zich een wazig condens laagje als rijp op de velden op een wintermorgen. De eerste beet was het lekkerst: geen gelik, maar de voortanden gelijk in de eerste trap gezet. Het fruitig zoet streelde de tong tot de smaak van ananas, helemaal aan het eind, zich vermengde met die van het houten stokje. Omdat het smeltproces inmiddels al ver gevorderd was, werd het laatste brok waterijs geheel in de mond genomen dat een vlammende pijn achter de ogen en in het hoofd veroorzaakte. Langzaam steeg de raket ten hemel en verdween in euforische smaakgevoelens uit zicht. Wat bleef was het houtje en twee plakkerige mondhoeken.
De jongeman op het plaatje weet hier alles nog niets van. Ligt voor hem allemaal nog verborgen in de schoot van de toekomst. De uitbater uit Onnen houdt hoop, hoop op klandizie. Ik heb de neiging om hem vanuit het heden toe te vertrouwen dat het allemaal wel goed komt. Hem zachtjes in te fluisteren: “Raket… Cornetto… Calippo… Twister… Solero… Magnum…”

Cees Sleven © april 2018

Advertisements

Narcissus



Narcissus

Naakt, slechts een wit kleed dat de spruit bedekt
tot –door voorjaarswarmte afgelegd-
nieuwe trots het hemels blauw omlijnt
en de knop zich naar het leven strekt.

Neerbuigend in winters laatste ademtocht
groepen zij samen, schouder aan schouder,
wachtend op lentes strelende warmte
die in tijdloos ritme sneeuw en ijs bevocht.

Zij, de gouden narcissen uit mijn jonge jaren,
door Wordworth reeds zo fraai bezongen,
ik zag er duizend wiegend in de wind
met steeds weer dat intens verlangen in al dat goud te staren.

O prille lentebode, onkwetsbaar voor voorbije winterkou,
gooi af je veilige knop, laat schallen je trompet!
Laten we fladderen en dansen in de lentebries
voor ik dankbaar de handen samenvouw.

Cees Sleven © maart 2018

A rainy day in the parc (revisited)

 

Plaats van handeling: het Vondelpark in Amsterdam, speelplaats van mijn jeugd. Een plek waar uitersten elkaar ontmoeten onder het toeziend oog van vaderlands grootste dichter. Ik tuur over het water van de vijver en zie ze gaan hand in hand. Leidende en vooral veilige handen. De leegte tussen het groen vult zich met dankbaarheid: “You out of me, me out of you… we go like lovers, to replace the empty space…”

Gedrieën spoelen wij letterlijk het theehuis binnen. Zij en ik, de buitenstaander. De regen slaat tegen de terrasramen, wanneer zij achterin een tafeltje opzoeken en –uitdruipend- hun warme consumpties omklemmen. Ik hou gepaste afstand, maar kan hun conversatie duidelijk volgen.
“Heb je het niet koud en waarom ben je altijd naakt?” Er volgde een lange stilte die bij mij de spanning deed oplopen. “Omdat ik de waarheid ben, de naakte waarheid, wars van alle opsmuk en tierelantijnen. Ik ben helder als glas en daardoor confronteer ik. Ik breng de essentie naar boven en mijn lot is dat onbegrip en ontkenning mijn deel is”. De ander ging er eens goed voor zitten en antwoordde opverend en met enthousiasme in de stem: “Ja, ik herken dat. Ook ik word niet op mijn woord geloofd. Sterker nog, men keert mij meestal kwaad de rug toe en wil niets meer met mij te maken hebben”. De grove leugen zakte met terneergeslagen blik terug in zijn stoel, wachtend op een meelijdende reactie van de andere kant van de tafel. En die kwam al snel: “We hebben meer gemeen dan je zo op het eerste gezicht zou zeggen. We worden beiden niet geloofd en komen overal buiten te staan”. Misschien zijn we wel tot elkaar veroordeeld en moeten wij onze eigen ongeplaveide weg gaan, ver weg van hen die op ons zouden willen bouwen. Plots vraag ik mij af wie hier nou de buitenstaander is. Dit vreemde koppel of ik? Ik kijk in hun moegestreden ogen en vang hun blik. Ik zie angst en daardoor heen zie ik, heel even maar, een glimp van een leven van zonnedagen toen alles nog zo veelbelovend was. Toen ze dachten ermee weg te komen. Ik voel hun verdriet over de herinnering aan alles wat geweest is, en gebeurd is, het licht en donker van een leven als naakte waarheid en grove leugen. Ik ben hier de buitenstaander, voel me ongemakkelijk en weet me geen raad met de situatie. Ik ga voor het raam staan en kijk het park in. Door het uitlopend groen kan ik nog net het beeld van Vondel zien. Zal ik er tussenuit piepen of de confrontatie aangaan en mijn hulp aanbieden? Door glas en regen heen vraag ik Vondel om raad. Ondanks de kletterende regen buiten is de stemming binnen aangenaam. De meeste tafeltjes zijn bezet, het publiek is divers. En dan plots is daar de zon die haar stralen werpt over het werk van Herman Brood aan de wand. Het theehuis is één en al licht, een uitverkoren plek. Ik raap alle moed bijeen wanneer ik het koppel durf aan te spreken: “Neemt u mij niet kwalijk iets van uw conversatie te hebben opgevangen, maar ik weet misschien een oplossing voor u beider probleem”. Geschrokken, maar ook met een lichte verbazing in de stem antwoorden naakte waarheid en grove leugen in koor: “En wie mag u dan wel wezen?” Ik laat een stilte vallen. Zonder stoel kniel ik tussen hen in en zeg op zachte toon: “Een leugentje om bestwil is mijn naam, aangenaam!”
Uren later stromen wij gedrieën met het licht naar buiten en zien het beeld van Vondel in de sombere schaduw liggen. Gepast op afstand. Terzijde. Met een glimlach om de mond…
In het theehuis blijft op ons tafeltje een vierde kopje koffie onaangeroerd achter…

