Marcelino, Brood en Wijn

Onlangs kwam mij een krantenartikel onder ogen met de titel “Gouden stem in gouden kooi” over jongenssopraan Leo Meijer, over zijn mooie carrière met helaas ook een schaduwkant.
“Onze” Leo Meijer van het koor van de Sint-Augustinuskerk in Amsterdam-West. Wat waren wij trots op zo’n solist die ‘s zondags, ondanks de beginnende ontkerkelijking, de grote parochiekerk vol liet stromen tot zelfs de laatste staanplaats achterin zich liet bezetten. Als 8-jarige misdienaar zat ik dan op het altaar 1e rang en onderging Mozarts Ave Verum Corpus als muziek rechtstreeks uit de hemel, kristalhelder en puntgaaf gezongen als het dunste sikkeltje van de maan. Die prachtige sopraanstem in perfecte balans met de jongensalt van Peter van Hugten, mijn jeugdvriendje al vanaf de kleuterschool.
Vanaf het altaar had ik zicht op het koor en, in de tegenoverliggende zijbeuk, op het machtige Cavaillé-Coll orgel, dat zijn zware bassen de kerk in zond en de hoge klanken langs de bakstenen muren en de hoge ramen naar het balkenplafond liet klimmen, om beneden weer samen te smelten tot de perfecte begeleiding van het koor en haar twee solisten.
Als misdienaar was ik bevoorrecht dit alles te mogen ondergaan, al moest ik het beste plekje op het altaar telkens weer bevechten, een strijd die, voorafgaande de Heilige Mis, in de sacristie beslecht werd door de koster, zeker wanneer het ging om een Hoogmis met 4 misdienaars. Na wat duw- en trekwerk werd ons hardhandig een plek toegewezen en de functies verdeeld: koor-buiten, koor-binnen, bel-binnen en bel-buiten. Dit vraagt om enige toelichting. Bel-buiten was het populairst, want dan mocht je elk moment van extra aandacht aankondigen met een ferm belsignaal, wat dan ook met verve werd gedaan. Als bel-binnen mocht je de ampullen met water en wijn aanreiken, waarbij het bij te mengen water vaak door de priester discreet met de duim werd geweigerd om de miswijn vooral puur te houden. Koor-binnen was een beetje eng, omdat daarbij het grote misboek moest worden omgedragen, inclusief het kussen waarop het rustte. Meneer pastoor had namelijk de onhebbelijke gewoonte om zijn kunstgebit daaronder te verstoppen, een aanblik die voor ons jonge misdienaars tamelijk angstaanjagend was. Koor-buiten was het makkelijkste plekje: je had helemaal niets te doen, anders dan te luisteren en te kijken naar het koor. Dit was mijn favoriete plekje, al moest ik erop letten niet steeds met mijn hoofd naar het koor te draaien.
Vroom en plichtsgetrouw reciteerde ik de Latijnse teksten mee zoals ik die geleerd had van Frans Meijer, de oudere broer van Leo. De “uus” worden “oes” had hij er bij mij ingestampt, opdat ik het nooit meer zou vergeten!
Zo begon mijn carrière als misdienaar in de Sint Augustinus parochie, die als een Godseiland in de rode arbeidersstad Amsterdam lag. Kerk, broeder- en zusterklooster en uiteraard de bijbehorende jongens- en meisjesscholen. Ik denk terug aan mijn lagere schooltijd. Netjes met de armen over elkaar en de lippen toegeknepen probeerde ik in mijn schoolbank indruk te maken op de pater die zojuist de klas was binnengekomen op zoek naar een kandidaat misdienaar voor een huwelijks- of uitvaartmis. Onder schooltijd nog wel. Met de armen nog steviger om de borst geklemd en het hoofd nog meer in de nek maakte je grotere kans de les regulier te mogen verlaten, linea recta naar de bruidssuikers van een dankbaar bruidspaar.
En dan was er de jaarlijkse filmvoorstelling op de zolder van het broederklooster. In die donkere en een beetje enge omgeving, daar onder de houten spanten, werden voor ons –uiteraard- religieuze films vertoond. Eén ervan ligt er nu naast mij terwijl ik dit schrijf. Die heb ik na bijna 60 jaar alsnog op de kop getikt om opnieuw dat kippenvelmoment van toen te kunnen beleven: “Marcelino, Brood en Wijn” over het jongetje Marcelino dat te vondeling wordt gelegd op de stoep van een broederklooster waar hij in alle vrijheid wordt opgevoed, onder slechts één verbod: hij mag nooit naar zolder. Uiteraard kan de jongen deze verleiding niet weerstaan en gaat hij toch. En daar vloeien realiteit en filmische werkelijkheid samen en beroeren de tedere kinderziel. Op de zolder staat namelijk een levensgroot kruisbeeld waar de gekruisigde Christus vanaf komt en begint te praten met de onthutste Marcelino. Waarover en waarom kan ik mij niet meer herinneren, wel de rillingen over mijn rug die nog steeds terugkeren wanneer ik erover praat, over schrijf of de film ter hand neem. Ik kijk terug in een glazen bol met veel mist en sneeuw, maar ook zie ik veel confetti . Overal kleurtjes, verschillende emoties en ideeën. Ik ben dan weer even Marcelino of koor-buiten. Of misschien wel een slinger in de tijd, opgehangen aan herinneringen…

Cees Sleven © september 2019

Advertisements

Eenzijdig

‘Ik zie dat je het er moeilijk mee hebt. Je zou wel willen, maar je kunt het niet. Wat verwacht je nu van mij? Een paar opbeurende woorden, een beetje medelijden? Daar kan ik echt niet aan beginnen.’