Cees Sleven © februari 2018

“Daar waar men ooit danste” – beelden uit een voorstelling

Haar naam is Marie Supikova. In de grote groene leegte laat zij zien waar zij als kind in de keuken sliep en vertelt zij over haar moeder. Gefascineerd maar ongemakkelijk kijk ik naar beelden uit de documentaire “Himmlers hersens heten Heydrich” over Hitler’s wraak op het Tsjechische dorpje Lidice in 1942. Aanleiding was de moord op Reinhard Heydrich, plaatsvervangend leider van de SS in Tsjechië, waarna de Führer persoonlijk opdracht gaf een willekeurig arbeidersdorpje met de grond gelijk te maken. De vrouwen en kinderen werden afgevoerd en de mannen ouder dan 15 jaar werden, in rijen van 10, geëxecuteerd. Voor de documentaire keert Marie Supikova terug naar wat eens het dorpje Lidice was. Vanuit vogelperspectief gefilmd om de leegte nog meer te benadrukken geeft zij druk gesticulerend aan hoe het huis was verdeeld in kamers, waar zich deuren en vensters bevonden en waar even verderop de school stond waar alle vrouwen en kinderen werden opgesloten in afwachting van hun deportatie naar Auschwitz.

Dit beeld van die ene overlevende van Lidice neem ik in het najaar van 2017 mee naar de grote, massale ruimte van het Werk aan de Daatselaar, een van de vestingwerken van de Grebbelinie. Hier speel ik met NACHT-THEATER de locatietheatervoorstelling “Daar waar men ooit danste”, een voorstelling in de open lucht waar de natuur, het weer en de bijzondere locatie onze tegenspelers zijn. De plek inspireert, ontroert en verstikt. Acteurs en muzikanten vertellen het verhaal over een man die mijmert over hoe het was en hoe het nooit meer zal zijn. De jeugd zal zijn plek innemen en de nostalgie de nek omdraaien.
Maar eerst dien ik af te rekenen met de ruimte. De grote leegte die zich de ene keer toont in alle vriendelijkheid met lichte zonnevlekken over het wuivend gras, dan weer in alle boosheid met striemende regenvlagen die alle kleur uit de scene spoelen. Ik probeer de ruimte in te delen, ordening aan te brengen. Vanuit vogelperspectief wijs ik denkbeeldige muren aan, open niet-bestaande deuren en vensters. Eerst traag en bedachtzaam, maar al gauw sneller en sneller alsof de herinnering mij in wil halen. Ik begin te rennen, maar de tijd is niet te houden. Want plekken zijn niet alleen ruimte, ze zijn ook tijd. En die is al om de hoek voordat ik gekeken heb. Ik beschouw de ruimte anders nu ik die vreselijke herinneringen met mij meedraag. Mijn gedachten omcirkelen de lege rechthoek die ik sinds mijn kinderjaren ken als afgebrande plek, een plek verbonden met dood en verderf. Daar waart alle leven ophield te bestaan. Eerst nog maar even zitten dan. Eerst nog maar even denken tot er een nieuw moment aanbreekt. Dan zal ik gaan…

Lidice, 1942

De afgelegde weg ligt vastgepind met herinneringen, de weg te gaan is nog onbestemd. Hij bestaat niet alleen uit dromen en verwachtingen, maar vooral ook uit hoop. Hopen op beter, of tenminste hopen op anders: weg kille, grijze wereld, weg somber zwarte dagen. Ontsteek het vuur, koester je in het licht.
Als hoop voor een nieuwe morgen…

Cees Sleven © januari 2018

Dame van het keuzemenu

De maan legt bleke banen op mijn bed.
De nachtwind speelt zachtjes met de gordijnen.
En toch ben ik niet alleen,
zoals al mijn buren zeggen.

Lieve dame van het keuzemenu
neem rustig de tijd voor mij.
Zoveel gemeen hebben wij.
Slaap je ook zo moeilijk in
met al dat lawaai van buiten?

Vandaag werd het water afgesloten.
Gisteren kwamen ze al voor het licht.
Maar ik ben er niet een om te klagen.
De telefoonrekening is betaald.

Het geeft niet dat u lelijk bent
want hier met het licht uit zie je niets.
Lieve dame van het keuzemenu
ik stel het kiezen nog even uit
dan delen wij de eenzaamheid.

Scott Walker – Time operator, 1970 / Vert. Cees Sleven, 2017

27 november 2027, terug naar het einde der aarde


Calvaire de Lannédern, Finistère / Bretagne

Snel en onomkeerbaar daalt de avond neer over Finistère, Bretagne’s vooruitgeschoven post in de Atlantische Oceaan. Vandaag los ik een belofte in aan mijzelf om nog eenmaal hier terug te keren op deze afgelegen plek aan het einde van de aarde. Achter de hoogten van de Monts d’Arrée ligt het verankerd in de oceaan, opdoemend uit de mist en geteisterd platgeslagen door de meestal aanwezige wind. Bijna geïsoleerd land, overgeleverd aan de wil van de natuur. Hier ben ik naartoe gekomen, hier ook ligt mijn bestemming.
Al spoedig hangt de maan in al haar volheid aan de hemel, een hemel zó helder, dat de vele sterren die je normaal zou moeten kunnen zien, bijna onzichtbaar blijven. Het is een welhaast magisch moment wanneer ik weer oog in oog kom te staan met de alom aanwezige oceaan. Aan mijn voeten heeft deze een groot stuk rots weggeslagen, waardoor ik een vrij zicht heb op het onmetelijke water. Ik kijk neer op de golven die niet opgeven om op de rotsachtige kust in te beuken en in oplichtende, steeds wisselende sluiers van zout en water uiteen te spatten. Terwijl ik in het laatste schemerlicht naar de flauw gekromde verte staar, onderga ik opnieuw de absolute stilte, waarbij het geluid van de branding diep beneden mij en het rauwe gekrijs van de meeuwen boven mij slechts accenten zijn van deze perfectie, en geen verstoring.
Onder mij de woeste golven, aan de andere kant ligt langzaam aflopend, drassig veenland, vrijwel geheel met mos begroeid. Ik realiseer mij plotseling de hachelijke situatie waarin ik mij bevind. In meerdere opzichten in wankel evenwicht op de rand van deze rotspunt. Nog nooit ervoer ik tegelijk een dergelijk geluksgevoel, en daarnaast zo’n angst voor het onbestemde, hier waar het land zich verliest aan de zee, het Finis Terrae, het einde van de aarde.
Wat kom ik hier eigenlijk doen? Op zoek naar de culminatie van mijn verering, de projectie van mijn verlangen? Vragen en nog eens vragen… Ik daal af over het glinsterende mos en vang nog een laatste glimp op van het spel van aanrollende golven op de zwarte, standvastige rotsen waarop de zee een salto mortale uitvoert. De wind doet mij huiveren: onthaasten is verstuiven, zoals het schuim van de golven in de wind. Ik keer terug naar de baai en bij het licht van mijn zaklantaarn, herlees ik nog eenmaal deze brief voor ik hem durf toe te vertrouwen aan de aangespoelde fles, eens geboortig in Fleurie, ’n zonovergoten plek in de Bourgogne. Dat valt althans op te maken uit het vage opschrift op het door zout uitgevreten etiket. Nog even hou ik de fles vast bij de hals en dan… vooruit, daar ga je weer! Vanaf Finistère retour… Eerst nog een lichte aarzeling, maar dan vindt de fles weer het gezelschap van de golven die hem verder en verder zullen meevoeren. Naar onbekende wateren, geleid door de sterren.
Misschien wil ik hier wel blijven of uiteindelijk thuiskomen, rust vinden op het kleine kerkhof van Lannédern. Het warme najaarslicht zal er de enclos binnenvallen en langs mijn grafsteen strijken. De Monts d’Arrée zullen mij omringen en daarachter zal de nooit aflatende strijd tussen de woedende watermassa’s en de koppige granietharde rotsen eeuwig voortduren. Dood of leven, de scheidslijn is slechts een krijtstreep, waarop vast in vloeibaar overgaat, houvast transformeert naar oneindigheid.
Ook in Bretagne versterven de seizoenen, laat het laatste herfstblad aarzelend los. En alles zal vrede ademen, harmonie, eeuwigheid…