‘Ah, nu zie ik pretoogjes, je bent ergens op uit! Een beetje ondeugend ben je wel!’

‘Praat ik te zacht, ik kan wel harder. Waarom ontwijk je nu mijn blik? Blijf ik onbereikbaar voor jou?’

‘Goed, ik zal zwijgen, maar toch zeg ik het je nog 1 keer: ZET AF DIE KOPTELEFOON ALS IK TEGEN JE PRAAT!’

Cees Sleven ⓒ 2018

Meetlat

1. En dan heb ik hem in mijn handen.

2. Een veelkleurige meetlat kijkt mij verwachtingsvol aan.

3. ‘Wat ga je met me doen, wat KUN je met me doen?’

4. ‘Ik kan je een rechte lijn geven, strak van A naar B.’

5. ‘Of een kaarsrecht snijvlak, maar pas op dat je je niet bezeert.’

6. ‘Ik heb andere plannen met je, ik leg je langs de tijd.’

7. ‘Elke centimeter, elke milimeter is een herinnering in de tijd.’

8. ‘Kleurige herinneringen zijn het, de donkere sla ik graag snel over, met decimeters tegelijk.’

9. En dan een teleurstelling, de meetlat is op.

10. Ik leg hem weg. Ergens in het midden van nergens…

Cees Sleven ⓒ augustus 2019

Zomertijd

Het wordt weer zomer, onherroepelijk! Niet te stoppen na weer een wispelturig voorjaar met z’n korte schemers en nog kille avonden. Nee, geef mij maar de zomer wanneer de avonden eindeloos lijken en loomheid uitbundig gevierd mag worden. Avonden ook waarop de tijd schijnt stil te staan en de klok het genieten niet vermaalt in afgepaste stukjes activiteit. Vakantie zich uitstrekkende over een lege agenda, zonder plan, heerlijk nietsdoen. De mooiste periode van het jaar, die kan niet vroeg genoeg beginnen. O ja, toch wel: overstappen naar de lentetijd, de klok een uurtje terugzetten. De zomer nog een uurtje langer. Dat zou pas echte vooruitgang zijn…

Cees Sleven ⓒ voorjaar 2019

Musical (voor Ilse)

Zij neemt afscheid van de basisschool. En dat betekent traditioneel de opvoering van een musical waarin alle emoties, eigen aan dit afscheid, zijn verwerkt: Vriendschap, dingen samen doen, het redden van de aarde, de stap naar volwassenheid, dit alles geperst in krap anderhalf uur en door mij bekeken op een wel heel wankel klapstoeltje. Met verve kwijt zij zich van haar bescheiden rol, meezingen in het koor en slechts een paar zinnen tekst in een verzonnen rol. Ja, ieder kind moest zich deelnemer voelen. Tussen andere opa’s en oma’s door die de eerste rijen bezet hielden kon ik haar net zien, haar enthousiasme en de daardoor te vroege inzet bij het zoveelste lied. Haar perfect ingestudeerde danspasjes met daarbij haar niet aflatende glimlach. Ze stapt nu definitief de grote mensenwereld binnen en zal snel leren dat het leven je niet alleen toe zal lachen en dat tranen ook pijn kunnen doen. Tranen om echt verdriet. Na een warm en verdiend applaus fietst zij tussen een haag van medeleerlingen de speelplaats af, nog net even nat gespoten door de brandweer. Ik hou gepaste afstand, blijf buiten schot. En toch hou ik het niet droog…

Cees Sleven ⓒ juni 2019

Schoen

‘Je hebt er twee, voorkeur?’
‘Doe maar de linker, ze vertellen toch hetzelfde verhaal.’
‘Goed, doe maar uit en zet ‘m tussen ons in.’
‘Schoen, mag ik aan je ruiken?’
‘Tuurlijk, ga je gang, maar niet te lang.’
‘Wat ruik je?’
‘Ik ruik geloof, hoop en liefde.’
‘Weet je het zeker? Ruik nog eens goed.’
‘n Vleugje verdraagzaamheid, ja zelfs barmhartigheid.’
‘Je verdient een hoger plekje, ga maar op de stoel staan.’
‘Ik zie dat je niet gepoetst bent, dat maakt je wel puur en ongepolijst.’
‘Past niet helemaal bij het pluche van de stoel. Misschien kom je beter uit als je boven het hoofd wordt gehouden.’
‘Ja, zo is het goed. Nu zie ik jouw onderkant, jouw schaduwkant. Ranzig gevulde profielzolen, je draagt het slijk der aarde met je mee. Je bent als het leven zelf, mooi maar met zwarte randjes. Maar zolang er rechtop gelopen wordt, zul jij je neus niet stoten…’

Cees Sleven ⓒ 2018