Cees Sleven © november 2017

Naar Ivor Gurney’s Gloucestershire

Rose Cottage B&B

O England, my England! dinsdag 31 oktober 2017

Dit bericht schrijf ik jullie vanuit Shipton Moyne, een weggestopt dorpje aan de rand van Engelse Cotswold, een glooiende streek in het graafschap Glouchestershire. Een kerk, een pub en een doorgaande weg met daarlangs die karakteristieke huisjes van gele zandsteen. ‘Rose Cottage’ is zo’n huisje, direct naast de pub gelegen, en daar logeer ik. Er heerst hier rust, de doorgaande weg laat slechts af en toe een passerende auto horen. Verder heerst er absolute stilte. geen zuchtje wind, alles roerloos, nu de avondschemer alle kleur uit bomen en struiken trekt en de takken als spookachtige silhouetten achterlaat. Een zwarte vogel benadrukt zijn aanwezigheid tegen de nog oplichtende westelijke avondlucht. Het is Halloween vanavond. Een hoog overvliegend vliegtuig kan ik moeiteloos nog minutenlang volgen tot het geluid overstemd wordt door de eigen ruis in mijn oren. In de verte slaat de kerkklok en het ruikt naar aarde en natte bladeren. Waarom ben ik hier neergestreken? In Ivor Gurney’s Glouchestershire?

Denkend aan weleer (‘Old Thought’)

Herfst, die naam voor vallende klimop en liefdevolle theetijd,
was ooit voor mij de gedachte aan de High Cotswold’s middaglucht,
Aan de aarde die geurt, het verkleurend bramenblad, onder zeilende wolken,
Vermengd met de liefde voor het lichaam en het reizen door het wuivend grasland.

O heerlijk klimmen, het vastgrijpen aan de rand, o snelle pas,
Gelijk het beukenbos, genietend van het buiten adem zijn,
De loftrompet gestoken over de nog onbekende Crickley cliffs, laat muziek gloeien in mijn gedachten.
Witte Cotswold, wijnrode bossen en kapotgeslagen, vochtig herfstblad.

Ivor Gurney

‘Old Thought’ is niet alleen een gedicht over het wandelen in de Engelse landstreek de Cotswold, maar ook een gedicht over veel meer dan dat alleen. Het is een passende introductie van de dichter en componist Ivor Gurney (1890 – 1937) uit Gloucestershire, misschien het meest bekend als musicus en oorlogsdichter uit de 1e Wereldoorlog.
Gurney’s gedichten getuigen van zijn liefde voor het landschap van Gloucestershire met dezelfde niet-sentimentele kracht waarmee hij verslag deed van de harde werkelijkheid van de loopgravenoorlog, en verklaren zijn geleidelijk afglijden in waanzin.
In 2010 volgde ik het spoor van Ivor Gurney op de voormalige slagvelden rond het Vlaamse Ieper, Nu, in 2017, zal ik in zijn voetsporen treden tijdens mijn bezoek aan zijn geliefde Gloucestershire. In de Cotswold zal ik Crickley Hill beklimmen, Gurney’s verheven plek waar hij zich alleen kon terugtrekken met altijd muziek en poëzie in zijn gedachten. Voor mij betekent dit het aanschouwen van het wisselende herfstlandschap en het ondergaan van de grote rijkdom aan herinneringen aan Ivor Gurney. Met altijd het weidse uitzicht over Gurney’s Gloucestershire beneden me…
Maar eerst moet je tot hier komen en dat valt niet mee. O Engeland, wat is er met je aan de hand? Een wegennet als dichtgeslibde aderen, vol kuilen en gaten. De bermen zijn smerig, overal ligt vuil. De snelwegen liggen als vieze linten over het landschap. Er is veel ‘Highway Maintenance’ op de weg, maar die doen hooguit iets onduidelijks in de bermen. Eindeloze afzettingen zonder enige actie. Dit doet pijn. En dat moet op eigen benen gaan staan, als een kind dat te vroeg het huis uitgaat… En dan is er ineens nieuw geld, nieuwe munten van 1 Pound en springerige plastic briefjes van 5. Ik had nog zo zorgvuldig wat ponden bewaard. Niet meer geldig, ik geef ze aan een poppy-verkoper die mij dankbaar een klaproosje opspeldt ter nagedachtenis aan de gevallenen.
In Cirencester, de hoofdstad van de Cotswold, bezoek ik de St. Jan-de-Doperskerk, een zogenaamde ‘Wolkerk’ in de middeleeuwen gebouwd met de opbrengsten van de rijke wolhandel van de 15e eeuw. Oud, indrukwekkend en ook geheel opgetrokken uit de karakteristieke, gele stenen. De kerksuppoost vraagt beleefd waar ik vandaan kom en drukt mij een foldertje met de rondgang door de kerk in handen. In het Nederlands, de kleur is oranje…
In de rit naar mijn logeeradres herken ik mijn Engeland weer: zacht glooiend met slingerende weggetjes omzoomd door herfstkleurende hagen. En dan sta ik voor ‘Rose Cottage’ waar Rebecca mij welkom heet. Wij delen alleen de voordeur. Zij woont voor, ik logeer aan de achterzijde aan de tuinkant. Zitkamer, slaapkamer, badkamer met honderd nostalgische zaken die mij omringen. Prominent aanwezig zijn haar kunstwerken, want Rebecca is een ware naald-kunstenaar. Beroemde voorstellingen gevat in duizenden steken geeft zij een nieuw leven. Ver van het drukke leven in Londen waar zij ooit vijf fourniturenzaken runde. Zij belooft mij een glas rode wijn na haar dansles en terwijl na haar vertrek ook in huis de absolute stilte neerdaalt, loop ik naar hiernaast, naar de ‘Cat and Custard Pot’ voor mijn eerste pubmeal. Een pub zoals een pub behoort te zijn: een mooi uitgelichte bar, verder kleine tafeltjes in schemerige nisjes en veel te bekijken aan de wanden. Wat onwennig bestel ik mijn meal en mijn cider en neem plaats achter mijn kaarsje in de schemer. Het mooiste meisje van de klas komt mijn Gloucestershire sausages brengen. Misschien is zij verdwaald, want dit dorp heeft geen school.
Terug hef ik het glas op Rebecca’s gezondheid en trek ik mij terug in mijn nostalgische wereld: zijden rozen in een vaas met vlinders, franje aan de lampenkappen, een houten hobbelpaard, een glazen ruit op de salontafel met kromme poten. Maar de stilte buiten is echt. De omfloerste maan verlicht flauwtjes de kale bomen. Mijn mond ademt wolkjes condens en ik huiver. Morgen ga ik Ivor Gurney achterna. Hopelijk baadt zijn geliefde Gloucestershire dan in het gouden herfstlicht.

Ivor Gurney’s graf te Twigworth

Herinneringen, woensdag 1 november 2017

‘And all the dawn that set my thoughts new to making;
Or Crickley dusk that the beech leaves stirred to shaking
Are put aside – there is a book ended; heart aching.’

Deze dichtregels uit ‘Poem for End’ schrijft Ivor Gurney neer wanneer hij in een inrichting voor geesteszieken zit en zij vertellen ons hoe moeilijk het proces geworden is slechts te moeten leven op herinneringen. Herinneringen aan zijn geliefde Crickley Hill in de Cotswold heuvelreeks, waarover hij lange wandelingen ter inspiratie maakte. Voor zijn gedichten en voor zijn muziek. Het werk als landarbeider op de nabijgelegen boerderij, rook die opstijgt uit het beukenbos, het vallen van de avond over de vallei beneden, allemaal elementen die zo nadrukkelijk aanwezig zijn in zijn gedichten en composities.
Op 28 augustus 1890 wordt Ivor Bertie Gurney geboren in de kathedraalstad Gloucester. Via koorknaap en leerling-organist in Gloucester Cathedral verdient Ivor Gurney in 1911 een studiebeurs aan de Royal College of Music. Hoewel hij in 1914 op zijn ogen wordt afgekeurd voor het leger, meldt hij zich ondanks zijn studie vrijwillig aan om in Frankrijk zijn vaderland als soldaat te dienen. In september 1917 overleeft hij ter nauwer nood een gasaanval tijdens de Slag om Passchendaele. Als oorlogsinvalide keert hij terug naar Engeland en brengt daar zijn tijd door in verschillende oorlogshospitalen en wordt hij, na het vertonen van tekenen van geestelijk instabiliteit (met een zelfmoordpoging in 1918) uiteindelijk uit de dienst ontslagen in oktober 1918. Hij pakt zijn studie aan de Royal College of Music weer op, maar kan zich niet concentreren. Hij keert terug naar Gloucester, werkeloos en rondkomend van een klein oorlogspensioen en de liefdadigheid van vrienden en familie. Een vruchtbare periode op het gebied van de muziek en poëzie volgt nu, maar zijn gedrag (al excentrisch voor de oorlog) wordt steeds onevenwichtiger. Er volgen meer zelfmoordpogingen en in september 1922 krijgt hij de diagnose ‘paranoïde schizofrenie’ en wordt opgenomen in een inrichting voor geesteszieken. Hij zal er tot zijn dood in 1937 verblijven.
Hartverscheurend zijn ook de brieven, vaak niet gepost, die hij aan vrienden en vriendinnen of aan de overheid schreef. De weduwe van collega-dichter Edward Thomas, gesneuveld bij Arras in 1917, kwam op het goede idee om tijdens een bezoek aan Gurney een kaart van Gloucestershire mee te nemen. Zo kon hij nogmaals zijn fantasie laten gaan over de herinneringen aan het landschap van zijn jeugd.
Vandaag sta ikzelf in dit landschap, op zoek naar echo’s uit dat verleden en zal ik mij de moeite getroosten, ondanks mijn schrikbarend toegenomen hoogtevrees, Crickley Hill te beklimmen. Ondanks een lichte nevel is de eerste aanblik van het omringende landschap fantastisch: aan mijn voeten ligt de stad Gloucester met zijn omringende heuvels. Boven mij de kale, limestone kliffen die als opgetrokken tanden waken over de vallei beneden. Het pad omhoog is smal en glibberig en ik heb moeite mijn blik van het steeds wisselende panorama af te houden. Ik ben in voortdurend gevecht met mijn wandelschoenen die ik dan ook halverwege uitdoe om mij even helemaal over te kunnen geven aan de omgeving. Mijn telefoon laat mij de volgende toepasselijke muziekstukken horen: ‘Chosen Hill’, ‘Bredon Hill’, ‘Radnor Suite’. Deze heuvels liggen allemaal in mijn blikveld van 180 graden en ik raak er door gefascineerd. Nog versterkt wanneer ik Gurney’s gedichtenbundel erbij pak:

‘Up there in the Roman Hill* all was quiet.
Only harebells nodded,
And the pieces of limestone scattered in the spaces white,
Wondered not what I did.

* Crickley Hill

Ik raap een gelig stuk limestone op en stop het in mijn rugzak. De gedichten hou ik paraat. Langzaam maar zeker geeft Crickley Hill zich gewonnen, wordt ik een met het landschap. Vanaf de top kijk ik neer op herfstig beukenbos en gaat mijn blik naar de verre horizon waar het land via steeds diffuser lagen blauw opgaat in de hemelboog. Het geeft betekenis aan de begrippen voor en achter, dichtbij en veraf. Basiselementen aarde, water en lucht, waaruit ook ik ben opgebouwd verbinden mij met de natuur, maar in totale vrijheid er een eigen interpretatie aan te mogen geven. En hier voel ik me verbonden met Ivor Gurney. Ik geniet intens van de verlatenheid van het landschap en ben op zoek naar beelden om mij vast te kunnen klampen aan alles wat ik ooit geleerd heb. Er keren herinneringen terug in de scherpte en voel ik dankbaarheid om deze te herkennen…
In de namiddag sta ik in Twigworth aan het graf van Ivor Gurney. Het late herfstlicht strijkt over de scheefgezakte steen. ‘Ivor Gurney, poet and composer of the Severn and Somme’ luidt het grafschrift. De Severn is een rivier in zijn geboortestreek, de Somme de bloed doordrenkte gedrenkte frontrivier in Noord Frankrijk. Uit de tekst spreekt een verlangen naar huis, een diep gewortelde wens om terug te keren naar zijn geliefde Gloucestershire. Weg uit de onvoorstelbare ellende en uitzichtloosheid van de loopgraaf. Het is deze totale onvrijheid om over het eigen lot te mogen beslissen die mij in Ivor Gurney fascineert, maar die mij ook, hoe tegenstrijdig ook, vervult met berusting nu het seizoen zijn graf toedekt met een tapijt van vochtig herfstblad. Als een kind dat liefdevol wordt ingestopt en goedenacht gekust. Dat het de verschrikkingen maar voor altijd mag vergeten. In de oneindige cyclus van het leven die geldt voor iedereen. Voor vriend en vijand.

Hymnus Paradisi, donderdag 2 november 2017

Achter de grafsteen van Ivor Gurney op de kleine begraafplaats van Twigworth ontdek ik het graf van de 9-jarige Michael Howells die in 1935 overleed aan polio, na een ziekbed van slechts drie dagen. De familie Howells, vader, moeder en zuster die op vakantie waren in Gloucestershire, bleven zoals verwachten viel gebroken achter. Vooral voor zijn vader, Herbert Howells, toen 43 jaar oud en een gerenommeerd componist van gewijde muziek, was deze klap extra verlammend. Maandenlang kon hij geen werk componeren en kreeg hij geen noot op schrift. Het was alsof de dood van de jongen alle creativiteit uit hem had gezogen. Het was zijn dochter Ursula die hem voorstelde een muziekstuk te schrijven om zijn verdriet een plaats te geven. Howells verrichte een bovenmenselijke inspanning en gaf toe aan zijn dochter. Het resultaat, de Hymnus Paradisi, een werk vol kwelling en schoonheid, was klaar in 1938 en werd opgeborgen in een la. De wond was nog niet geheeld en de pijn te persoonlijk om die al met het publiek te delen. Meer dan 10 jaar bleef het werk in de la liggen.
Voor het Three Choirs Festival van 1950 werd Herbert Howells gevraagd een nieuw werk te componeren, en na grote tegenzin was het de alom gewaardeerde componist Vaughan Williams die hem overhaalde zijn Hymnus Paradisi voor het eerst publiekelijk uit te voeren. Het werk, ter nagedachtenis aan zijn zoon Michael en zo lang verborgen gehouden, bleek het grootste en belangrijkste Engelse koorwerk te zijn ooit geschreven. Men wordt erdoor overweldigd, gegrepen door zijn intensiteit en schoonheid en je raakt het dagenlang niet kwijt uit je hoofd.
Hymnus Paradisi is nu, anno 2017, een beetje in de vergetelheid geraakt, maar dankzij de techniek van datzelfde 2017 luister ik op mijn ochtendwandeling rond Shipton Moyne naar dit prachtige koorwerk en laat ik de heldere herfstmorgen bij mij binnenkomen. Het versterven van de natuur in duizend kleuren harmonieert zo wonderwel met het donkerste donker en het doorbreken van het licht in de muziek. Rode, gele en bronzen bladeren tegen een strakblauwe lucht. Goud en zilver zie ik, maar ook zwarte, met klimop omgroeide silhouetten in tegenlicht. Reeën springen de weg over, grijze eekhoorns schieten de bomen in. In de stilte van de morgen is dit misschien wel het paradijs. Er komen mij drie paarden achterop, het geluid van castagnetten op het asfalt. Hun jockey groet mij vriendelijk als ik uit voorzorg uitwijk naar de andere kant van de weg. Engeland, paardenparadijs. Even later slenter ik achter drie dikke paardenbillen aan: lichtbruin, donkerbruin en grijsgevlekt en al gauw overstemt het koor weer de castagnetten. De weg, de hemel en de herfst zijn weer helemaal van mij alleen. Ik steek de weilanden over en kom aan de kommervolle dorpskerk van St. Johannes de Doper. Hoewel het kerkje open is ben ik waarschijnlijk de eerste bezoeker na de zondagsdienst van afgelopen weekend. Het is er koud, vochtig en ijzingwekkend stil van binnen en ook op het kerkhofje is niemand te zien. En het is nog wel Allerzielen, de dag waarop men de overledenen een extra duwtje naar de hemel kan geven. Geen enkele activiteit, geen extra bloemetje of lichtje op de graven, Engelsen zijn waarschijnlijk of allemaal rechtstreeks naar de hemel of branden met z’n allen in de hel. Geen vagevuur waaruit je nog te redden bent als tussenstation. ‘n Soort Brexit waar je alleen voor of tegen kunt zijn…
‘s Middags ga ik me te buiten in de Tesco supermarkt: Walker chips en Catbury chocola, alle benodigdheden voor echte scones (een statige lady wijst mij de weg naar de enig juiste strawberry jam), cheese and biscuits en natuurlijk heerlijke cider. Allemaal illusie dit stukje Engeland vast te kunnen houden. Want Engeland was weer goed voor me. Met het weer, als altijd fraai in de eerste november week, met mij als linkshandige linksrijder en met Rebecca mijn voortreffelijke gastvrouw van ‘Rose Cottage’. Ik zal haar veel te sterke afternoon-tea node missen. En nu maar hopen dat morgen al mijn boodschappen het land uit mogen…


Malmesbury Abbey, Wiltshire


Epiloog
, vrijdag 3 november 2017

Om aan de grote vraag naar scones van het thuisfront te voldoen ben ik neergestreken bij Morrisons, een grote superstore in het havengebied van Harwich. Omdat ik 3 jaar geleden een welhaast traumatische ervaring heb opgedaan met het rijden in het donker, bij nacht en ontij vanuit Norwich naar de boot in Harwich, heb ik besloten voor het vallen van de avond in de nabijheid van de haven te arriveren. Een grote truck van Morrisons voor mij wees mij automatisch de juiste weg naar de superstore, waar ik onder de laatste zonnestralen het inmense parkeerterrein opdraaide.
Ik heb een plaatsje gevonden in het cafe, ‘n HEMA-achtige gelegenheid met tafeltjes met middenpoot en een allegaartje aan houten stoeltjes erom heen. Met een flesje bessensap en een zakje cider/azijn-chips onder handbereik begin ik aan mijn laatste verslag van deze reis. Gewoon even de tijd volmaken tot een uur of negen, of eerder wanneer de accu van mijn tablet het begeeft. Ik heb eerst nog een rondje langs de schappen gemaakt voor de nagekomen bestellingen en met het laatste Engelse geld mijn tank volgegooid. De relatieve rust in het café wordt al gauw verstoord door een groot Aziatisch gezin dat luid schuivend met de stoelen aller aandacht op zich weet te vestigen. Ik vrees een kinderverjaardag, getuige de uitgelatenheid van de kinderen en de hoeveelheid limonade en chips waarmee de begeleidende, in trainingsbroeken gestoken moeders komen aanzetten.
Hoe anders begon deze dag met de mistige stilte in Shipton Moyne en het onvermijdelijke afscheid van Rebecca’s ‘Rose Cottage’. De rij lage Cotswold huisjes geeft een gelige gloed aan de mist die zwaar in de tuinen hangt. Ik heb het er goed gehad en de omgeving was meer dan inspirerend voor mij. Langzaam zoom ik uit van dit herfstig heuvelland naar de strakke snelweg M4 richting huis. In Malmesbury bezoek ik nog de abdij waar twee vriendelijk dames mij, via twee ansichtkaarten, van mijn kleine geld afhelpen. Mijn hartvormige muntendoosje met het opschrift ‘I love you’ doet hierbij wonderen. Overmoedig geworden door dit succes stap ik de plaatselijke bank binnen om te proberen mijn oude ponden in te wisselen voor nieuw geld, en zowaar blijkt ook hier mijn doosje, gepaard aan mijn onbeholpenheid te werken: 19 nieuwe ponden rijker stap ik de deur uit, vriendelijk nageknikt door de dame achter het loket.
Het Aziatische gezin wekt inmiddels wrevel op bij de andere gasten in het café. Het constante geschuif met de stoelen doet gezichten fronsen en mensen geïrriteerd omdraaien. Fluisterend naar elkaar spreken zij hun afkeer over de situatie uit. Ik wissel blikken uit, blikken van begrip en mededogen. Dat ontlokt een glimlach rond de mond van de man tegenover mij. Hij zit gekluisterd aan zijn rolstoel en uit zijn hele houding maak ik op dat hij maar al te graag, en met alle kracht die nog in hem is, op de Aziaten zou willen inrijden. Ik kijk weg, naar de klok en tel af, nog 59% batterijspanning…
Ik zal straks als een van de eerste in het opstelvak bij de boot staan. Het zal langzaam afkoelen in de auto en ik zal zitten vechten tegen de slaap. Maar het was het allemaal meer dan waard: een paar dagen terug in Engeland, in de eerste week van november, wanneer de herfst op z’n mooist is. Op Crickley Hill is inmiddels de avond gevallen, ver beneden twinkelen de lichtjes van de kathedraalstad Gloucester. Het pak bladeren op het graf van Ivor Gurney te Twigworth is vandaag weer dikker geworden. Rebecca schenkt zich een glas wijn in en borduurt verder aan haar Rosetti. Het leven herneemt weer zijn normale gang. En dat op zich is al paradijselijk…

On Crickley Hill, Cotswold

Cees Sleven © november 2017

Met dank aan alle lezers voor hun inspirerende reacties en
Mrs. Rebecca Spenser-Underhill, mijn voorbeeldige gastvrouw van ‘Rose Cottage’ te Shipton Moyne.

Alle foto’s werden gemaakt met een Samsung L100 digitale camera
en zijn te bekijken via mijn website > Foto-albums.